Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Drs. Rob Rodrigues Pereira
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Andere aandoeningen bij ADHD

ADHD is een aandoening die maar in 30% van de gevallen helemaal op zichzelf staat, zonder bijkomende problematiek. Dat betekent dus dat als uw kind ADHD heeft, er meestal een ander probleem bijkomt, in zestig procent van de gevallen zelfs twee problemen. Deze bijkomende aandoeningen noemen we co-morbiditeit en de aandoeningen kunnen net als ADHD in lichte, matige en ernstige vorm optreden. Het zijn allemaal stoornissen met een erfelijke basis, net als ADHD. Als ADHD op de voorgrond staat, kan het daarom lastig zijn ze te herkennen. Uit bevolkingsonderzoek blijkt dat ADHD in wisselende frequentie kan overlappen met een of meerdere co-morbiditeiten.
Daarnaast is het erg belangrijk om in te schatten wat het niveau van uw kind is. Als uw kind over een goede intelligentie beschikt, zal het over het algemeen minder last hebben van bijkomende 'handicaps'. Als uw kind op een laag niveau functioneert, kan het soms zoveel last hebben van zijn beperkingen dat het naar een ander schooltype moet. Wanneer een IQ-test gedaan wordt en er komt een laag getal uit, dan kan dit getal een eigen leven gaan leiden. Soms scoort uw kind duidelijk hoger wanneer de ADHD behandeld is. Door de concentratieproblemen is het goed mogelijk dat hij bepaalde vragen onvoldoende scoort, met een valse te lage score tot gevolg!
De verschillende co-morbiditeiten zullen nu kort de revue passeren.

Bijkomende aandoeningen bij kinderen met ADHD.



Motorische stoornis
In de medische wereld wordt motorische stoornis tegenwoordig aangeduid met Development Coordination Disorder (DCD). Maar er zijn ook veel andere namen en termen in omloop. DCD is ook bekend als 'dyspraxie', 'clumsy child syndrome' of 'sensorische integratiestoornis'. Maar iedereen bedoelt eigenlijk hetzelfde.
DCD komt voor bij ongeveer de helft van de kinderen met ADHD. Als dit bij uw kind voorkomt, heeft het vrijwel zeker een duidelijk vertraagde motorische ontwikkeling laten zien (later kruipen, zitten en lopen), heeft het later een niet optimale fijne en grove motoriek, is het onhandig (vandaar de naam 'clumsy' child syndroom), laat het dingen uit zijn handen vallen, leert het niet goed op een driewieler rijden, is het niet goed in sport, en schrijft het slordig. Vaak hebben deze kinderen bovendien last van spierzwakte, een slechte lichaamshouding, kunnen ze hun pen niet goed vasthouden, hun veters niet goed strikken, niet netjes eten. Vooral samengestelde handelingen zijn moeilijk, zoals praten en traplopen. De oog-hand-coördinatie is slecht. Daarnaast kunnen ze vaak niet goed meekomen met gymnastiek op school. De coördinatie van hun motoriek is niet goed ten opzichte van hun leeftijdsgenoten en ze hebben bijvoorbeeld moeite om een bal te vangen.
Het onderzoek bij deze bijkomende aandoening bestaat uit het beoordelen van het niveau van hinkelen, op één been staan, een cirkel knippen, enzovoort. Meestal heeft uw kind al fysiotherapie of sensomotoriektraining (ook wel sensomotorische integratietherapie) gekregen nog voordat er aan ADHD werd gedacht (vooral als uw kind last had van een verstoord ruimtelijk bewustzijn). Sensomotoriektraining is een speciale vorm van fysiotherapie waarbij specifiek wordt gelet op de stand van het lichaam in de ruimte.
Meestal nemen de verschijnselen in de loop van de jaren af of hebben ze in elk geval minder invloed op het dagelijkse functioneren van de volwassene met DCD. Sommige volwassenen kunnen niet goed leren autorijden omdat zij meerdere dingen tegelijk moeten doen. De behandeling bij kinderen bestaat veelal uit het laten doen van oefeningen door de gymleraar in kleine groepjes van vergelijkbare kinderen. Het stimuleren van sportactiviteiten en gewoon veel buitenspelen naast (kinder-) fysiotherapie is ook zinvol. Ritalin-medicatie heeft bij een aantal kinderen een duidelijk positieve invloed op het handschrift. Het handschrift wordt niet alleen leesbaarder, maar ook regelmatiger en netter, terwijl er sprake is van minder fouten.

Contactstoornissen
Tegenwoordig noemen we contactstoornissen ook wel stoornissen in het autistisch spectrum, spectrumstoornissen of pervasieve ontwikkelingsstoornissen. Ze komen vrij vaak voor bij ADHD en omgekeerd komen bij spectrumstoornissen vaak ADHD-verschijnselen voor. De benaming spectrumstoornissen is ontstaan omdat gebleken is dat de verschillende typen contactstoornissen in de praktijk in elkaar over lijken te lopen. Uw kind kan dus van elke vorm een lichte of ernstige variant hebben.
Er zijn vier groepen contactstoornissen bekend:
1. Het 'klassieke' autisme waarbij de kinderen in 75% van de gevallen verstandelijk beperkt zijn, geen wederkerig contact kunnen maken, geen oogcontact maken, niet graag aangeraakt willen worden, fladderen en weinig mimiek vertonen. Dit zijn de 'echt' autistische kinderen die je direct als zodanig herkent.
2. De tweede vorm is de zogenaamde PDD-NOS, de Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified. Vrij vertaald wil dit zeggen: ontwikkelingsstoornis op alle terreinen die niet verder geclassificeerd kan worden, en dus een soort vergaarbak is van contactstoornissen die niet tot de andere categorieën behoren. In Nederland noemen wij dit vaak aanverwante (aan autisme verwante) contactstoornis. Als uw kind in deze groep valt, is het een apart kind en vaak een eenling die andere kinderen niet goed begrijpt, omdat hij sociaal en communicatief tekortschiet, en vaak taal letterlijk neemt (bij een uitdrukking als 'je zit snel op de kast', denkt hij dan dat je echt op een kast zit). Zo'n kind heeft veel behoefte aan structuur, ritme en regelmaat, en kan niet goed tegen plotselinge verandering. De diagnose wordt vaak bij kinderen die slechts lichte verschijnselen vertonen (te) laat of in het geheel niet gesteld.
3. De derde groep is zeldzamer en wordt gevormd door het syndroom van Asperger. Het gaat om kinderen met contactstoornissen en een meestal goede intelligentie. Hieronder vallen ook de HFA (High Functioning Autists) de 'intelligente autisten' zoals neergezet door Dustin Hofman in de film 'Rainman'. Deze kinderen zijn breedsprakig, praten ouwelijk over bizarre hobby's, weten soms heel veel van heel weinig (zij weten bijvoorbeeld op jonge leeftijd álles van dinosaurussen of treinen). Zij hebben moeite met het aanleren van sociale vaardigheden en zijn vaak eenlingen. Een sociale-vaardigheidstraining helpt hen duidelijk vooruit.
4. Tot slot is er dan nog de zeer zeldzame groep kinderen met het syndroom van Rett (bij deze aandoening heeft men een chromosomenafwijking gevonden) en met een 'desintegratieve stoornis', waarbij de kinderen aanvankelijk een normale ontwikkeling doormaken en later verlies optreedt van allerlei vaardigheden.

Volwassenen met spectrumstoornissen worden in toenemende mate herkend. Zij hebben net als kinderen problemen met het herkennen van sociaal-emotionele signalen, tekortkomingen in verbale en non-verbale communicatie (monotoon en afstandelijk taalgebruik, geen oogcontact), en vertonen afwijkende reacties op prikkels (ze kunnen soms niet tegen geluid of licht, en soms juist heel erg goed).

Ticstoornissen
Ticstoornissen komen in ernstige vorm voor als het syndroom van Gilles de la Tourette (GTS), in welk geval er bij uw kind motorische tics (onwillekeurige spiertrekkingen of bewegingen) of vocale tics (geluidjes, keel schrapen, kuchen, in zeldzame gevallen woorden of zinnen) optreden. Dit komt soms in lichte mate voor bij ADHD. Vroeger werd aangeraden deze kinderen niet met Ritalin te behandelen, maar deze gedachte heeft men losgelaten. Grote onderzoeken hebben aangetoond dat het rustig opbouwen van de medicatie niet tot een toename van tics leidt, hoewel bij individuele kinderen het aantal tics soms tijdelijk flink kan toenemen. Men veronderstelt dat de ticstoornis (nog onzichtbaar) aanwezig geweest moet zijn en dat deze door de medicatie eerder aan de oppervlakte gekomen is.

Angststoornis
Een angststoornis als bijkomende aandoening bij uw kind met ADHD is evenals de meeste andere co-morbiditeiten voor een groot deel erfelijk bepaald. Bij navraag heeft vaak een van de ouders last of last gehad van een meer of minder problematisch angstprobleem. Bij een angststoornis wordt uw kind door de aandoening min of meer beperkt in zijn functioneren. Daarbij kan het gaan om angsten voor specifieke zaken (dieren, hoogtevrees) of voor sociale situaties (school, contact met andere kinderen). Ook bang zijn in het donker of niet kunnen slapen zonder licht heeft een negatieve invloed op het gedrag de volgende dag. Dit kan ook wijzen op een vorm van nachtblindheid, dus extra aandacht hiervoor in uw familie is zeker aan te bevelen. Slecht slapen door nachtelijke angst (pavor nocturnus) is iets volledig anders: uw kind wordt daarbij
's nachts gillend wakker, is niet goed te wekken en herinnert zich de volgende dag niets van het voorval. Door de negatieve spiraal waarin een kind met ADHD verkeert, zal faalangst deels kunnen overlappen met een angststoornis zodat deze moeilijker zichtbaar is. Cognitieve gedragstherapie (leren en begrijpen hoe je met de angst kunt omgaan) is vaak de eerste keus voor behandeling.

Faalangst
Faalangst is technisch gesproken geen bijkomstige aandoening (geen 'co-morbiditeit'), maar is het gevolg van alle negatieve aandacht die uw kind over zich heen heeft gekregen. Ook een negatief zelfbeeld is het gevolg van deze ervaringen. Uw kind doet goed zijn best op school, maar het lukt hem niet goed te presteren en hij krijgt daardoor straf. Hij komt dan in een negatieve spiraal die al snel leidt tot faalangst, niet goed in je vel zitten, geen zin meer hebben om naar school te gaan of spijbelen in ernstige gevallen.

Depressie
In het geval van een depressie moet goed onderscheid gemaakt worden tussen primaire en secundaire depressie. Primair wil zeggen dat uw kind een depressie heeft met als kenmerken onder andere somberheid, een negatief zelfbeeld, motorische onrust en concentratiestoornissen. Deze verschijnselen kunnen ook voorkomen bij ADHD. Secundaire depressieve klachten worden veroorzaakt door alle negativiteit die uw kind met ADHD kan omringen waardoor het een negatief zelfbeeld en somberheid ontwikkelt. Het 'zit niet goed in zijn vel' en wil er in extreme gevallen een eind aan maken. Deze secundaire vorm verdwijnt bij het geven van medicatie en goede begeleiding. De zeldzame primaire vorm wordt juist erger onder invloed van medicijnen. In dat geval moet er dan opnieuw diagnostiek worden gedaan en een ander beleid worden gekozen.

Manische depressie
Manische depressiviteit is waarschijnlijk ook een van de aandoeningen die kan voorkomen bij ADHD. Toch wordt deze diagnose maar zelden gesteld, waarschijnlijk omdat kinderen niet vaak de depressieve, neerslachtige kenmerken van manische depressiviteit vertonen. Uw kind is dan eerder manisch, dat wil zeggen: te druk en opgewonden. Dit is niet gemakkelijk te onderscheiden van ADHD.

Oppositioneel opstandig gedrag
ODD of Oppositional Defiant Disorder komt vaak voor, vooral bij kleuters en peuters. Het moet goed worden onderscheiden van normaal lastig gedrag. De kinderen met afwijkend gedrag zijn moeilijk stuurbaar, reageren niet of nauwelijks op straf en zijn opstandig tot agressief toe. Uw kind maakt vaak speelgoed kapot of is destructief in huis of op de peuterspeelzaal. Dit zal leiden tot een zeer negatieve opvoedingssfeer in huis (waarvan de moeder meestal ook nog de schuld krijgt). Het lijkt dan alsof de moeder niet voldoende opvoedingsmogelijkheden in huis heeft, terwijl de stoornis van binnenuit komt. Het kind overkomt het als het ware.
De combinatie ODD-ADHD is erg lastig. We hebben dan vaak te maken met zeer bewerkelijke kinderen die zeer strakke leiding en veel structuur nodig hebben. In medische termen wordt de combinatie ODD-ADHD ook wel een 'ontwrichtende gedragsstoornis' genoemd. ADHD en ODD zouden in vijftig procent van de gevallen samen voorkomen, in wisselende ernst. Omdat de diagnose ADHD vaak laat gesteld wordt (het 'mag' immers pas na het zesde jaar) en de behandeling ook vaak (te) laat start, kan er al veel misgelopen zijn in het gezin, tot ernstige relatieproblemen toe. Ernstige vormen van oppositioneel opstandig gedrag kunnen later overgaan in een gedragsstoornis. Een kind met ODD en CD zoekt vaak de schuld buiten zichzelf: 'Ik heb het niet gedaan, ik krijg altijd de schuld'.

Gedragsstoornis
De stoornis CD of Conduct Disorder kan het vervolg zijn van de oppositionele gedragsstoornis en kan tot veel sociale problemen leiden. Het principe is hetzelfde als bij de oppositionele stoornis: uw kind lijkt niet te leren van straffen, heeft geen gezag voor autoriteit en kan snel agressief reageren. Dergelijke kinderen hebben het, net hun ouders, moeilijk in sociale situaties. Hun 'sociale geweten' is als het ware niet goed ontwikkeld en zij komen nogal eens in aanraking met politie en justitie. Juist bij de combinatie ADHD-CD worden de kinderen gepakt, omdat zij impulsief handelen en niet goed plannen en organiseren, terwijl zij een overtreding begaan of iets stelen. Hun 'verkeerde vrienden' ontspringen soms wel de dans. ADHD zou in ongeveer de helft van de gevallen samengaan met al dan niet ernstige CD.
Op volwassen leeftijd gaat CD in vijftig procent van de gevallen over in een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit kan op volwassen leeftijd veel problemen veroorzaken, zoals agressief gedrag.

Drang- en dwangstoornis
Drang- en dwangstoornis (in de medische wereld OCD of Obsessive Compulsive Disorder genoemd), is een stoornis die ook samen met ADHD of andere bijkomstige aandoeningen bij uw kind kan voorkomen. Kinderen met deze aandoening hebben dwangverschijnselen, zoals wasdwang of controle op het dicht zijn van de deur, of lopen op tegels, en dergelijke. Iedereen heeft wel wat van deze eigenschappen, maar bij een stoornis moeten de eigenschappen zoveel last veroorzaken dat het leven aangepast moet worden om normaal te blijven functioneren.

McDD
Bij McDD of Multiple-complex Developmental Disorder (meervoudig complexe ontwikkelingsstoornis) hebben kinderen (en volwassenen) last van:
* het niet in bedwang kunnen houden van emoties, wat leidt tot onvoorspelbare woedeaanvallen, of angst die ontaardt in paniek;
* sociale ongevoeligheid: gebrek aan invoelingsvermogen voor sociale signalen en sociale desinteresse, wat leidt tot eenzaamheid;
* moeite met het maken van onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid, ze hebben bizarre fantasieën en hun gedachten springen van de hak op de tak.

Slaapproblemen
Net als faalangst zijn slaapproblemen een veelvoorkomend verschijnsel bij kinderen met ADHD. Vaak slapen ze ook korter dan gemiddeld en soms onrustiger.
Inslaapproblemen kunnen al vanaf de babytijd optreden. Van de baby's met inslaapproblemen blijkt later ongeveer een kwart ADHD te hebben. Overigens is de duur van de slaap individueel bepaald: er zijn kinderen en volwassenen die veel korter dan gemiddeld (hoeven te) slapen. Zij hebben geen slaapprobleem, maar de ouders maken er een probleem van en sturen de kinderen te vroeg naar bed. Als uw kind overdag goed functioneert, geen hoofdpijn heeft, niet moe is en niet hoeft te gapen, is er meestal geen sprake van een slaaptekort. Als er wel een slaaptekort is, kan dit leiden tot hoofdpijn en ADHD-achtige verschijnselen zoals slechtere concentratie, prikkelbaarheid, tragere reacties en een slechter geheugen. Slaapproblemen kunnen ook veroorzaakt worden door angst om te slapen (zie ook hiervoor: Angststoornis).
Overigens moet u bij ADHD-achtige verschijnselen bij uw kind ook altijd denken aan slaapproblemen door bovenste-luchtwegklachten. Dit kan onder andere voorkomen bij astma, luchtweginfecties en bij grote amandelen. Verschijnselen hierbij zijn vaak luid snurken, moeilijke of luide ademhaling tijdens het slapen of slaap-apnoe (kortdurend stoppen met ademen in de slaap). Behandeling van deze afwijkingen (bijvoorbeeld door het knippen van de amandelen) kan de hyperactiviteit van uw kind doen afnemen en de concentratie verbeteren. Als dat inderdaad gebeurt, was er dus geen sprake van 'echte ADHD'.
Bij ongeveer een kwart van de ADHD-kinderen komen schokken van de benen voor in de slaap (ook wel te zien bij honden in een diepe slaap). Dit zijn geen stuipen en de aandoening hoeft meestal niet behandeld te worden.

Specifieke leerstoornissen
Ongeveer een kwart van de ADHD-kinderen heeft te maken met specifieke leerstoornissen. De grootste problemen treffen we aan bij kinderen met dyslexie (woordblindheid) en dyscalculie (rekenstoornis).
Specifieke leerstoornissen worden vaak pas vastgesteld aan het eind van groep 3 of in groep 4 als uw kind leert lezen, schrijven en rekenen. De school doet meestal pas nader onderzoek als haar leerling een te grote achterstand krijgt op de rest van de klas. Als de diagnose ADHD is gesteld, is het nuttig om nog eens goed te bekijken of er geen leerstoornis is. Als ADHD wordt behandeld en uw kind gaat niet naar verwachting vooruit, dan moet nog sterker worden gedacht aan een bijkomstige leerstoornis.
Slechte schoolresultaten leiden vaak tot faalangst en een negatief zelfbeeld, wat als het maar lang genoeg duurt, het hele leven kan beïnvloeden. Maar welke stoornissen bedoelen we dan en waar moet speciaal op worden gelet?

Niveau
In de eerste plaats moet het intellect van uw kind op het te verwachten niveau zijn. Als het lager is dan in de familie past (intelligentie is ook voor een groot deel bepaald door erfelijkheid), moet het niveau beoordeeld worden. Meestal zult u als ouders daarbij wel herkennen of het IQ normaal is. Dat wil nog niet zeggen dat het verstand ook goed gebruikt kan worden. Vaak geven ouders aan 'dat er niet uitkomt wat erin zit' en dat de reden van de slechte cijfers niet de intelligentie zal zijn. In twijfelgevallen moet er daarom een niveaubepaling worden gedaan, maar pas op: bij ernstige ADHD kan deze door concentratieproblemen wel eens een lager IQ-getal geven, dat uw kind een deel van zijn leven blijft achtervolgen. Hertesten mét medicatie is soms nodig! Overigens kan ook een te hoog IQ tot problemen leiden (zie het volgende hoofdstuk, de paragraaf over hoogbegaafdheid).
Als uw kind niet op het goede niveau functioneert, kan hij (ook) gefrustreerd, agressief, ongelukkig of faalangstig worden. Dit beeld kan overeenkomsten vertonen met ADHD, maar moet hiervan onderscheiden worden. De behandeling moet dan ook niet bestaan uit medicatie (helpt ook niet) maar uit het aanbieden van onderwijs op het goede niveau.

Dyslexie
Er zijn verschillende vormen van dyslexie (woordblindheid), die elkaar deels overlappen. Al vroeg blijkt uit aanwijzingen dat er iets niet goed loopt, maar de diagnose wordt vaak laat, soms zelfs helemaal niet gesteld.
Dyslectische kinderen hebben vaak een lichte taalachterstand, zij praten wat later dan gemiddeld en hebben een kleinere woordenschat. Zij leren liedjes moeilijker uit hun hoofd, draaien klanken en woorden om, en maken vanaf groep 3 veel meer spelfouten dan hun leeftijdsgenoten. Het leestempo is laag en dictees zijn erg moeilijk voor een dyslecticus. Als uw kind op school met lezen en spellen meer dan dertig procent achterloopt op het gemiddelde, wordt vaak pas aan dyslexie gedacht. De regel is echter: als uw kind in groep 3 of 4 een achterstand heeft in lezen en spellen en die achterstand verbetert niet met extra begeleiding, dan kan een test worden gedaan. Ook het CED doet goede en uitgebreide testen, waarbij zij tevens de behandelingsplannen begeleiden en evalueren. De kosten hiervan worden gedekt uit het schoolbudget. Een dyslexieverklaring kan afgegeven worden door een orthopedagoog (met speciale vergunning), terwijl de verzekering de diagnostiek en de behandeling vergoedt. Deze verklaring is zeer zinvol omdat uw kind dan extra tijd bij Cito-toetsen kan krijgen of een laptop met spellingscorrectie. Dit is ook voor het middelbaar onderwijs zeer zinvol. Bij het eindexamen mag de leerling gebruikmaken van extra tijd. Weer Samen Naar School (WSNS) heeft een dyslexiebeleid geformuleerd (protocol Leesproblemen en dyslexie) dat op een aantal scholen gebruikt wordt. Sommige kinderen zeggen baat te hebben bij een speciale bril en er bestaat ook een leespen die voor bepaalde kinderen voordelen biedt. Luisterboeken uit de blindenbibliotheek zijn voor ernstige dyslectici een uitkomst. Ook bestaan er makkelijk-lezen-boeken, waarbij het onderwerp wel op het niveau van het kind is.

Dyscalculie
Moeite met rekenen in de vorm van dyscalculie is veel minder bekend en wordt soms pas later ontdekt. Uw kind heeft daarbij wel veel moeite met rekenen, maar het lezen en schrijven gaan goed. Sinds kort mogen dezelfde regels die voor dyslexie gelden ook toegepast worden op dyscalculie.

NLD of Non verbal Learning Disorder
Bij NLD heeft uw kind geen problemen met leren praten, integendeel. Hij heeft een goed geheugen en een grote woordenschat, komt voor zijn leeftijd zelfs wijs over en maakt een voorlijke indruk. Bij testen valt zijn 'verbale IQ' hoger uit dan zijn 'performale IQ', wat wil zeggen dat hij beter in taal is, dan in handvaardigheden. Zijn cijfers vallen erg tegen en dit kan ertoe leiden dat de leerkracht denkt dat zijn niveau te laag is voor een normale basisschool. Hij heeft vaak ook nog een onhandige motoriek en evenwichtsproblemen en kan moeilijker automatiseren, zoals noodzakelijk is bij het leren fietsen. Technisch lezen gaat goed, maar begrijpend lezen minder en sociale vaardigheden aanleren is ook niet zijn sterkste punt. Remedial Teachers kunnen dergelijke kinderen vaak vooruit helpen. Een-op-eencontact is nuttig.




terug verder




ADHD en nu

Auteur(s)
Rob Rodrigues Pereira

Prijs: € 19,95
ISBN: 9789021550404

ADHD en nu


Een duidelijk, informatief boek over de dagelijkse praktijk van ADHD. Van het de verschijnselen en oorzaken tot de behandeling.

Auteur(s) : Rob Rodrigues Pereira
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789021550404