Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Prof. dr. John Kastelein en dr. Joep Defesche
 


lettergrootte: A  A  A
Oorzaken

Een verhoogd cholesterolgehalte kan allereerst het gevolg zijn van een erfelijke stoornis in de vetstofwisseling. Er is dan sprake van een primair verhoogd cholesterolgehalte. In Nederland zijn Familiaire Hypercholesterolemie (FH) en Familiair Gecombineerde Hyperlipidemie (FCHL) de meest bekende erfelijke stofwisselingsziekten. De behandeling richt zich in zo'n geval direct op verbetering van het cholesterolgehalte.
De oorzaak van een hoog cholesterolgehalte kan ook liggen in een omstandigheid, afwijkende situatie of een andere ziekte, bijvoorbeeld een te traag werkende schildklier (hypothyreoïdie), suikerziekte (diabetes mellitus) of een nierziekte (nefrotisch syndroom), overmatig alcoholgebruik en overgewicht. We spreken dan van een secundaire verhoging van het cholesterolgehalte. De behandeling richt zich dan in eerste instantie op de veroorzakende ziekte of omstandigheid: bijvoorbeeld behandeling van de suikerziekte of de traag werkende schildklier.

Risicofactoren
Niet alleen een hoog cholesterolgehalte vergroot de kans op het krijgen van hart- en vaatziekten. Omstandigheden in onze omgeving, bepaalde toestanden in ons lichaam of een bepaalde levensstijl kunnen deze kans ook doen toenemen. Dit wordt samengevat met de term `risicofactoren'. De belangrijkste risicofactoren voor het ontstaan van hart- en vaatziekten zijn: het geslacht, een familiaire belasting met hart- en vaatziekten, een hoog LDL-cholesterolgehalte, een verlaagd HDL-cholesterolgehalte, een hoge bloeddruk, roken, suikerziekte, stress, overgewicht en verkeerde voeding. Aan een aantal risicofactoren, zoals het geslacht of een familiaire belasting, is niets te veranderen. De andere risicofactoren zijn gelukkig wel te beïnvloeden, te beheersen of zelfs te elimineren. Heeft u meerdere risicofactoren dan is het effect meestal vele malen groter dan de som van de effecten van de afzonderlijke risicofactoren.

Twee soorten oorzaken
Soms wordt een verhoogd cholesterolgehalte van het bloed veroorzaakt door een omstandigheid, afwijkende situatie of een andere ziekte, bijvoorbeeld een te traag werkende schildklier (hypothyreoïdie), suikerziekte (diabetes mellitus), een bepaalde nierziekte (nefrotisch syndroom) of een leverziekte. We spreken dan van een secundaire verhoging van het cholesterolgehalte.
Wanneer een verhoogd cholesterol- en/of triglyceridengehalte wordt gevonden en dit niet het gevolg is van een andere ziekte of voedingsgewoonte, is er sprake van een primair verhoogd cholesterolgehalte. Primair betekent hier in feite erfelijk. De meest voorkomende aandoeningen worden hieronder besproken.

Primaire stoornissen in de vetstofwisseling
Afwijkende lipidenwaarden van het bloed kunnen veroorzaakt worden door een niet-erfelijke ziekte of door een erfelijke, aangeboren stoornis in de vetstofwisseling. Erfelijke hypercholesterolemieën zijn de meest vaak voorkomende erfelijke stofwisselingsziekten. Ten minste 130.000 Nederlanders hebben een verhoogd cholesterolgehalte als gevolg van een erfelijke oorzaak.

De rol van de erfelijkheid
Erfelijke stoornissen in de vetstofwisseling zijn nadelige spelingen van de natuur, waarvan sommige dominant en andere recessief overerven. Dominant betekent in dit geval dat slechts één ouder aangedaan hoeft te zijn om de ziekte aan zijn/haar kinderen door te geven. De aangedane kinderen kunnen het op hun beurt ook weer aan hun kinderen doorgeven. Bij een dominant erfelijke ziekte bestaat bij elke zwangerschap een kans van 50% dat het kind de aandoening heeft. Bij iemand met een dominant erfelijke ziekte zijn in de familie in alle voorafgaande generaties ook personen erfelijk belast geweest. Niet-aangedane familieleden kunnen de ziekte niet doorgeven.
Recessief betekent dat beide ouders drager moeten zijn van een ziekte, zonder dat ze zelf hoeven te zijn aangedaan, om de ziekte aan hun kinderen door te geven. In dit geval wordt de ziekte aan een kwart van de kinderen doorgegeven. Dit wil zeggen dat bij elke zwangerschap een kans bestaat van 25% dat het kind de aandoening zal krijgen en een kans van 50% dat het kind drager wordt. Over het algemeen komen recessieve aandoeningen in een familie maar in één generatie voor. Zowel dominante als recessieve erfelijke aandoeningen kunnen zich ook op oudere leeftijd manifesteren.
De oorzaak van de verschillende erfelijke aandoeningen is nog niet in alle gevallen opgehelderd. Maar toch is van enkele ziekten exact bekend waar het foutje (of mutatie) in het DNA zit, dat de ziekte in feite veroorzaakt. DNA is het erfelijke materiaal in de kern van elke lichaamscel, opgeslagen in de zogeheten chromosomen.
In de komende jaren zal zeker inzicht in de oorzaken van de overige aandoeningen verkregen worden. Bestudering van erfelijke vetstofwisselingsstoornissen, met name van de familiaire hypercholesterolemie, heeft veel inzicht in de vetstofwisseling opgeleverd, maar heeft ook bijgedragen aan de ontwikkeling van cholesterolverlagende geneesmiddelen en het begrijpen van het proces van aderverkalking.

Stambomen van een familie met een dominant erfelijke aandoening (links) en een recessief erfelijke aandoening (rechts).


DNA: het erfelijke materiaal
De afkorting DNA staat voor het Engelse woord Desoxyribo Nucleic Acid. DNA is een lang draadvormig molecuul dat de erfelijke code bevat. Het DNA ligt opgeslagen in de chromosomen, waarvan we er 46 hebben, die weer in 23 paren zitten in de kern van bijna alle lichaamscellen. Deze cellen produceren hun eigen specifieke eiwitten. Het DNA is opgebouwd uit vier bouwstenen die worden aangeduid met letters: A, C, G en T. Deze letters zijn de afkortingen van de 4 chemische stoffen waaruit DNA is opgebouwd: adenine, cytosine, guanine en thymine. De genetische code wordt gevormd door een rij van deze letters in een specifieke volgorde. De volgorde van de letters bepaalt de samenstelling van het eiwit. De rij letters die zorgt voor het maken van een eiwit noemen we een 'gen'.
A: Schematische tekening (sterk vergroot) van een chromosoom.
B: Het materiaal waaruit een chromosoom is opgebouwd wordt dna genoemd. Dit dna is gerangschikt in een spiraalvorm. C: De spiraal is opgebouwd uit twee strengen die die door bruggen met elkaar verbonden zijn, een soort wenteltrap. D: De bruggen bestaan uit kleinere eenheden, de bouwstenen G, T, C en A. Een aantal van deze bouwstenen vormen samen een gen. (Bron: Erfelijke ziekten en afwijkingen, 1990, vsop)

Via een soort vertaalproces kan zo'n gen voortdurend hetzelfde eiwit produceren. Op de 23 paar chromosomen liggen tienduizenden verschillende genen. Ieder gen produceert zijn eigen eiwit. De verschillende weefsels in ons lichaam zijn gespecialiseerd en produceren alleen die eiwitten die ze voor hun functie nodig hebben. In de verschillende weefsels zijn alleen de benodigde genen werkzaam en de andere zijn 'uitgeschakeld'. Als er nu één of meerdere van deze letters in zo'n rij wegvallen of veranderen, dan wordt de genetische code verstoord waarmee de samenstelling van het eiwit verandert. Dit noemt men een mutatie. Het gevolg van een mutatie is dat het eiwit waar zo'n stukje DNA voor codeert niet meer goed functioneert of zelfs niet meer wordt gemaakt door een cel. Dit leidt op zijn beurt weer tot een meer of minder ernstige aandoening, afhankelijk van hoe belangrijk het eiwit is.
Een mutatie verandert niet alleen de erfelijke code en dus ook het eiwit, maar ook de structuur en eigenschappen van het stukje DNA. Deze veranderingen in het DNA zijn in het laboratorium met speciale technieken zichtbaar te maken. Hiermee hebben we een methode in handen om mutaties direct te kunnen aantonen en de oorzaak van veel erfelijke ziekten te kunnen verklaren. Dit soort onderzoek wordt DNA-diagnostiek genoemd.

Via DNA-diagnostiek kan een bepaalde mutatie in het erfelijk materiaal opgespoord worden. In bovenstaande scan is in elke kolom het DNA van een persoon geanalyseerd. De stukjes DNA in kolom M dienen als referentie voor de grootte van het DNA (uitgedrukt in basenparen of bp). FH863 is een patiënt waarvan bekend is dat deze de specifieke mutatie heeft. Bij de personen III-22 en III-23 geeft een soortgelijk afwijkend patroon (twee extra streepjes onderin de kolommen) aan dat bij hen ook een mutatie aanwezig is.


Afwijkingen in het erfelijke materiaal leiden meestal tot duidelijk herkenbare aandoeningen, zoals een verhoogd cholesterolgehalte. Met het ontrafelen van de erfelijkheid van de mens, komen we steeds vaker varianten in het erfelijke materiaal tegen, die niet meteen een ziekte veroorzaken, maar die wel in bepaalde situaties het risico op een ziekte kunnen verhogen. Dit zijn dus erfelijke risicofactoren. Zo zijn er mutaties gevonden in het gen dat codeert voor het eiwit lipoproteïne lipase (lpl), een belangrijk enzym dat triglyceriden afbreekt, die op zich zelf nauwelijks enig effect hebben. In combinatie met bijvoorbeeld een erfelijke vetstofwisselingsstoornis, verslechtert het lipidenprofiel extra waardoor het toch al verhoogde risico nog meer toeneemt. Aan de andere kant zijn deze mutaties in lipoproteïne lipase gevoelig voor omgevingsinvloeden en hun slechte effect is enigszins te corrigeren met een juiste levensstijl: goed dieet, afvallen, geen alcohol.
Recentelijk is ook ontdekt dat erfelijke variaties in het gen dat codeert voor het eiwit cholesterylester transfer proteïne (CETP), samenhangen met de reactie op cholesterolverlagende therapie en het voortschrijden van aderverkalking. CETP is een eiwit dat een belangrijke rol speelt bij de uitwisseling van cholesterol tussen LDL- en HDL-deeltjes.
Omdat bij de behandeling van aderverkalking de risicoverlaging centraal staat, is het belangrijk te weten of een patiënt nog verdere erfelijke risicofactoren heeft. Het is dan ook te verwachten dat DNA-onderzoek naar deze erfelijke varianten in de toekomst deel uit gaat maken van de routinematige diagnostiek.

Familiaire hypercholesterolemie (FH)
De familiaire hypercholesterolemie (FH) is een dominante aandoening die bij ruim 1 op de 400 mensen voorkomt. Dat betekent dat in Nederland zo'n 40.000 mensen deze aandoening hebben. Deze erfelijke aangeboren stofwisselingsstoornis wordt gevonden bij vrijwel ieder ras of etnische groep. FH wordt veroorzaakt door het onvermogen van de lever om voldoende LDL-deeltjes uit de bloedbaan te verwijderen. Onder normale omstandigheden produceert een specifiek gen in de levercel een eiwit dat ervoor zorgt dat de lever LDL-deeltjes kan opnemen. Dit eiwit heet de LDL-receptor. Een receptor is een eiwit dat zich op het oppervlak van cellen bevindt en in de bloedbaan uitsteekt, waar het andere stoffen kan binden. Ten gevolge van een mutatie in het gen dat codeert voor het LDL-receptoreiwit wordt bij FH-patiënten slechts de helft van het normale aantal LDL-receptoren op de levercellen aangemaakt. Aangezien het overgrote deel van het LDL via koppeling aan deze LDL-receptoren uit het bloed verwijderd wordt, kan men stellen dat bij FH-patiënten (met ongeveer de helft van het normale aantal receptoren) het LDL-cholesterolgehalte ongeveer twee keer hoger is dan normaal, meestal boven de 8 mmol/l.
In veel gevallen is de ziekte FH met behulp van DNA-diagnostiek aan te tonen. Een aantal FH-patiënten, doch lang niet allemaal, heeft kenmerkende cholesterolafzettingen (knobbelige verdikkingen) op sommige pezen. Deze verdikkingen, ook wel xanthomen genoemd, zitten meestal op de achillespees op de hiel en op de pezen op de handrug. Zeldzaam zijn xanthomen onder de knie, aan de elleboog of op de voet.

Xanthomen bij een patiënt met familiaire hypercholesterolemie.

FH-patiënten hebben, als ze niet worden behandeld, ten gevolge van het verhoogde LDL-cholesterolgehalte een groot risico al op jonge leeftijd (voor het 40e jaar) hart- en vaatziekten te krijgen. Bij hen is het cholesterol al vanaf de geboorte verhoogd.
De Gezondheidsraad heeft daarom geadviseerd dat FH-patiënten met grote voorrang opgespoord dienen te worden, zodat zij een effectieve behandeling kunnen ondergaan.
Iemand met FH zal altijd cholesterolverlagende geneesmiddelen moeten gebruiken. Deze geneesmiddelen werken optimaal in combinatie met een cholesterolverlagend dieet. In veel gevallen blijkt dat het cholesterolgehalte inderdaad lager is of zelfs normaal is geworden, moet men toch met de geneesmiddelen doorgaan. FH is namelijk niet te genezen met medicijnen, de ziekte is immers aangeboren. De geneesmiddelen moeten dus helaas levenslang gebruikt worden.
Patiënten met FH moeten ten minste één keer gezien worden door een specialist met specifieke kennis op dit gebied. Bij de meeste ziekenhuizen in Nederland is een lipidenpolikliniek aanwezig waar internisten, cardiologen en soms kinderartsen zich bezighouden met de specifieke problematiek van de erfelijke hypercholesterolemie.

Familiair defectief apolipoproteïne B (FDB)
Enkele jaren geleden is er een aandoening ontdekt die vrijwel niet te onderscheiden is van FH: Familiair defectief apolipoproteïne B, afgekort tot FHB. Ook bij FDB is het cholesterolgehalte verhoogd en bij een aantal patiënten treft men de typische peesxanthomen aan. De cholesterolverhoging bij FH ontstaat door een onvermogen van de lever om LDL-deeltjes te binden, terwijl bij FDB het LDL-deeltje zelf afwijkend is en niet gebonden kan worden door de receptor in de lever. Het eiwit apolipoproteïne B zorgt er onder normale omstandigheden voor dat de binding tussen het LDL-deeltje en de receptor tot stand kan worden gebracht. Bij FDB is door een mutatie in een gen een defect in dit eiwit opgetreden. Vooralsnog lijkt het risico op hart- en vaatziekten dat FDB met zich meebrengt even groot als dat van FH en daarom wordt FDB op dezelfde wijze als FH behandeld.

Familiair gecombineerde hyperlipidemie (FCHL)
De familiair gecombineerde hyperlipidemie (FCHL) is een dominante erfelijke ziekte die van ouder op kind wordt doorgegeven met een kans van 50%. FCHL komt net als FH in Nederland veel voor: ongeveer 1 op de 300 Nederlanders heeft deze aandoening. Terwijl er bij FH sprake is van een verminderde opname en afbraak van cholesterol, is er bij FCHL sprake van een overproductie van cholesterol en vet door de lever. Meestal is er bij FCHL sprake van een matige verhoging van het cholesterol- én triglyceridengehalte. Het cholesterolgehalte varieert van 7 tot 9 mmol/l en het totale triglyceridengehalte van 3 tot 5 mmol/l (lager dan 2 mmol/l is normaal). Vaak wordt ook een verlaagd HDL-cholesterolgehalte gezien, onder de 1,0 mmol/l. In families met FCHL ziet men een wisselend beeld: sommige familieleden hebben een verhoogd cholesterolgehalte, andere een verhoogd triglyceridengehalte en bij weer andere zijn beide gehalten verhoogd. In tegenstelling tot FH komt FCHL op latere leeftijd tot uiting: eind 20, begin 30. De erfelijke grondslag van deze aandoening is tot nu toe niet opgehelderd.
Vanaf het moment dat FCHL tot uiting komt, is het risico op een hartinfarct sterk verhoogd. Onderhuidse cholesterolafzettingen, xanthomen, die we bij mensen met FH aantreffen, komen bij deze aandoening niet voor. Een ander verschil is dat bij FCHL het cholesterol wel goed door de lever verwijderd kan worden. Daarom reageert het LDL-cholesterolgehalte van FCHL-patiënten soms beter op dieet en medicijnen dan dat van FH-patiënten. Behandeling met geneesmiddelen richt zich op versterking van
de opname van het cholesterol door de lever, het afremmen van de productie van cholesterol en triglyceriden en het laten stijgen van het HDL-cholesterolgehalte.
Ook voor FCHL geldt dat de medicijnen de oorzaak niet kunnen opheffen en men geneesmiddelen moet blijven gebruiken om het cholesterol- en triglyceridengehalte binnen redelijke grenzen te houden.

Polygenetische hypercholesterolemie (PH)
Van de Nederlandse bevolking heeft 25% een cholesterolgehalte boven de 6,5 mmol/l. Het overgrote deel van deze groep heeft polygenetische hypercholesterolemie (PH). Deze aandoening wordt veroorzaakt door meerdere erfelijke factoren en door de levensstijl die een persoon erop nahoudt.
Er is bij PH geen duidelijke oorzaak voor het te hoge cholesterolgehalte van het bloed aan te wijzen. Waarschijnlijk is het een combinatie van overproductie van cholesterol en een vertraagde afbraak. Als gevolg van bijkomende omgevingsfactoren, zoals voeding rijk aan cholesterol en verzadigde vetten, en te veel alcohol, kan bij personen met PH een sterke verhoging van het cholesterolgehalte optreden. PH reageert sterk op verbetering van levensstijl. Indien na 3 maanden dieet geen daling optreedt, kunnen medicijnen helpen om het cholesterolgehalte de eerste tijd naar beneden te krijgen. Medicijnen worden alleen gegeven indien het risico op hart- en vaatziekten meer dan 25% is volgens de Cholesterol Consensus. Wanneer de levensstijl is aangepast en het cholesterolgehalte tot de streefwaarde is gedaald, zou men kunnen overwegen te stoppen met geneesmiddelen om te zien of aanpassing van de levensstijl voldoende is om het cholesterolgehalte laag te houden.

Familiaire dysbetalipoproteïnemie (FD)
Familiaire dysbetalipoproteïnemie (FD) is zeldzaam en wordt gekenmerkt door een sterke verhoging van het aantal restdeeltjes van lipoproteïnen die niet opgenomen worden door de lever. Het lipidenprofiel vertoont vaak een sterke verhoging van zowel het cholesterol- als het triglyceridengehalte. Deze aandoening komt in de Nederlandse bevolking bij ongeveer 1 op de 15.000 mensen voor. Meestal komt het beeld bij mannen pas na het 30e levensjaar en bij vrouwen pas na de menopauze volledig tot uiting. Bij de helft van de mensen met FD ontstaan er typische gele verkleuringen van de handlijnen of sterk knobbelige xanthomen op de ellebogen en knieën. Het risico op aderverkalking is dan sterk verhoogd, vooral van de slagaders in de bovenbenen.
De oorzaak van deze ziekte is een variant van het eiwit apolipoproteïne E (apo E), dat zorgt voor de binding van de restdeeltjes van de lipoproteïnen aan een specifieke receptor in de lever. Het apo E-eiwit kent drie hoofdvormen: E2, E3 en E4. De combinatie E3/E3 komt het meest voor, ongeveer 60% van de Nederlanders heeft dit. De vorm E2/E2 daarentegen is zeldzaam en komt slechts bij 1% voor. De restdeeltjes van de lipoproteïnen bij mensen met E2/E2 hebben een sterk verminderde gevoeligheid voor de receptor waardoor een vertraagde opname van deze restdeeltjes kan optreden. Het is echter maar een klein gedeelte (1-4%) van het totaal aantal mensen met E2/E2 dat afwijkingen in het lipidenprofiel vertoont en FD ontwikkelt.
Er zijn dus meer factoren dan alleen E2/E2 die een rol spelen bij FD. Deze factoren kunnen zijn: overgewicht, vetrijke voeding, suikerziekte, alcoholgebruik of een andere vetstofwisselingsstoornis. Hoewel het wegnemen van deze factoren vaak voldoende is om het sterk afwijkende lipidenprofiel enigszins te normaliseren, is het gebruik van medicatie toch noodzakelijk.
FD is een voorbeeld van een recessieve erfelijke aandoening. Een persoon met FD heeft van elke ouder een E2-factor gekregen. Beide ouders zijn dus dragers van de factor E2 zonder dat ze zelf ziekteverschijnselen vertonen. Tenzij het zeldzame geval zich voordoet dat een van de ouders ook de combinatie E2/E2 heeft.

Verlaagd HDL-cholesterolgehalte en verhoogd triglyceridengehalte
Een te laag gehalte aan het HDL-cholesterol, onder de 0,8 mmol/l, verhoogt het risico op hart- en vaatziekten. Omdat de stofwisseling van HDL-cholesterol nauw samenhangt met die van LDL-cholesterol en triglyceriden, heeft een verlaagd HDL-cholesterolgehalte ook ongunstige neveneffecten. Een laag HDL-cholesterol gaat meestal gepaard met een verhoogd triglyceridengehalte. Op zichzelf is dit al een risicoverhogende situatie, maar bovendien wordt de kwalijke werking van LDL-cholesterol fors versterkt. Het risico op het krijgen van hart- en vaatziekten ten gevolge van een verlaagd HDL-cholesterolgehalte is minstens zo groot als dat ten gevolge van een verhoogd LDL-cholesterolgehalte. Verlaagde gehaltes aan HDL-cholesterol komen in de Nederlandse bevolking in even grote mate voor.
Er zijn verschillende oorzaken voor een verlaagd HDL-cholesterolgehalte. Allereerst zijn er een aantal zeldzame erfelijke aandoeningen, waarvan de familiaire hypo-alfalipoproteïnemie de belangrijkste is. In Nederland zijn slechts enkele families met een erfelijk verlaagd HDL-cholesterolgehalte bekend. Deze families hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de opheldering van deze erfelijke aandoening. Het lage HDL-cholesterolgehalte blijkt te worden veroorzaakt door een niet goed werkend eiwit, het zogenaamde ABC1-eiwit. Dit ABC1-eiwit is een soort pompje in de celwand dat cholesterol naar buiten pompt, het HDL-deeltje in, dat tegen de celwand aan ligt. Onder normale omstandigheden kunnen cellen op deze manier hun overtollige cholesterol kwijt raken. Indien ABC1 niet goed werkt, hoopt cholesterol zich in de cellen op met alle kwalijke gevolgen van dien.
Veel belangrijker zijn secundaire oorzaken voor een laag HDL-cholesterolgehalte. Roken verlaagt het HDL-cholesterolgehalte in sterke mate, als ook het gebruik van bepaalde geneesmiddelen (sommige middelen tegen hoge bloeddruk zoals bètablokkers, thiazide, diuretica, en anabole steroïden). Ook bij suikerziekte ziet men vaak een verlaagd HDL-cholesterolgehalte ten gevolge van een verhoogd triglyceridengehalte. Een erfelijk verlaagd HDL-cholesterolgehalte is nauwelijks te behandelen, terwijl een secundair verlaagd HDL-cholesterolgehalte goed reageert op aanpassing van de levensstijl of behandeling van de secundaire oorzaak.
Hoe dan ook, een verlaagd HDL-cholesterolgehalte is een even sterke risicofactor voor hart- en vaatziekte als een verhoogd LDL-cholesterolgehalte. Een verlaagd HDL-cholesterolgehalte komt vaak voor in Nederland. Men schat dat ongeveer 25% van de volwassen bevolking een HDL-gehalte heeft dat te laag is. Op korte termijn zullen er nieuwe geneesmiddelen ter beschikking komen, de zgn. CETP-remmers, waarmee het HDL-gehalte verhoogd kan worden.

Secundaire stoornissen in de vetstofwisseling
Bij een aantal aandoeningen ontstaat een afwijking van het cholesterol- en/of het triglyceridengehalte als bijverschijnsel. Deze afwijking verdwijnt of neemt sterk af wanneer de onderliggende ziekte op de juiste wijze wordt behandeld.

Suikerziekte
Suikerziekte (diabetes mellitus) is een stoornis in de suikerstofwisseling, waardoor het lichaam vanwege een tekort aan insuline niet in staat is om het suikergehalte van het bloed op een normaal niveau te houden. Veel plassen, dorst, gewichtsverlies en een verminderde weerstand tegen infecties, zijn daarvan onder meer het gevolg. Soms is de vorming van insuline geheel afgenomen en is toediening per injectie noodzakelijk (insulineafhankelijke diabetes of type 1 diabetes). Dit type diabetes treedt reeds op jonge leeftijd op. Vaak is de vorming van insuline niet gestoord, maar is de hoeveelheid gevormde insuline te gering ten opzichte van het lichaamsgewicht (niet-insulineafhankelijke diabetes, ook wel overgewichtsdiabetes, ouderdomsdiabetes of type 2 diabetes genoemd). Bij deze vorm van diabetes helpt vaak een dieet, al dan niet gecombineerd met tabletten. Afwijkingen in het lipidenprofiel komen bij mensen met suikerziekte zeer vaak voor, vooral bij type 2 diabetes. Deze afwijkingen in het lipidenprofiel dragen sterk bij aan het verhoogde risico voor hart- en vaatziekten. Bij patiënten met type 2 diabetes is vaak sprake van een verhoging van het triglyceridengehalte. Oorzaak hiervan is dat bij type 2 diabetes de afbraak van triglyceriden is verminderd. Hierdoor ontstaat soms ook een lichte verhoging van het LDL-cholesterolgehalte. Bij deze patiënten is daarnaast het HDL-cholesterolgehalte vaak verlaagd. Het lipidenprofiel (dat bij ongeveer de helft van deze patiënten afwijkend is) is bij deze vorm van suikerziekte dus uitermate ongunstig en verbetert onvoldoende na juiste instelling op insuline. Mensen met diabetes type 2 komen in de behandeling van hun cholesterol en triglyceriden dan ook vaak voor geneesmiddelen in aanmerking.

Vertraagde schildklierwerking (hypothyreoïdie)
Bij een vertraagde schildklierwerking (hypothyreoïdie) maakt de schildklier onvoldoende schildklierhormoon (thyroxine). Hierdoor treedt er een vertraging van de stofwisseling op waardoor men langzaam en kouwelijk wordt, snel moe is, en het lichaamsgewicht ondanks een matige eetlust toch toeneemt. Soms is de schildklier vergroot (struma). Vrijwel alle patiënten met een vertraagde schildklierwerking hebben een verhoogd LDL-cholesterolgehalte. Slechts bij een klein aantal patiënten is eveneens sprake van een verhoging van het triglyceridengehalte. De verhoging van het LDL-cholesterolgehalte is het gevolg van een afname van het aantal LDL-receptoren op de levercel. Daarnaast is er sprake van een verminderde afbraak van cholesterol. Bij patiënten met een erfelijke vetstofwisselingsstoornis kan zelfs een zeer lichte vorm van hypothyreoïdie (die nog geen klachten geeft) al een ernstig verhoogd cholesterolgehalte veroorzaken.

Andere ziekten
Sommige nier- en leverziekten kunnen eveneens in meer of mindere mate verantwoordelijk zijn voor een verhoogd cholesterol- en/of triglyceridengehalte van het bloed. Ook sommige medicijnen die tegen hoge bloeddruk en onregelmatige hartslag worden voorgeschreven (bètablokkers) of een bepaald type plaspillen (thiazide diuretica) kunnen het cholesterolgehalte verhogen.

Te hoog cholesterolgehalte bij kinderen
Kinderen met een te hoog cholesterolgehalte van het bloed vindt men vrijwel uitsluitend in gezinnen waarvan ten minste één ouder familiaire hypercholesterolemie heeft. Andere aandoeningen die het cholesterolgehalte verhogen, komen bij kinderen niet of nauwelijks tot uiting. Bij kinderen is een te hoog cholesterolgehalte ook zelden het gevolg van een verkeerde levenswijze of voeding.
Omdat het cholesterolgehalte van het bloed stijgt met de leeftijd, gelden voor kinderen andere normen voor wat normaal of te hoog is. Een normale waarde voor een volwassene is voor een kind eigenlijk altijd te hoog. Voor een 10-jarige is het gemiddelde cholesterolgehalte ongeveer 4,0 mmol/l, voor een 15-jarige ongeveer 4,2 mmol/l. Bij kinderen met familiaire hypercholesterolemie zijn waarden die tot 10 mmol/l kunnen oplopen, niet zeldzaam.
De aderverkalking ten gevolge van een verhoogd cholesterolgehalte begint in principe al op de lagere-schoolleeftijd. Aderverkalking is echter een langzaam proces dat vaak tientallen jaren nodig heeft om tot zichtbare en merkbare problemen te leiden. Bovendien zijn bij kinderen andere risicofactoren zoals roken, hoge bloeddruk en overgewicht, normaal gesproken niet aanwezig. Bij kinderen tot ongeveer 15 jaar bestaat daarom geen noodzaak intensief te gaan behandelen, tenzij het risico en het cholesterolgehalte extreem verhoogd zijn (bijvoorbeeld in het geval van de homozygote vorm van FH). Het gezin doet er wel verstandig aan om op het dieet te letten maar omdat een van de ouders bekend is met een verhoogd cholesterolgehalte, gebeurt dit meestal al.
Behandeling met geneesmiddelen is bij kinderen een moeilijke zaak. Het enige middel dat kinderen mogen gebruiken is een galzuurbindende hars. Volwassenen hebben echter vaak al problemen met het innemen van deze middelen (zie gebruik galzuurbindende harsen) en kinderen in nog sterkere mate. Met het gebruik van de moderne cholesterolsyntheseremmers heeft men bij kinderen erg weinig ervaring. Men is nog in afwachting van de resultaten van een aantal onderzoeken. De verwachting is dat deze middelen op korte termijn aan kinderen voorgeschreven mogen worden.
De wetenschap dat een kind een te hoog cholesterolgehalte heeft, is echter veel belangrijker dan er op dat moment iets aan te doen. Wanneer het kind de leeftijd van 18 of 20 jaar bereikt, dan kan meteen met de juiste behandeling worden begonnen, en, indien deze consequent wordt doorgevoerd, zal het cholesterolgehalte normaal worden, zodat problemen op latere leeftijd kunnen worden voorkomen. Kinderen met de homozygote vorm van FH vormen een speciaal probleem. Het risico op hart- en vaatziekten is bij deze kinderen enorm verhoogd en de behandelend arts zal alles in het werk moeten stellen om dit te verlagen.




terug verder




Cholesterol, zorg dat je goed zit

Auteur(s)
John J.P. Kastelein en Joep Defesche

Prijs: € 14,99
ISBN: 9789491549199