ACE-remmer Geneesmiddel dat de werking van het angiotensine converting enzyme remt en daardoor een bloedvatverwijdende effect heeft. Wordt vooral gebruikt bij de behandeling van hoge bloeddruk. | |
Anamnese Letterlijk: herinnering. Tot een diagnose komen door het verhaal van klachten van de patiënt en de gegevens over de voorafgaande medische ziektegeschiedenis. | |
Angina pectoris Pijn op de borst of hartkramp, die ontstaat als gevolg van zuurstoftekort in de hartspier. Is meestal het gevolg van een vernauwing in de kransslagaders van het hart, waardoor er tijdens lichamelijke inspanning niet voldoende vers bloed met zuurstof de ha | |
Angiogram Röntgenfoto van een bloedvat. Door in het bloedvat een stof in te spuiten (een onschadelijk contrastmiddel) die röntgenstralen tegenhoudt, worden het verloop van het bloedvat en eventueel aanwezige vernauwingen zichtbaar gemaakt. | |
Antidiabeticum Geneesmiddel gebruikt bij de behandeling van suikerziekte. | |
Apo Kortere naam voor apolipoproteïne, eiwit dat deel uitmaakt van een lipoproteïne en ervoor zorgt dat het lipoproteïne goed in het bloed opgelost kan worden | |
Apolipoproteïne Eiwit dat deel uitmaakt van een lipoproteïne en ervoor zorgt dat het lipoproteïne goed in het bloed opgelost kan worden. | |
Arcus (lipoïdes) corneae Witte ring rond de iris (regenboogvlies) in het hoornvlies, bestaande uit cholesterolesters. Dit kan een onschuldig ouderdomsverschijnsel zijn. Wanneer het reeds op jonge leeftijd ontstaat is het vaak het gevolg van een te hoog cholesterolgehalte van het | |
Atherosclerose Slagaderverkalking of het nauwer worden van de slagaders door afzetting van vetachtige stoffen in de vaatwand. | |
Bypass Operatie waarbij een van elders uit het lichaam verwijderd stuk bloedvat gebruikt wordt om een afgesloten of vernauwd stuk slagader (meestal een kransslagader) te overbruggen. | |
Cholesterol Vetachtige stof die door het bloed circuleert Cholesterol wordt normaal in het lichaam aangemaakt en zit in onze voeding. Cholesterol vervult in het lichaam diverse belangrijke taken en is nodig voor de opbouw van de celwanden. Een teveel aan cholesterol | |
Cholesterol Consensus Een aantal afspraken binnen de Nederlandse medische wereld volgens welke mensen met een afwijkend vetgehalte in het bloed behandeld worden. | |
Cholesterol-syntheseremmers Stoffen die de aanmaak van cholesterol in de lever beperken, door daar de werking van het enzym HMG-COA-reductase, nodig voor de aanmaak van cholesterol, af te remmen. Worden ook wel statines genoemd. | |
Chromosoom Kleine staafje eiwitachtige stof in de celkern die de drager is van de erfelijke eigenschappen (genen). In in elke celkern bevinden zich 46 (23 paren) chromosomen. Van elk paar chromosomen komt er één van de vader en één van de moeder (zie ook DNA). | |
Chylomicron De vorm waarin vetdeeltjes (triglyceriden en cholesterol) na de vertering in de darm door de darmwand aan het bloed worden afgegeven en worden getransporteerd naar de lever voor verdere verwerking. | |
CHZ Afkorting voor coronaire hartziekten; ziekten die het gevolg zijn van vernauwingen in de kransslagaders door slagaderverkalking, ook wel coronarialijden of coronair sclerose genoemd. | |
Coronaire hartziekten Ziekten ten gevolge van slagaderverkalking in de kransslagaders (coronaire vaten), ook wel coronarialijden of coronair sclerose genoemd. CHZ is een vorm van hart- en vaatziekten. | |
CVA Afkorting van cerebrovasculair accident; een plotselinge functiestoornis van een deel van de hersenen als gevolg van een afsluiting van een bloedvat (herseninfarct) of een hersenbloeding. Wordt ook wel beroerte genoemd. | |
Deficiëntie Gebrek of tekort aan een bepaalde stof. | |
Density Dichtheid of soortelijk gewicht van een lipoproteïne, zoals bepaald met ultracentrifugatie. Hoe groter het lipoproteïne, hoe lager het soortelijk gewicht. | |
Derivaat Een chemische stof die van een andere chemische stof is afgeleid. | |
Diabetes mellitus Suikerziekte. Stoornis in de suikerstofwisseling waarbij er door de alvleesklier onvoldoende insuline wordt afgegeven en waardoor de hoeveelheid bloedsuiker (glucose) in het bloed te hoog is. Dit leidt tot het verlies van suiker en veel water via de niere | |
DNA Afkorting voor desoxyribo nucleic acid (desoxyribonucleïnezuur), de chemische naam voor het basisbestanddeel van waaruit de chromosomen (erfelijkheidsdragers) zijn opgebouwd: een lange keten van allerlei opeenvolgende combinaties van vier verschillende ei | |
Dominant Erfelijke eigenschap die maar op één chromosoom van een chromosomenpaar hoeft voor te komen (dus van één van beide ouders afkomstig) om tot de ziekte te leiden, ondanks dat het andere chromosoom uit dat chromosomenpaar 'gezond' is. | |
Dotteren Behandeling van een vernauwd gedeelte van een slagader (meestal een kransslagader van het hart) ook PTCA (percutane transluminale coronaire angioplastiek) genoemd. Bij de behandeling wordt een dunne katheter vanuit de lies via de slagaders opgeschoven naa | |
Drager Iemand die in zijn chromosomen een bij een bepaalde erfelijke ziekte passende afwijking heeft, zonder dat hij zelf ziek is, maar deze wel op zijn nageslacht kan overdragen. | |
Emfyseem Longaandoening waarbij als gevolg van het verlies aan elastische vezels vooral de uitademing moeilijker wordt en benauwdheidsklachten kunnen optreden. | |
Endotheel De laag cellen die de binnenzijde van bloedvaten bekleedt. | |
Familiair gecombineerde hyperlipidemie Erfelijke stoornis waardoor er bij meerdere leden van een familie zowel hypercholesterolemie als hypertriglyceridemie kan voorkomen. | |
Familiaire dysbetalipoproteïnemie Erfelijke stoornis waarbij zowel hypercholesterolemie als hypertriglyceridemie kan voorkomen, doordat de chylomicronen en VLDL-deeltjes onvoldoende verwijderd worden. | |
Familiaire hypercholesterolemie Erfelijke stoornis waarbij er een tekort bestaat van de LDL-receptor, waardoor het LDL-cholesterolgehalte in het bloed sterk verhoogd is. | |
FCHL Familiair gecombineerde hyperlipidemie, erfelijke stoornis waardoor er bij meerdere leden van een familie zowel hypercholesterolemie als hypertriglyceridemie kan voorkomen. | |
FD Familiaire dysbetalipoproteïnemie, erfelijke stoornis waarbij zowel hypercholesterolemie als hypertriglyceridemie kan voorkomen, doordat de chylomicronen en VLDL-deeltjes onvoldoende verwijderd worden. | |
FH Familiaire hypercholesterolemie, erfelijke stoornis waarbij er een tekort bestaat van de LDL-receptor, waardoor het LDL-cholesterolgehalte in het bloed sterk verhoogd is. | |
Fosfolipiden Vetachtige stoffen die fosfor bevatten, bijvoorbeeld lecithine. | |
Galzuren In de gal aanwezige vet-achtige zuren, die tijdens en vlak na de maaltijd door de galblaas worden uitgescheiden naar de darm. Galzuren helpen bij de vertering van vet. | |
Gen Stukje erfelijk materiaal (DNA) op een chromosoom dat een bepaalde eigenschap herbergt, bijvoorbeeld het opdracht geven voor de productie van een bepaald eiwit. | |
Gentherapie Het genezen van een erfelijke ziekte door het foute of onwerkzame gen te vervangen door een gezond of werkzaam gen. | |
Glucosurie Suiker in de urine. | |
Hartinfarct Het afsterven van een deel van de hartspier als gevolg van een afsluiting van een (zijtak van een) kransslagader, waardoor een gedeelte van de hartspier geen vers bloed (en dus geen zuurstof) meer ontvangt. | |
HbA1(c) Geglyceerd hemoglobine, dwz hemoglobine (de rode bloedkleurstof in de rode bloedcellen) waaraan zich suikerachtige stoffen gehecht (geglyceerd) hebben. Naarmate de hoeveelheid glucose in het bloed hoger is, zal meer hemoglobine geglyceerd worden en neemt | |
HDL High Density Lipoproteïne, een van de drie typen lipoproteïnen (een koppeling tussen een vet en een eiwit) of transportdeeltjes voor vetten (ondermeer cholesterol) in het bloed. Dit gunstige type transportdeeltje voert overtollig cholesterol (zie HDL-chol | |
Heterozygoot Persoon met een afwijking op één chromosoom van een chromosomenpaar. Het vergelijkbare chromosoom dat van de andere ouder komt, bevat de afwijking niet. Deze persoon is dus heterozygoot voor die bepaalde afwijking. | |
High Density Lipoproteïne Een van de drie typen lipoproteïnen (een koppeling tussen een vet en een eiwit) of transportdeeltjes voor vetten (onder meer cholesterol) in het bloed. Dit gunstige type transportdeeltje voert overtollig cholesterol (zie HDL-cholesterol) af, onder meer va | |
High Density Lipoproteïne-Cholesterol Cholesterol dat voor transport door het bloed gekoppeld is aan HDL. Deze chemische samenstelling geeft minder aanleiding tot het ontstaan van arteriosclerose (slagaderverkalking) en heeft dus een beschermende werking tegen bepaalde hart- en vaatziekten. | |
HMG-COA-reductase Afkorting van hydroxy-methyl-glutaryl-coenzym-A-reductase, een enzym dat in de lever de vorming van cholesterol regelt. | |
HMG-COA-reductaseremmers Stoffen die de werking van het enzym HMG-COA-reductase remmen. Deze stoffen worden ook wel cholesterolsyntheseremmers of statines genoemd en gebruikt bij de behandeling van bepaalde vormen van een verhoogd cholesterolgehalte van het bloed. | |
Homozygoot Persoon met een bepaalde afwijking op beide chromosomen van een chromosomenpaar (de eigenschap is van beide ouders afkomstig). Deze persoon is dus homozygoot voor die bepaalde chromosoomafwijking. | |
HVZ Afkorting van hart- en vaatziekten. | |
Hypercholesterolemie Een te hoog cholesterolgehalte in het bloed. | |
Hyperlipidemie Te hoog lipiden- of vetgehalte in het bloed. | |
Hypertensie Hoge bloeddruk; te hoge druk binnen in de slagaders, zoals gemeten in de bovenarm-slagader. De medische naam is hypertensie. De grenswaarde waarboven een bloeddruk als te hoog wordt beoordeeld hangt van een aantal factoren af, maar ligt voor de bovenwaard | |
Insuline Hormoon dat in de alvleesklier wordt gemaakt en ervoor zorgt dat glucose (bloedsuiker) vanuit het bloed de cellen in de weefsels in kan gaan en daar gebruikt kan worden voor de verbranding of als reservevoorraad kan worden opgeslagen. Insuline zorgt er oo | |
Koolhydraten Stoffen die opgebouwd zijn uit suikers, zoals bijvoorbeeld zetmeel. | |
Kransslagaders Slagaders die gedeeltelijk aan de buitenkant op de hartspier lopen en de hartspier van zuurstofrijk bloed voorzien (ook wel coronaire vaten genoemd). | |
LDL Low Density Lipoproteïne, een van de drie typen lipoproteïnen (een koppeling tussen een vet en een eiwit) of transportdeeltjes voor vetten (ondermeer cholesterol) in het bloed. Dit type transportdeeltje voert overtollig cholesterol (zie LDL-cholesterol) a | |
LDL-cholesterol Low Density Lipoproteïne-Cholesterol: cholesterol dat voor transport door het bloed gekoppeld is aan LDL; dit type cholesterol geeft met name aanleiidng tot atherosclerose. | |
LDL-receptor Eiwit op de membraan van verschillende cellen (vooral in de lever) dat apo-B en apo-E bevattende lipoproteïnen kan binden en vanuit het bloed de cel insluist. Een tekort aan LDL-receptoren, zoals bij bepaalde vormen van erfelijke cholesterolaandoeningen, | |
Lipiden Verzamelnaam voor vetachtige stoffen. | |
Lipidenpolikliniek Een polikliniek die gespecialiseerd is in de diagnostiek en behandeling van mensen met een afwijkend lipidengehalte, bijvoorbeeld een te hoog cholesterolgehalte van het bloed. | |
Lipidenprofiel Verzameling van de gehalten van alle soorten cholesterol en triglyceriden in het bloed. | |
Lipoproteïne Deeltje dat cholesterol, triglyceriden en fosfolipiden transporteert door het bloed. | |
Lipoproteïne(a) Lipoproteïne dat bestaat uit een LDL-deeltje met een groot extra eiwit eromheen. Dit is een zeer 'slecht' cholesterol, omdat het veel aderverkalking veroorzaakt. | |
Lipoproteïne, Very Low Density Een van de drie typen lipoproteïnen (een koppeling tussen een vet en een eiwit) of transportdeeltjes voor vetten in het bloed. Dit type transportdeeltje vervoert voornamelijk triclyceriden van de lever naar het spier- en vetweefsel. | |
Macrofagen Cellen in het bloed, lymfklieren en in sommige weefsels (ondermeer de lever en de longen), die een opruimfunctie hebben en daartoe ook in de weefsels kunnen penetreren. | |
Mg Afkorting van milligram. | |
Millimol (per liter) Eenheid om de hoeveelheid van een chemische of biologische stof aan te geven. In de regel wordt het afgekort tot mmol en opgegeven per liter (mmol/l). Op deze wijze wordt bijvoorbeeld het kaliumgehalte of de hoeveelheid van een bepaald medicijn in het blo | |
mmol Afkorting van millimol, de eenheid om de hoeveelheid van een chemische of biologische stof aan te geven. De hoeveelheid in millimolen wordt opgegeven per liter (mmol/l). Op deze wijze wordt bijvoorbeeld het kaliumgehalte of de hoeveelheid van een bepaald | |
mmol/l Afkorting van millimol per liter, de eenheid om de hoeveelheid van een chemische of biologische stof in een vloeistof aan te geven. Op deze wijze wordt bijvoorbeeld het kaliumgehalte of de hoeveelheid van een bepaald medicijn in het bloed, of de hoeveelhe | |
Mutatie Een meestal nadelige verandering in het genetisch materiaal (chromosomen), waardoor bijvoorbeeld aangeboren afwijkingen kunnen ontstaan. | |
Myocard Medische naam voor de hartspier. | |
Nitrobaat Bloedvatverwijdend geneesmiddel dat gebruikt wordt om pijnklachten in de hartstreek en benauwdheidsklachten, als gevolg van vernauwingen van de hartkransslagaders, snel te verlichten. | |
Onverzadigd vet Vloeibaar vet of olie. Goed en gemakkelijk afbreekbaar soort vet. | |
P/S-ratio De verhouding tussen onverzadigd en verzadigd vet in de voeding. | |
Plaque Plaatselijke verhevenheid aan de binnenkant van een bloedvat ontstaan door aderverkalking. | |
Receptor Eiwitmolecuul op de buitenkant van een cel, dat een bepaalde stof (bijvoorbeeld een hormoon of een neurotransmitter) kan binden, waarna de cel de boodschap krijgt 'iets' te doen (bijvoorbeeld een bepaalde stof te maken of een elektrische impuls door te ge | |
Recessief Erfelijke eigenschap die op beide chromosomen van een chromosomenpaar aanwezig moet zijn (dus van beide ouders gekregen moet zijn) om tot uiting van een eigenschap of een stoornis te komen. | |
Risicofactor Eigenschap, kenmerk of omstandigheid die ervoor zorgt dat iemand een vergroot risico loopt op het krijgen van een bepaalde ziekte (of gebeurtenis). Roken is bijvoorbeeld een risicofactor voor het krijgen van longkanker. | |
Screening Gestandaardiseerd onderzoek in een grote groep mensen naar mensen met een bepaalde aandoening. Ook het één persoon 'van top tot teen' onderzoeken zonder dat er sprake is van een bepaalde klacht wordt wel een screening genoemd (ook wel 'algehele check-up') | |
Statines Cholesterolsyntheseremmers, stoffen die de aanmaak van cholesterol in de lever beperken, door daar de werking van het enzym HMG-COA-reductase, nodig voor de aanmaak van cholesterol, af te remmen. | |
Stofwisselingsziekte Ziekte waarbij de verwerking van een bepaalde stof (of stoffen) in het lichaam niet goed functioneert. | |
Totaal cholesterol/HDL-ratio De verhouding tussen het totaal cholesterol- en het HDL-gehalte, een maat voor het risico op hart- en vaatziekten. Een ratio boven de 4,5 is verhoogd. | |
Triglyceriden Een bepaald type vet dat voorkomt in het bloed. Chemisch gezien bestaan triglyceriden uit glycerol veresterd met drie vetzuren. Het is de vorm waarin vet gebruikt voor energie in de vetcel wordt opgeslagen. Hoe onverzadigder de vetzuren zijn, hoe vloeibaa | |
Very Low Density Lipoproteïne Een van de drie typen lipoproteïnen (een koppeling tussen een vet en een eiwit) of transportdeeltjes voor vetten in het bloed. Dit type transportdeeltje vervoert voornamelijk triclyceriden van de lever naar het spier- en vetweefsel. | |
Verzadigd vet Hard vet, een minder gemakkelijk afbreekbaar en daardoor slecht soort vet. | |
VLDL Very-Low Density Lipoproteïne, een van de drie typen lipoproteïnen (een koppeling tussen een vet en een eiwit) of transportdeeltjes voor vetten in het bloed. Dit type transportdeeltje vervoert voornamelijk triclyceriden van de lever naar het spier- en vet | |
VLDL-cholesterol Very-Low Density Lipoproteïne Cholesterol: cholesterol dat voor transport door het bloed gekoppeld is aan VLDL. | |
Xanthelasmata Gelige bultjes op de bovenste en onderste oogleden, die cholesterol bevatten. Ze vormen een sterke aanwijzing voor het bestaan van een familiaire hypercholesterolemie | |
Xanthoom Op specifieke plaatsen, zoals pezen, gelokaliseerde zwelling, bestaande uit cholesterol en macrofagen. Xanthomen vormen een sterke aanwijzing voor het bestaan van een familiaire hypercholesterolemie | |