Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Prof. dr. John Kastelein en dr. Joep Defesche
 


lettergrootte: A  A  A
Diagnose

In Nederland zijn in de medische wereld afspraken gemaakt over cholesterolwaarden. De hoeveelheid cholesterol in het bloed wordt aangeduid met de scheikundige eenheid millimol per liter (mmol/l). Een normaal cholesterolgehalte voor Nederlanders is 5,0 mmol/l. Alles daar boven is te hoog omdat vanaf een gehalte van 5,0 mmol/l het risico op het ontwikkelen van hart- en vaatziekten langzaam toeneemt.
Een cholesterolmeting is op zijn plaats bij mensen die al lijden aan of een verhoogd risico hebben op hart- en vaatziekten. Onder de laatste groep vallen mensen met een hoge bloeddruk, een hoog cholesterolgehalte en suikerziekte; rokers en mensen met een familiaire belasting voor hart- en vaatziekten.
De hoogte van het totaal-cholesterolgehalte geeft op zichzelf weinig informatie. Een goede cholesterolmeting bestaat uit verschillende onderdelen waarbij het gehalte aan LDL-cholesterol, HDL-cholesterol en triglyceriden gemeten wordt (zogenoemd lipidenprofiel). Er moet ook meerdere malen gemeten worden omdat het cholesterolgehalte behoorlijk kan variëren.

Afspraken over cholesterolwaarden
'Te hoog' en 'normaal' zijn flexibele begrippen die pas een betekenis krijgen als er een bepaalde waarde aan wordt gekoppeld. In Nederland zijn binnen de medische wereld afspraken over cholesterolwaarden gemaakt, die zijn vastgelegd in de zogenoemde Cholesterol Consensus. Deze geeft aan hoe de verschillende cholesterolwaarden beoordeeld moeten worden, welke waarden voor behandeling in aanmerking komen en wat de streefwaarden van de behandeling zijn. De Cholesterol Consensus is opgesteld door deskundigen op het gebied van cardiologie, inwendige- en huisartsgeneeskunde.
De maat die we gebruiken om de hoeveelheid cholesterol in het bloed aan te geven, is de scheikundige eenheid 'millimol per liter', afgekort tot mmol/l. Dit is een eenheid op basis van het molecuulgewicht van de stof, en daarmee een maat voor het aantal moleculen.
Als we spreken over een 'te hoog' cholesterolgehalte, moet eerst worden afgesproken wat er onder een 'normaal' cholesterolgehalte wordt verstaan. Dit is voor volwassenen vastgesteld op 5,0 mmol/l. Dus alles daar boven is een 'te hoog' cholesterolgehalte. Deze waarde is gekozen, omdat onderzoekers hebben aangetoond dat het risico op het ontstaan van hart- en vaatziekten langzaam toeneemt als het cholesterolgehalte boven de 5,0 mmol/l komt. Met het cholesterolgehalte bedoelen we meestal het totale cholesterolgehalte, een getal dat is samengesteld uit een aandeel van cholesterol dat verpakt is in LDL-, VLDL- en HDL-deeltjes. Vaak wordt in eerste instantie het totale cholesterolgehalte gemeten, wat redelijk goed aangeeft of er iets mis is met de cholesterolhuishouding in het lichaam. Het cholesterolgehalte (totaal-, HDL-, en LDL-cholesterolgehalte) moet beoordeeld worden aan de hand van leeftijd en geslacht. Daarom is verwijzing naar een lipidenpolikliniek belangrijk als er een afwijking geconstateerd wordt aan de hand van het totale cholesterolgehalte.

Te groot aanbod van vet
De vaststelling dat een cholesterolgehalte van 5,0 mmol/l 'normaal' is, betekent niet dat dit een gemiddelde waarde is van alle Nederlanders. Meer dan de helft van alle volwassen Nederlanders heeft een cholesterolgehalte van 5,0 mmol/l en hoger. Als we afgaan op het cholesterolgehalte van zoogdieren en zuigelingen (tussen 1 en 2 mmol/l), dan heeft iedereen in onze maatschappij een te hoog cholesterolgehalte. Bij de mens stijgt het cholesterolgehalte vrij snel na de geboorte en dit kan niet meer terugkeren naar het 'natuurlijke' peil. Bij een aantal geïsoleerd levende natuurvolken treft men wel nog lage waarden aan. Blijkbaar heeft de mens in de westerse samenleving het vermogen verloren om het cholesterolgehalte op het 'natuurlijke' peil te houden. Dit heeft te maken met het evenwicht dat in stand gehouden moet worden door de lever. Bij een persoon in een geïndustrialiseerde maatschappij is dit evenwicht enigszins uit balans geraakt. Het aanbod van vet en cholesterol is te groot geworden en de lever kan de grote voorraad cholesterol in het bloed niet meer aan. Het is duidelijk dat wanneer het aanbod van cholesterol groot wordt, de lever nog minder cholesterol uit het bloed zal opnemen en dat het cholesterolgehalte snel boven de grens van 5,0 mmol/l zal stijgen. Daarom is het belangrijk het aanbod van cholesterol en triclyceriden (vet) aan de lever te beperken. Dit kan in de eerste plaats door op de voeding te letten. Het westerse eetpatroon speelt een duidelijke rol bij het te grote aanbod van cholesterol en vet aan de lever. Onze voeding heeft ook invloed op het gehalte aan triglyceriden en HDL-cholesterol. Onder normale omstandigheden ligt het gehalte aan triglyceriden onder de 2 mmol/l en het HDL-cholesterolgehalte boven de 1 mmol/l bij mannen en boven de 1,2 mmol/l bij vrouwen. Door opname van verzadigde vetten te beperken kan het cholesterolgehalte verlaagd worden. In de tweede plaats is het belangrijk een zo ideaal mogelijk lichaamsgewicht te verkrijgen en te behouden.

Behandeling volgens de Cholesterol Consensus
Met het veranderen van de inzichten rond cholesterol en hart- en vaatziekten heeft men de Cholesterol Consensus een aantal malen moeten herzien. Recentelijk is weer sprake geweest van zo'n herziening. Op dit moment wordt niet zozeer meer gekeken naar absolute getallen van de cholesterolwaarden, maar veel meer naar het absolute risico dat een individu loopt, hoeveel baat iemand heeft bij verlaging van het cholesterol en wat behandeling de samenleving kost. De kosten van jarenlange behandeling met lipidenverlagende geneesmiddelen zijn relatief hoog. Daar staat echter tegenover dat de economische verliezen ten gevolge van hart- en vaatziekten vele malen groter zijn. Bovendien kan de mate van lichamelijk lijden na een hartinfarct door een juiste behandeling van een vetstofwisselingsstoornis en andere risicofactoren worden beperkt.
Mensen die al enige vorm van hart- en vaatziekten hebben en mensen met een erfelijk verhoogd cholesterolgehalte komen nu direct voor medicamenteuze cholesterolverlaging in aanmerking. Zij hebben ook het meeste baat bij behandeling. Deze behandeling wordt secundaire preventie genoemd. Hier gelden echter enkele uitzonderingen. Behandeling met cholesterolverlagende geneesmiddelen wordt niet aanbevolen indien het totaal-cholesterolgehalte onder de 5,0 mmol/l of het LDL-cholesterolgehalte onder de 3,2 mmol/l ligt. Dit is ook van toepassing indien een patiënt een levensverwachting van minder dan 5 tot 10 jaren heeft. In deze categorie vallen mannen ouder dan 70 en vrouwen ouder dan 75 jaar en mensen met ernstige ziekten.
De beslissing om mensen te behandelen die nog geen tekenen van hart- en vaatziekten hebben (primaire preventie) is moeilijker gemaakt. Hier geldt de richtlijn dat cholesterolverlagende behandeling geadviseerd wordt bij personen die een risico van minstens 25% op 40-jarige leeftijd tot 40% op 70-jarige leeftijd hebben om binnen 10 jaar hart- en vaatziekten te ontwikkelen. Om voor elke individuele persoon dit risico vast te stellen, zijn er tabellen beschikbaar waarin op basis van geslacht, leeftijd, de verhouding totaal-cholesterol/HDL, het wel of niet hebben van suikerziekte of hoge bloeddruk en het wel of niet roken, het risico kan worden afgelezen. Voor mensen met suikerziekte en/of met familieleden met hart- en vaatziekten wordt een 10-jaarsrisico geaccepteerd dat 5% lager ligt. Stoppen met roken heeft een sterker risicoverlagend effect dan verlagen van het cholesterolgehalte. Door met roken te stoppen kan soms de noodzaak om met medicijnen te behandelen worden weggenomen. Bovengenoemde maatregelen zijn genomen om gerichter en effectiever te behandelen.

Meten van de hoeveelheid cholesterol
Een cholesterolmeting is eenvoudig en kan in principe bij iedereen worden uitgevoerd. Maar is dat ook nodig en verstandig? Hierover is lang niet iedereen het eens. Het meten van het cholesterolgehalte bij de gehele bevolking, zoals dit nu in de Verenigde Staten gebeurt, is in Nederland nog omstreden. Het nemen van maatregelen na het op grote schaal vaststellen van hoge cholesterolgehalten is welhaast ondoenlijk. Men heeft er in Nederland voor gekozen alleen het cholesterolgehalte te meten bij de zogenoemde `hoog-risicogroepen'.
Een ander punt dat niet onvermeld kan blijven is het feit dat tegenwoordig ook cholesterolbepalingen gedaan worden buiten het ziekenhuis of de huisarts om. Zo komt het voor dat men op beurzen de mogelijkheid heeft, al dan niet gratis, het cholesterolgehalte te laten bepalen. Ook kan men bij de apotheek een pakketje kopen om zelf thuis het cholesterolgehalte te meten. Het gevaar hiervan is in de eerste plaats dat de meetmethoden onnauwkeurig zijn en een uitslag kunnen geven die te hoog of te laag is. Bovendien moet de uitslag beoordeeld worden in samenhang met andere risicofactoren zoals roken, suikerziekte, leeftijd, e.d. In de tweede plaats is een goede behandeling niet gegarandeerd, mocht er een afwijkende uitslag worden geconstateerd. Alleen een huisarts of specialist kan het resultaat van een meting in combinatie met andere factoren beoordelen en een juiste behandeling beginnen.

Opsporen van hoog-risicogroepen
Hoog-risicogroepen die in aanmerking komen voor een cholesterolmeting zijn: mensen met een hoge bloeddruk, suikerziekte of mensen bij wie hart- en vaatziekten in de familie voorkomen. Ook bij personen die al tekenen van aderverkalking vertonen is een cholesterolmeting op zijn plaats. Een van de belangrijkste risicogroepen die via een meting van het cholesterolgehalte zou moeten worden opgespoord, is de groep met erfelijke hypercholesterolemie. Aan een erfelijk verhoogd cholesterolgehalte moet worden gedacht bij een voorkomen van hart- en vaatziekten op jonge leeftijd in de familie, xanthomen (knobbels op de pezen op de handrug of op de achillespees), xanthelasmata (gelige cholesterolophopingen op het bovenste of onderste ooglid) of een arcus lipoïdes cornea (witte ring in het hoornvlies van het oog, aan de buitenkant van de iris). Over een erfelijk verhoogd cholesterol en over de opsporing van mensen: Oorzaken.

Een cholesterolmeting is eenvoudig
De meting van het cholesterolgehalte is betrekkelijk eenvoudig. Er komen steeds meer apparaten op de markt die uit één druppeltje bloed het gehalte aan totaal-cholesterol, HDL-cholesterol, triglyceriden en bloedsuiker bepalen. De uitslag die zo'n apparaat geeft, is redelijk betrouwbaar, maar niet zo nauwkeurig als een meting die in een ziekenhuis of een gespecialiseerd laboratorium wordt verricht. Voor een goede cholesterolmeting moet in een ziekenhuis of zo'n laboratorium bloed afgenomen worden. Als er bloed afgenomen wordt, is het erg belangrijk dat men nuchter (in de 12 uur voor de meting niets meer eten of drinken) is. Het vlak voor bloedafname eten of drinken van iets dat vet bevat, kan tijdelijk aanzienlijke verhogingen van het vetgehalte van het bloed veroorzaken wat de cholesterolmeting beïnvloedt. Het vet is namelijk op dat moment op weg van de darm naar de lever.

Meting bestaat uit verschillende componenten
Het laten bepalen van uitsluitend het totale cholesterolgehalte is weinig zinvol. Dit getal bestaat uit een aandeel van het slechte LDL-cholesterolgehalte en het goede HDL-cholesterolgehalte en geeft te weinig informatie over de toestand van deze cholesteroldeeltjes afzonderlijk. Zo is het mogelijk dat iemands totaal-cholesterolgehalte verhoogd is door een verhoogd HDL-cholesterolgehalte, terwijl het LDL-cholesterolgehalte normaal is. In dit geval is het risico natuurlijk niet verhoogd.
Een verhoogd gehalte aan triglyceriden heeft wanneer ook het LDL- en/of het HDL-cholesterolgehalte afwijkend is, een risicoverhogend effect op hart- en vaatziekten (zoals we hebben gezien bij suikerziekte). Een goede cholesterolmeting bestaat daarom altijd uit vier verschillende onderdelen: totaal-, LDL- en HDL-cholesterol en triglyceriden, ook wel het lipidenprofiel genoemd. Eén of twee van deze componenten kunnen een sterk risicoverhogend effect hebben bij een normale of licht afwijkende derde component. Zo heeft bijvoorbeeld 66% van de mannen die een hartinfarct doormaakten een te laag HDL-cholesterolgehalte. Bij 65% van die groep met een verlaagd HDL-cholesterolgehalte is het totaal-cholesterolgehalte normaal of maar licht verhoogd. Toch ontwikkelde zich bij deze groep een hartinfarct.
Aan de hand van een volledig lipidenprofiel kan de arts op de juiste wijze behandelen of verwijzen. Verwijzing naar een gespecialiseerde lipidenpolikliniek kan in een aantal gevallen noodzakelijk zijn.

Eén meting is niet voldoende
Om een betrouwbare uitslag te krijgen, moet een paar weken na de eerste meting nog minstens één meting plaatsvinden, zeker wanneer bij de eerste meting het cholesterolgehalte afwijkend is. Het cholesterolgehalte kan namelijk behoorlijk schommelen. Ziekte, verwonding, griep of zwangerschap kunnen tijdelijk sterk afwijkende waarden veroorzaken. Als het cholesterolgehalte bij de tweede of derde meting weer te hoog blijkt, is vaak nog aanvullend bloedonderzoek nodig om andere stoffen in het bloed te bepalen. Daarbij wordt onder meer gekeken naar het bloedsuikergehalte, de hoeveelheid schildklierhormoon en soms ook naar andere deeltjes waarin cholesterol zit, zoals VLDL en lipoproteïne(a). Dit aanvullende onderzoek wordt gedaan om een goed beeld te krijgen van de oorzaak van het afwijkende cholesterolgehalte. Ook worden de lever- en nierfunctie onderzocht omdat aandoeningen van deze organen ook afwijkingen van het cholesterol kunnen geven.




terug verder




Cholesterol, zorg dat je goed zit

Auteur(s)
John J.P. Kastelein en Joep Defesche

Prijs: € 14,99
ISBN: 9789491549199