In samenwerking met :  



 Inloggen
> registreren
lettergrootte: A  A  A
Risicofactoren voor de ziekte van Alzheimer

Er zijn enkele risicofactoren die verband houden met het krijgen van de ziekte van Alzheimer. De waarde daarvan is voor een individu betrekkelijk gering, aangezien men persoonlijk weinig of niets aan het wel of niet hebben van een of meer van deze risicofactoren kan veranderen. Voor wetenschappers is het vinden van risicofactoren wel van belang, omdat dit richting kan geven aan onderzoek naar de oorzaken en de behandeling. De risicofactoren zijn, naast het Apo-E4:
Leeftijd. De leeftijd is een belangrijke risicofactor. Na het 60e jaar verdubbelt het risico elke vijf jaar.
Familiair voorkomen. Wanneer bij iemand de ziekte van Alzheimer in de eerste lijn van de familie (vader, moeder, zus of broer) voorkomt, heeft hij een twee- tot driemaal zo groot risico deze aandoening ook te krijgen, oplopend tot 50% kans bij een leeftijd van 90 jaar. Als een helft van een ééneiige tweeling dement wordt, heeft de andere helft (met precies hetzelfde erfelijke materiaal) 50-70% kans om dement te worden.
Vrouwelijk geslacht. Bij vrouwen boven de 70 jaar komt de ziekte van Alzheimer twee- tot driemaal vaker voor dan bij mannen van dezelfde leeftijd.
Hersenletsel. Bij een ongeval waarbij het hoofd een flinke klap moet incasseren, kunnen kleinere of grotere hersenbeschadigingen optreden. De kleine hersenbeschadigingen blijven in de regel onopgemerkt, omdat er in de hersenen voldoende reservecapaciteit aanwezig is. De ervaring heeft geleerd dat hersenletsel de hersenen vatbaarder maakt voor de gevolgen van veroudering en de ziekte van Alzheimer.
Depressie. Het doorgemaakt hebben van een ernstige depressie op oudere leeftijd blijkt het risico op het krijgen van de ziekte van Alzheimer te vergroten.
Syndroom van Down. Mensen met het syndroom van Down  ontwikkelen tussen hun 35e en 45e levensjaar bijna allemaal de ziekte van Alzheimer. Mensen met het syndroom van Down hebben in de celkernen een chromosoom van het nummer 21 te veel (drie in plaats van twee). Op chromosoom 21 blijkt de informatie te liggen voor het
ß-app, het voorstadium van het amyloïd dat een rol heeft in het ontstaan van de ziekte van Alzheimer. Door extra vorming van ß-app hebben mensen met het syndroom van Down een verhoogd risico op de ziekte van Alzheimer. Er is overigens een dubbele relatie tussen het syndroom van Down en de ziekte van Alzheimer. Moeders die op jonge leeftijd een kind met het syndroom van Down hebben gekregen, lopen zélf ook een groter risico later de ziekte van Alzheimer te krijgen. Hier ligt mogelijk een verband met de theorie dat deze ziekte te maken heeft met een vroegtijdige veroudering. De kans op het krijgen van een kind met het syndroom van Down neemt namelijk sterk toe naarmate de moeder tijdens de zwangerschap een hogere leeftijd heeft. De ervaring leert dat er rond de bevruchting van eicellen van ‘oudere’ vrouwen vaker iets misgaat met de deling van de chromosomen, waardoor een bevruchte eicel drie in plaats van twee chromosomen met het nummer 21 krijgt. Als een vrouw op jonge leeftijd een kind met het syndroom van Down krijgt, zou dat er op kunnen wijzen dat zij meer vatbaar is voor verouderingsverschijnselen.
Voeding. Onderzoek heeft aangetoond dat er een verband bestaat tussen dementie en tekorten aan diverse voedingsstoffen, zoals geringe calorie- en/of eiwitinname, tekorten van de vitamines van de B-groep, vitamines C en E, Calcium, et cetera. Onderzoek heeft daarbij aangetoond dat het matige gebruik van alcohol (1-3 glazen per dag) en het vroeger verhoogde gebruik van cafeïne mogelijk beschermt tegen dementie. Overmatig alcoholgebruik kan echter zeker aanleiding geven tot het ontwikkelen van een specifieke vorm van dementie (Wernicke-Korsakoff). Onderzoek naar blootstelling aan zware metalen (zink, koper, cadmium, lood, kwik, aluminium, strontium en selenium) laat wisselende resultaten zien wat betreft het risico op het ontwikkelen van dementie op hogere leeftijd.
Het is voorbarig om een duidelijk oorzakelijk verband te leggen tussen voeding en dementie, omdat mensen met een dementie ook andere voedingsbehoeften en gewoonten hebben, onder andere door onvermogen tot koken of inkopen te doen, maar ook door agitatie of initiatiefverlies.
Momenteel vindt bij patiënten met de ziekte van Alzheimer onderzoek plaats naar het effect van speciale voedingsbestanddelen, waarvan men weet dat zij bouwstenen zijn van hersencellen.
Oplosmiddelen. Blootstelling aan oplosmiddelen, zoals die gebruikt worden door huisschilders, kan leiden tot concentratieproblemen, vergeetachtigheid, geïrriteerdheid, vermoeidheid, hoofdpijn, depressie, slaapstoornissen en allerlei vage lichamelijke klachten, zoals maagpijn, pijn op de borst en aan ledematen. Dit syndroom wordt organisch psychosyndroom (OPS) genoemd. OPS is erkend als beroepsziekte. Stopzetten van blootstellen aan de oplosmiddelen doet de symptomen verminderen. Het is nog niet zeker of OPS ook een voorbode is van dementie.



terug verder






Auteur(s)


Prijs: € 0,00
ISBN:

Het wordt steeds stiller

Praten over dementie lijkt langzamerhand geen taboe meer. De machtigen van de aarde komen er voor uit: 'I have Alzheimer'(Ronald Reagan, voormalig president van de VS). Praten met mensen die aan dementie lijden is echter ongelooflijk moeilijk en confronterend.

Auteur(s) : Paul Dautzenberg
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789066116191

Ik ben het steeds meer kwijt

Alzheimer is een vorm van dementie die vaak verstrekkende gevolgen heeft, voor de patiënt, maar ook voor de naaste omgeving. In Ik ben het steeds meer kwijt wordt uitleg gegeven over de ziekte.

Auteur(s) : Dr. Paul Dautzenberg en drs. Wiebe Braam
Prijs : € 17,95
ISBN : 9789066119956

Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule.