Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Dr. Paul Dautzenberg en drs. Wiebe Braam
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
De heer Vrolijk, een casus

 
Mevrouw Vrolijk meldt zich bij de poli-assistente: ‘Ik heb een afspraak voor mijn man bij de dokter.’ Als de poli-assistente zich vervolgens tot meneer Vrolijk wendt, kijkt deze onzeker naar zijn vrouw. Weer geeft mevrouw Vrolijk antwoord: ‘Nee, we zijn nog nooit eerder hier op de geheugenpolikliniek geweest.’
Als het echtpaar Vrolijk na enige tijd bij de arts in de spreekkamer zit, valt opnieuw een wat onzekere houding bij meneer Vrolijk op. Hij kan slechts vaag de reden van dit bezoek verwoorden en kijkt opnieuw onzeker naar zijn echtgenote, die prompt weer voor hem antwoordt. Als de arts aangeeft dat hij nu alleen antwoord wil van meneer Vrolijk en dat mevrouw Vrolijk later nog voldoende kans zal krijgen om haar verhaal te doen, blijkt dat meneer Vrolijk eigenlijk helemaal geen klachten heeft.
Bij navraag van de arts geeft meneer Vrolijk aan actief mee te werken in het huishouden, zijn handen vol te hebben aan de tuin en nog zelf achter het stuur van de auto te zitten.
Mevrouw Vrolijk schudt ondertussen stiekem met haar hoofd. Eindelijk is zij aan de beurt. Met enige schroom begint ze te vertellen waar haar man bij is. Deze lijkt rustig te luisteren en raakt gedurende het verhaal niet van streek. Het geheugen van haar man is ongeveer een jaar geleden langzaamaan slechter geworden. Hij rijdt niet meer veilig, doet niets meer aan zijn postzegelverzameling en maakt met kaarten steeds meer fouten. Ook raken steeds meer spullen kwijt, die soms op de meest vreemde plaatsen worden teruggevonden. Mevrouw Vrolijk heeft al eerder haar bezorgdheid geuit naar haar kinderen, maar deze dachten dat hun vader gewoon wat lui was, passend bij zijn leeftijd van 76 jaar. Ook voor de twee ongelukjes met de auto in het afgelopen jaar, werden voldoende verzachtende omstandigheden gevonden. Tijdens het feest ter gelegenheid van de 75e verjaardag van mevrouw Vrolijk, drie weken geleden, werd het ineens ook voor haar kinderen duidelijk dat er iets mis was. Hij herkende een aantal van zijn neven niet meer en raakte in paniek toen hij de weg in het restaurant niet meer zelf kon vinden. ‘Het zal toch niet hetzelfde zijn als bij zijn drie jaar oudere zus, die inmiddels alweer een jaar in een verpleeghuis verblijft?’
De arts legt uit dat hij een paar geheugentestjes zal uitvoeren. Ondanks de zichtbare fouten, blijft meneer Vrolijk rustig en voert hij excuses aan, zoals ‘dat heeft mij nooit geïnteresseerd’ en ‘thuis weet ik het allemaal weer’. Vervolgens vindt een uitgebreid lichamelijk onderzoek plaats en wordt er bloed afgenomen. Het onderzoek wordt na een uur afgesloten met een vervolgafspraak.

Bij het tweede bezoek heeft meneer Vrolijk moeite om zich iets te herinneren van het vorige bezoek, maar daar lijkt hij niet om te malen. Opnieuw volgen enkele geheugentestjes en wordt mevrouw Vrolijk nauwkeurig gevraagd wat haar echtgenoot thuis nog doet en hoe zijn gedrag is.
Vervolgens zet de arts alles op een rijtje. Lichamelijk is er niets aan de hand en ook het bloedonderzoek is helemaal normaal. Er lijkt geen sprake te zijn van een depressie. Wel faalt het geheugen op meerdere gebieden, wat volgens mevrouw Vrolijk duidelijk erger wordt en ook in de familie blijkt voor te komen. Waarschijnlijk heeft meneer Vrolijk de ziekte van Alzheimer.
Mevrouw Vrolijk schrikt hier niet van. Zij lijkt zelfs opgelucht. ‘Eindelijk heb ik steun gekregen in mijn verdenking.’ Ook meneer Vrolijk neemt alles luchtig op. Het lijkt hem niet te raken. Ook als het toekomstperspectief ter sprake komt, is mevrouw Vrolijk bezorgd, terwijl haar man alleen maar ontdaan raakt wanneer hij bij zijn vrouw wat tranen ziet blinken. Er blijken plannen te bestaan om te verhuizen naar een aangepaste woning. Mevrouw Vrolijk is suikerpatiënte en loopt moeilijk. Is deze verhuizing nog haalbaar? Zal haar man niet nog meer verward raken?
De arts maakt een afspraak met het maatschappelijk werk, zodat alternatieven besproken kunnen worden. Ten slotte wordt een nieuwe afspraak gemaakt om te kijken of meneer Vrolijk in aanmerking komt om behandeld te worden met Exelon, een geneesmiddel dat de ziekte van Alzheimer niet geneest, maar mogelijk wel afremt.

Een jaar later. Het gaat redelijk goed met het echtpaar. Zij gaan vandaag verhuizen naar een verzorgingshuis met groepsverzorging. Meneer Vrolijk is er zelf niet bij. Hij blijft een paar dagen logeren bij een van zijn kinderen, zodat hij door de verandering niet in de war zal raken.
De Exelon wordt goed verdragen. Wel waren er korte tijd wat misselijkheidsklachten, maar deze waren spontaan verdwenen nadat de arts de dosering iets had verlaagd. Meneer Vrolijk komt het verzorgingshuis niet meer zelfstandig uit. Om zijn vrouw te ontlasten, gaat hij twee dagen per week met veel plezier naar de groepsverzorging.

Weer een jaar later. Het geheugen gaat bij meneer Vrolijk nu zienderogen achteruit. Hij kan zich nog alleen zelfstandig wassen en aankleden als iemand anders vertelt wat hij moet doen. In de groepsverzorging doet hij steeds minder actief mee. Zijn apathie werkt zijn vrouw op de zenuwen.
De arts besluit op proef de Exelon te staken, na het afnemen van geheugentestjes en na het bepalen van wat hij thuis nog doet. Zes weken later blijkt dit niet of nauwelijks te zijn veranderd en wordt de Exelon definitief gestaakt. In samenspraak met de verzorging van het huis wordt voor meneer Vrolijk een psychogeriatrische dagbehandeling aangevraagd. In verband met de wachtlijst kan hij hier pas over een paar maanden terecht.

Opnieuw een jaar later. De dagbehandeling driemaal per week bevalt iedereen goed. Meneer Vrolijk gaat er met plezier naar toe, zijn vrouw kan een van deze dagen wekelijks bij een van haar kinderen op bezoek en de verzorging van het verzorgingshuis wordt niet overbelast. Wel is de toenemende incontinentie van urine een probleem. Een uritip (een soort condoomcatheter) laat meneer Vrolijk niet altijd zitten met als gevolg grote plasplekken in bed. Ook slaapt hij minder vast, waardoor mevrouw Vrolijk er ook steeds vermoeider uitziet.
Plotseling gaat alles heel snel. Mevrouw Vrolijk krijgt een hersenbloeding en moet met spoed voor onderzoek opgenomen worden in het ziekenhuis. Meneer Vrolijk is totaal ontredderd. De weekendarts probeert met medicijnen (haloperidol) de nachtrust te verbeteren en de plotselinge onrust overdag te regelen. Tevergeefs. Na overleg met de verpleeghuisarts van de dagbehandeling volgt een crisisopname voor meneer Vrolijk in het psychogeriatrisch verpleeghuis.

De eerste dagen in het verpleeghuis zijn onwennig en de haloperidol wordt voortgezet. Na twee weken lijkt de rust terug te keren. Mevrouw Vrolijk kan op bezoek komen. De haloperidol wordt afgebouwd en meneer Vrolijk lijkt het verzorgingshuis niet te missen. Wel is hij zichtbaar verdrietig als zijn vrouw afscheid neemt. Dit verdriet is duidelijk van twee kanten. Hoe nu verder? De verpleeghuisarts legt uit dat een crisisopname maar voor een beperkte tijd geldig is. Het verzorgingshuis wil meneer Vrolijk extra aandacht geven. De frequentie van de dagbehandeling wordt uitgebreid naar vijf dagen per week. De kinderen springen ’s avonds volgens een vast schema bij. De huisarts bezoekt het echtpaar iedere maand. Het evenwicht is hersteld, maar voor iedereen is het duidelijk dat dit uiterst wankel is.
Na veel emotioneel overleggen wordt voor meneer Vrolijk een definitieve opname in het verpleeghuis aangevraagd.

Een half jaar later, tweeënhalf jaar na het stellen van de diagnose, wordt meneer Vrolijk definitief opgenomen in het verpleeghuis. Zijn vrouw bezoekt hem daar twee keer per week. De kinderen bij toerbeurt wat minder. Niet iedereen kan even goed tegen de sfeer op de afdeling van het verpleeghuis.
Meneer Vrolijk wordt steeds stiller, loopt steeds minder en valt af ondanks de goede zorgen. Hij herkent zijn kinderen niet meer en weet evenmin meer dat hij getrouwd is met mevrouw Vrolijk. Toch blijft zij komen. Samen zitten ze dan hand in hand. Niet lang, want dat houdt mevrouw Vrolijk niet vol. Met een zucht en een zwaai gaat ze weer terug naar het verzorgingshuis.

Op een dag, zo’n twee jaar na de opname in het verpleeghuis, is mevrouw Vrolijk voor het laatst geweest. De nacht na het bezoek aan haar man krijgt ze een hartinfarct. Ze overlijdt in de ambulance. Meneer Vrolijk kan niet naar de begrafenis. Het is onduidelijk of hij zijn vrouw mist.
De kinderen hebben het hem wel verteld, maar ze krijgen geen reactie. Na het overlijden van zijn vrouw gaat meneer Vrolijk hard achteruit. Hij wordt bedlegerig, kan niet meer zelf eten en heeft moeite zijn hoofd overeind te houden. In samenspraak met de familie wordt besloten om bij een mogelijke longontsteking in de toekomst, niet meer actief te behandelen.
Drie weken na dit gesprek wordt meneer Vrolijk door de nachtdienst dood in bed aangetroffen. De kinderen laten hem begraven naast zijn echtgenote.




terug verder




Opa Toetoet raakt de kluts kwijt



Auteur(s) : Chris Veraart
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789021549033

Ook dementie doet pijn



Auteur(s) : Dr. Paul Dautzenberg
Prijs : € 21,95
ISBN : 9789491549342