Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Dr. Paul Dautzenberg en drs. Wiebe Braam
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Onderzoek bij de ziekte van Alzheimer

 
Om een patiënt met dementie te laten meebeslissen over het te volgen beleid in de toekomst, zoals welke medicamenten hij kan gebruiken of hoe de zorg geregeld moet worden, dient de diagnose in een vroeg stadium gesteld te worden. Omdat het onderzoek naar de oorzaak van de aandoening die de dementie veroorzaakt, ingewikkeld is en grote gevolgen heeft, adviseert de Richtlijn 2005 dit onderzoek te laten plaatsvinden in gespecialiseerde poliklinieken, zogenaamde geheugenpoli’s.

Geheugenpoli’s in Nederland
Poliklinieken voor geheugenstoornissen (kortweg geheugenpoli’s) zijn ambulante voorzieningen die zich richten op diagnostiek, behandeling en advisering van patiënten met geheugenstoornissen, vooral in de vroege stadia van dementie. In een onderzoek door de drie Alzheimercentra in 2004 zijn de geheugenpoli’s in Nederland goed in kaart gebracht.
Het aantal geheugenpoli’s in Nederland is duidelijk toegenomen door de toename van de belangstelling voor het ziektebeeld dementie. De eerste geheugenpoli’s gingen in 1986 in Tilburg en Maastricht van start; in 1998 (start registratie van geneesmiddelen voor de symptomatische behandeling van de ziekte van Alzheimer) waren het er twaalf en in 2004 veertig. Deze geheugenpoli’s zijn overal in Nederland te vinden, behalve in de provincie Flevoland.
In ruim de helft van de geheugenpoli’s stelt één medisch specialisme de diagnose dementie, meestal de klinische geriatrie of neurologie. In de overige gevallen is sprake van een samenwerkingsverband tussen twee tot vier verschillende medisch specialismen. Naast de medisch specialist is er aan de geheugenpoli bijna altijd een neuropsycholoog verbonden, en in drie van de vier geheugenpoli’s ook een verpleegkundige. Deze verpleegkundige functioneert in de meeste gevallen als een dementie-verpleegkundige die zelfstandig contact heeft met patiënten.
De gezamenlijke capaciteit van alle geheugenpoli’s is sinds 1998 toegenomen van 1700 naar ongeveer 8000 nieuwe patiënten per jaar. Per geheugenpoli worden ongeveer 200 patiënten per jaar gezien. Het Jeroen Bosch Ziekenhuis te Den Bosch, het Kennemer Gasthuis te Haarlem en het Academisch Ziekenhuis Maastricht zijn met 400 patiënten of meer per jaar de grootsten.

Tabel 3 laat de belangrijkste diagnoses zien die in 2004 op de gezamenlijke geheugenpoli’s werden gesteld. Van de bijna 8000 nieuwe patiënten, bleken er bijna 5000 dementerend te zijn. Jaarlijks komen er in Nederland ongeveer 22.500 nieuwe patiënten met dementie bij. Dit houdt in dat ongeveer een kwart van alle nieuwe patiënten met dementie gezien wordt op een geheugenpoli. Dat niet iedere nieuwe patiënt met dementie naar een geheugenpoli wordt doorverwezen, kan meerdere oorzaken hebben, zoals capaciteitsgebrek van geheugenpoli’s, ontevredenheid over geheugenpoli’s van verwijzende en patiënt, en onbekendheid met het ziektebeeld dementie van verwijzende en patiënt. De tevredenheid van de Nederlandse huisartsen over geheugenpoli’s is niet onderzocht. In Australië bleken huisartsen tevreden over het diagnostische proces, maar relatief minder tevreden over de gegeven psycho-educatie (voorlichting) en praktische steun aan de patiënt en de familie.
Tabel 3. Gemiddeld aantal diagnoses op de geheugenpoli’s in Nederland in 2004. Combinaties zijn mogelijk, dus het totaal is meer dan 100%.

Diagnostiek naar de oorzaak
In het verleden (consensusrichtlijn Dementie 1997) werd bij het stellen van de diagnose dementie niet verder gezocht naar de oorzaak van de dementie. Het onderzoek was vooral gericht op het uitsluiten van die aandoeningen, die ook de combinatie geven van geheugenstoornissen en gedragsstoornissen, maar die geen dementie waren. In figuur 7 wordt aangegeven welke aandoeningen ook geheugen- en gedragsstoornissen kunnen veroorzaken.
Tien jaar geleden hield het onderzoek op bij de constatering van de diagnose dementie, nadat alle oorzaken die behandeld kunnen worden, zoals schildklierlijden of delier, waren uitgesloten. Deze benadering heeft nadelen. Op deze manier wordt er bijvoorbeeld geen verschil gemaakt tussen patiënten met dementie en bijvoorbeeld patiënten met ernstige depressie of ernstige psychotische stoornissen, zoals schizofrenie. Dit verschil is natuurlijk wel belangrijk, omdat de behandeling van deze aandoeningen sterk verschillend is.
In het verleden betekende de diagnose dementie dus eerder een eindpunt van de diagnostiek dan dat er verder naar de oorzaak van de hersenziekte werd gezocht. Tien jaar geleden kon een huisarts na het horen van de diagnose dementie over het algemeen tot een summiere zorgdiagnostiek besluiten en werd er zo nodig een inschatting gemaakt van praktische zaken, zoals rijvaardigheid. Als de patiënt met dementie nog samenwoonde met een redelijk vitale partner, wachtte in het verleden het merendeel van de huisartsen rustig af, totdat deze partner aangaf dat het thuis echt niet langer kon. Pas dan volgde actie.
Figuur 7. Aandoeningen met geheugen- en gedragsstoornissen, waaronder dementie.

Vroegdiagnostiek
Door een aantal recente ontwikkelingen zijn specialisten geen voorstander meer van de geschetste passieve houding in de zoektocht naar de oorzaak van dementie. Momenteel moet er actief gezocht worden naar de oorzaak van de dementie omdat er bijvoorbeeld een geregistreerde symptomatische behandeling bestaat van cholinesteraseremmers en van memantine, een niet-competitieve N-methyl-D-aspartaat (nmda)-glutamaatreceptor antagonist, voor de ziekte van Alzheimer. Daarnaast onderkent men tegenwoordig complicaties van antipsychotica bij Lewy Body-dementie en ziet men vaak een zeer goed effect van de psychiatrische symptomen op cholinesteraseremmers bij ditzelfde ziektebeeld.
Het zoeken naar de oorzaak van dementie vereist tegenwoordig specialistisch onderzoek, vaak in multidisciplinaire teams. Ook moet de mogelijkheid bestaan van gespecialiseerd neuropsychologisch onderzoek en van beeldvormend hersenonderzoek (ct en mri).

Rol van de huisarts
De plaats van de huisarts in deze zoektocht naar de oorzaak van de dementie bestaat uit het onderkennen van weinig specifieke vroege symptomen die betrekking hebben op geheugen, gedrag en stemming. Deze klachten worden in het begin eerder door naasten van de patiënt geuit, dan door de patiënt zelf. Deze vage symptomen kunnen een achteruitgang van geheugenfuncties omvatten, zoals geheugenklachten, lichte geheugenstoornissen, detailverlies in het herinneren, oordeel- en kritiekstoornissen, traagheid in handelen en denken, overzichtverlies, minder vloeiende taal, visuele hallucinaties, paniekreacties tijdens stress, het optreden van een delier et cetera. Deze symptomen kunnen veranderingen veroorzaken in gedrag en stemming, zoals onzekerheid, angst- en paniekstoornissen, prikkelbaarheid, afhankelijk gedrag en verlies van sociale activiteiten. Bij sommige van deze patiënten zal er sprake zijn van een beginnende dementie, bij andere patiënten zal uiteindelijk blijken dat er sprake is van een andere aandoening. Ook zullen er patiënten zijn bij wie pas na verloop van tijd duidelijk wordt of de genoemde afwijkingen wel of niet toenemen. Bij deze laatste groep patiënten is er dan sprake van milde geheugenstoornissen (mild cognitive impairment mci). De diagnose mci is een ernstig ziektebeeld. Daar waar gezonde ouderen per jaar een kans van 1-2% hebben om dement te worden, blijkt dit voor patiënten met mci ongeveer 12% per jaar te zijn. De diagnose mci komt geregeld voor. Niet altijd eindigt een mci in een dementie, vaak echter wel. Mede om die reden wordt op 92% van de geheugenpoli’s patiënten met mci in de tijd gevolgd. Er zijn zelfs aanwijzingen voor het feit dat het hebben van geheugenklachten, zonder bij onderzoek aantoonbare geheugenstoornissen (in 65% van de gevallen), in 11 jaar leidt tot het ontwikkelen van dementie.

Zorgdiagnostiek
Naast de ziektediagnostiek is vaststelling van de zorgbehoefte van de patiënt met dementie, de zorgbelasting en de draagkracht van het mantelzorgsysteem van groot belang. Deze zorgdiagnostiek start, zodra de diagnose dementie wordt gesteld. Het merendeel van de patiënten met dementie woont thuis. De zorg voor hen wordt geboden door de partner, familie, kennissen en buren, vaak gecoördineerd door een van hen (de centrale mantelzorger). De draaglast en draagkracht voor deze niet-professionele hulpverleners wisselt in de tijd. Soms kun je meer van een patiënt met dementie hebben en soms minder. Hier iets tegen doen, moet vroegtijdig gebeuren. Extra hulp is niet zomaar beschikbaar. Er zijn wachtlijsten en er moeten indicaties worden afgegeven. Degenen die hulp geven, moeten uitgelegd krijgen wat dementie is, hoe hiermee moet worden omgegaan (psycho-educatie) en hoe afwijkend gedrag herkend moet worden en daar waar mogelijk behandeld.
81% van de geheugenpoli’s biedt begeleiding van verzorger/ familielid. Voor psychosociale ondersteuning zorgt 65% van de geheugenpoli’s. De plaats van de huisarts in de zorgdiagnostiek en ondersteuning van de draagkracht wordt bepaald door zijn eigen mogelijkheden om als een ‘casemanager’ regelmatig contact te onderhouden met patiënt en de centrale mantelzorger. Zijn deze mogelijkheden beperkt, dan is het raadzaam om voor de thuisverblijvende patiënt met dementie een casemanager aan te stellen, met als doel het tijdig onderkennen van achteruitgang en het bieden van ondersteuning in emotionele en praktische zin. Vaak is deze casemanager verbonden aan een verpleeghuis, bijvoorbeeld als hoofd van een dagbehandeling. Via een ciz-procedure is casemanaging in sommige delen van Nederland aan te vragen.

Doorverwijzen naar een geheugenpoli
Gemiddeld wordt 74% van de patiënten op een geheugenpoli verwezen door de huisarts, 12% door een psychiater en 10% door een neuroloog. De huidige doorverwijzing naar een geheugenpoli in Nederland blijkt veelal terecht. Toch wordt slechts een kwart van alle nieuwe patiënten met dementie op een geheugenpoli gezien. Een aantal patiënten dat mogelijk wel baat heeft bij een verwijzing, wordt niet verwezen.

Feitelijk onderzoek
Het onderzoek bij iemand met een mogelijke dementie verloopt globaal gezien in drie fasen. Allereerst moet worden vastgesteld door welke aandoening de klachten worden veroorzaakt. Is er bijvoorbeeld sprake van een depressie, een delier of inderdaad een vorm van dementie en zo ja, welk type? Dit onderscheid is zelfs voor een arts die ervaring heeft met dit aspect niet altijd eenvoudig en in ieder geval tijdrovend.
Tijdens de tweede fase van het onderzoek wordt vervolgens uitgezocht of de gevonden aandoening te behandelen is (zie hoofdstuk ‘Behandelingsmogelijkheden’, blz. 67). Ten slotte wordt in de derde fase beoordeeld welke zorg er nodig is (zie hoofdstuk ‘De hulpverlening’, blz. 91).

Eerste fase: onderzoek naar de oorzaak
De eerste fase van het onderzoek is erg belangrijk. Niet iedereen die de verschijnselen vertoont die bij dementie kunnen passen, is namelijk ook echt dement.
Het eerste gesprek. Allereerst volgt een gesprek met de vermeende patiënt en de familie. Zo’n eerste gesprek duurt al snel 30 - 45 minuten, omdat er erg veel zaken besproken moeten worden. Uit het verloop van dat gesprek, waarin bijvoorbeeld wordt gepraat over de vroegere levensloop tot en met het heden, kan de arts al veel opmaken over het functioneren van het geheugen, de spraak, het bewustzijn, het denken, de aandacht en de stemming.
Belangrijk is of de patiënt zelf klaagt over geheugenachteruitgang (past eerder bij een depressie), of er andere lichamelijke klachten zijn (vaatafwijkingen elders doen een vasculaire dementie vermoeden; ernstig long- of hartlijden, een verminderde doorbloeding van de hersenen), of er recent medicijnwijzigingen zijn geweest en hoe het ziektebeeld ontstaan is (acuut, langzaam, schommelend, etc.). Vertelt de patiënt zijn verhaal zonder haperen of zoekt hij juist steun bij zijn familie en struikelt hij over details (past meer bij de ziekte van Alzheimer)? Hoe oogt de patiënt: opgewekt of somber, gezond of ziek?
De informatie van de familie is zeer belangrijk, maar vooral ook de reactie van de patiënt op dit verhaal van de familie. Vaak klaagt de patiënt zelf niet en is hij verontwaardigd over het feit dat zijn familie hem tegenover de dokter ‘zwart’ komt maken. Soms kan hij zijn mond niet houden als de familie aan het woord is (past meer bij frontotemporale dementie of vasculaire dementie), of laat hij alles over zich heen komen (depressie of juist façadegedrag bij de ziekte van Alzheimer).
Het algemeen lichamelijk, neurologisch en functioneel onderzoek. Verwardheid kan veroorzaakt worden door meerdere lichamelijke oorzaken die te behandelen zijn. Een goed lichamelijk onderzoek kan een duidelijke richting geven in deze zoektocht. Hierbij worden alle interne organen onderzocht met stethoscoop en handen, de neurologische functies beoordeeld, en reflexen gecontroleerd met een hamertje op diverse plaatsen op armen en benen. Verder worden ogen en oren bekeken, de bloeddruk gemeten, het looppatroon beoordeeld en het vermogen getest om opdrachten uit te voeren, en zich aan en uit te kleden. Zo’n lichamelijk onderzoek duurt ongeveer 15 minuten.
Het geheugenonderzoek. Het geheugenonderzoek begint al bij het eerste gesprek. Om de algemene indruk die tijdens het eerste gesprek is ontstaan te staven, worden simpele geheugentesten gebruikt. Dit is een screenend of oriënterend onderzoek. In Nederland worden de mmse (mini mental state examination) en de cst (cognitieve screeningstest) veel gebruikt (zie vorige hoofdstuk). Deze testen zeggen nooit wat er aan de hand is, maar kunnen een aanwijzing zijn voor het feit dat er iets aan de hand is.

Sommige artsen zijn terughoudend in het afnemen van deze testen. Ouderen zouden het te confronterend vinden om zo’n testje te ondergaan. De ervaring leert dat ouderen het meestal niet vervelend vinden om hieraan mee te werken. Behalve de directe resultaten, zegt de manier waarop meegewerkt wordt iets over de mogelijke oorzaak. Vol geestdrift, maar zonder resultaat meewerken past meer bij de ziekte van Alzheimer. Langzaam en klagend uitvoeren van de testen wijst meer op een depressie. En het langzaam en met wisselende resultaten uitvoeren van de test past meer bij een vasculaire dementie of een delier. Ook het weigeren van deze testen levert informatie op.
Zowel de mmse als de cst omvatten vooral vragen die het korte- en langetermijngeheugen testen met vragen zoals welke dag, datum, seizoen en jaar het vandaag is. De mmse onderzoekt nog andere geheugenfuncties, zoals schrijven, lezen en het visueel geheugen. Deze testen kunnen worden aangevuld met het in een kort tijdsbestek (1 minuut) opnoemen van dieren of beroepen (onderzoekers noemen dit de fluency), het natekenen van een regelmatig van vorm veranderende figuur (meander), kloktekenen (zowel wijzerplaat als de stand van de wijzers), het uitleggen van spreekwoorden, het onthouden van drie nieuwe woorden na enkele seconden en na enkele minuten. Dit korte neuropsychologische onderzoek duurt ongeveer 15-20 minuten en wordt vaak standaard aangevuld met een vragenlijst over depressieve gevoelens.

Laboratoriumonderzoek
Omdat verwardheid door interne aandoeningen kan worden veroorzaakt of omdat een interne aandoening een aanwezige dementie kan versterken, is een onderzoek van bloed en urine in het laboratorium een vast onderdeel van het onderzoek. Men kijkt niet alleen naar bloedarmoede en lever- of nierziekten, mineraalstoornissen of ontregelde bloedsuikers, maar vooral ook naar de werking van schildklier en bijschildklier. De voedingstoestand wordt in kaart gebracht en vitaminen en sporenelementen worden bepaald. Bij patiënten jonger dan 80 jaar wordt ook het lipidenspectrum bepaald en op indicatie (bij jongere mannen) het totaal en het vrij testosteron.

ecg en röntgenonderzoek
Het elektrocardiogram (ecg) geeft een indruk van de werking van het hart in rust. Tevens is er op te zien of er in het verleden mogelijk hartinfarcten zijn geweest en of het hart genoeg zuurstof krijgt. Deze aanwijzingen worden gebruikt om vast te stellen of de geestelijke achteruitgang wellicht door een aandoening van het hart of de bloedvaten wordt veroorzaakt (vasculaire dementie). ecg-afwijkingen die passen bij een slechte doorbloeding van de kransslagaders van het hart wijzen erop dat de bloedvaten in de hersenen waarschijnlijk ook in een minder goede conditie zijn.
Röntgenonderzoek van hart en longen gebeurt als de arts vermoedt dat deze organen minder goed functioneren.

Hersenscans: ct-scan, mri, spect-scan
Niet iedere patiënt met een organisch psychosyndroom hoeft een hersenscan te krijgen. Als een oorzaak buiten de hersenen zeer aannemelijk is, dan voegt een hersenscan niets toe. Als de verdenking op een hersentumor of een te genezen vorm van dementie (zie blz. 29) bestaat, is een hersenscan min of meer verplicht. Tabel 4 geeft aan bij welke patiënt een scan noodzakelijk wordt geacht.

ct-scan
Een ct-scan (Computer Tomografie) is een speciale röntgentechniek, waarbij een groot aantal kleine röntgenopnamen wordt gemaakt, die door de computer tot een beeld worden samengevoegd. Door dat op verschillende hoogten van het hoofd te doen, ontstaat een aantal afbeeldingen die elk een bepaald ‘plakje’ van de hersenen laten zien. Van de hersenen worden bij een gewone ct-scan ongeveer 15 afbeeldingen gemaakt.
Op de ct-scan zijn alleen de grove afwijkingen te zien en uiteraard niet de microscopische veranderingen van de hersencellen. Toch geeft een ct-scan bruikbare informatie bij het vaststellen van de waarschijnlijke aard van de hersenziekte. Bij de ziekte van Alzheimer is er sprake van een langzame verschrompeling van de buitenkant van de hersenen (hersenatrofie). Op de ct-scan is dat over het algemeen pas zichtbaar als het ziekteproces al enige jaren aan de gang is.
In het begin van de ziekte van Alzheimer zijn de afwijkingen op een ct-scan ten opzichte van ‘gezonde’ mensen vaak nog te gering om te kunnen vaststellen dat er echt sprake is van hersenatrofie. In de vergevorderde stadia zijn de afwijkingen echter wel duidelijk zichtbaar. Maar dan is het maken van een ct-scan vaak niet meer zinvol, omdat op grond van de klachten en het verloop daarvan al vrij duidelijk is dat het om de ziekte van Alzheimer gaat. Een routine ct-scan van de hersenen bij een duidelijk patroon volgens de ziekte van Alzheimer is dus niet altijd noodzakelijk. In de regel wordt een ct-scan bij een vermoeden van de ziekte van Alzheimer alleen gemaakt bij patiënten jonger dan 65 of 70 jaar.
Bij de vasculaire dementie die veroorzaakt wordt door kleine herseninfarcten zijn duidelijke afwijkingen op de ct-scan zichtbaar: donkergekleurde vlekken ergens in het hersenweefsel. Bij de normal pressure hydrocefalus worden vergrote hersenholten gezien. Bij een hersentumor treffen we een structuur aan op een plaats waar die niet thuishoort.

mri
Bij een mri (Magnetic Resonance Imaging) worden, net zoals bij de ct-scan dwarsdoorsneden van de hersenen zichtbaar gemaakt. Er worden echter geen röntgenstralen gebruikt, maar een magneet en radiogolven. De magneet trekt alle waterstofatomen in het te onderzoeken lichaamsdeel in dezelfde richting. Vervolgens worden er radiogolven van een bepaalde frequentie gericht. De teruggekaatste radiogolven worden vervolgens door een antenne opgevangen, door een computer geanalyseerd en in een beeld omgezet. Omdat elk type weefsel (zoals spier, bot, hersenweefsel) en hersenvloeistof een verschillend watergehalte heeft, kaatst het ene type weefsel de radiogolven anders terug dan een ander type weefsel. Zo levert een mri van het hoofd een nauwkeuriger beeld van de hersenstructuren, dan een ct-scan. Vooral kleine beschadigingen, zoals bij vasculaire dementie, worden op een mri beter zichtbaar. De ct en de mri kunnen echter niets zeggen over het functioneren van de hersenen.

spect
Bij een spect (Single Position Emission Computer Tomografie) wordt licht radioactief materiaal in de bloedbaan gespoten, dat zich over het hele lichaam verspreidt. Als je een camera die gevoelig is voor radioactief materiaal op de hersenen richt, kun je de mate van bloeddoorstroming van de verschillende hersendelen beoordelen, wat weer iets zegt over de functie van die hersengebieden.

Tabel 4 geeft aan wanneer scans (beeldvormend onderzoek) bij de diagnostiek van dementie moeten worden verricht.
Tabel 4. Patiënten bij wie het maken van een scan (beeldvormend onderzoek) noodzakelijk wordt geacht bij de diagnostiek van dementie.

Liquor onderzoek - biologische markers van dementie
Omdat de ruimte tussen de hersencellen (de intercellulaire ruimte) in directe verbinding staat met de liquor in hersenblazen en deze weer in verbinding staan met de liquor in het ruggenmerg, is door middel van een ruggenprik (lumbaalpunctie) liquor materiaal te verkrijgen. Onderzoek naar deze liquor geeft informatie over processen die zich in de hersenen afspelen.
In een vorig hoofdstuk hebben we stilgestaan bij de betekenis van het eiwit, het tau-eiwit en het gefosforyleerde tau-eiwit (Ptau-eiwit) bij het ontstaan van de ziekte van Alzheimer. In een aantal Nederlandse geheugenpoliklinieken worden onder andere deze twee eiwitten bepaald in het liquor bij patiënten met dementie. Tabel 5 geeft een overzicht van de betekenis van deze liquor-markers bij verschillende oorzaken van dementie. Het sterk verlaagd zijn van ß-amyloïd bij de ziekte van Alzheimer is te verklaren door het neerslaan van dit eiwit in de zogenaamde seniele plaques in de hersenen van dit eiwit.
Behalve de al eerder genoemde liquor-markers wordt het 14-3-3 eiwit gebruikt bij de verdenking op de zeldzame Creutzfeld-Jacob dementie. Het 14-3-3 eiwit kan ook verhoogd zijn bij verse herseninfarcten, hersentumoren en hersenontstekingen.
Zoals uit dit overzicht blijkt, zijn er momenteel nog geen ideale markers beschikbaar die gebruikt kunnen worden voor het stellen van de diagnose dementie. Toch lijkt het er op dat in de nabije toekomst liquor onderzoek bij het onderzoek naar de oorzaak van dementie steeds belangrijker zal worden.
Tabel 5. Overzicht van de betekenis van liquormarkers bij verschillende vormen van dementie.

Tweede fase: is de aandoening te behandelen?
Afwijkende bloeduitslagen, een delier of een depressie zijn in de regel goed te behandelen. Na een dergelijke behandeling worden het eerste gesprek met de arts en de geheugentesten herhaald om te beoordelen of er verbetering is opgetreden. Als er twijfel blijft bestaan over de geheugenfuncties, volgt een uitgebreid neuropsychologisch onderzoek door een neuropsycholoog.
Als geen andere oorzaak voor de verwardheid of geestelijke achteruitgang gevonden kan worden, wordt een dementie waarschijnlijker. Als de verdenking niet duidelijk op de ziekte van Alzheimer is gericht, is aanvullend onderzoek in de regel noodzakelijk.

Aanvullend onderzoek
Voor het vaststellen van het type dementie, anders dan de ziekte van Alzheimer, ontkomt men meestal niet aan een aanvullend onderzoek. Dit onderzoek is dus niet standaard. Welk type aanvullend onderzoek er aangevraagd zal worden, hangt onder meer af van de ziekte die de arts vermoedt. Afhankelijk van de ziekten waaraan men denkt, kan men kiezen voor een hersenscan (ct of mri) en/of een uitgebreid neuropsychologisch onderzoek.

Uitgebreid neuropsychologisch onderzoek
Bij een uitgebreid neuropsychologisch onderzoek kijkt een hierin gespecialiseerde psycholoog naar de manier waarop de diverse delen van de hersenen functioneren. Er zijn verschillende testen die het geheugen, het ruimtelijk inzicht en de verwerking van de verschillende zintuiglijke waarnemingen (zoals zien, horen en voelen) meten. Men beoordeelt niet alleen elke hersenfunctie afzonderlijk, maar kijkt ook of er bij een achteruitgang sprake is van een gelijkmatige verslechtering van alle functies tegelijk (zoals bij de ziekte van Alzheimer) of van een plaatselijke uitval van enkele bepaalde hersengedeelten (zoals bij vasculaire dementie). De uitgebreide neuropsychologische testen duren een uur tot soms een halve dag. Vaak is de test te lang om in een keer af te nemen.
Bij de verdenking ‘niet de ziekte van Alzheimer’ is uitgebreid neuropsychologisch onderzoek in de regel aangewezen. Bij de ziekte van Alzheimer kan een dergelijk onderzoek vooral in de beginfase van de ziekte zinvol zijn, omdat de verschijnselen dan nog niet zo duidelijk aanwezig zijn. Een neuropsychologisch onderzoek is onmisbaar voor het stellen van de diagnose milde geheugenstoornissen (mci).
Een enkele keer komt men er niet uit en is observatie van het gedrag nodig tijdens een kortdurende opname op een observatieafdeling van een ziekenhuis of een verpleeghuis. Ook kan men bij het vinden van slechts geringe afwijkingen of in geval van twijfel besluiten het onderzoek na zes maanden nog eens te herhalen.

eeg
Een eeg (Electro-EncefaloGram) is een onderzoek naar de elektrische activiteit van de hersenen. Dit onderzoek heeft geen plaats meer bij het zoeken naar de oorzaak van een dementiesyndroom, anders dan wanneer er een verdenking bestaat op epilepsie of een verdenking bestaat op de ziekte van Creutzfeld-Jacob.

Genetisch onderzoek
Genetisch onderzoek heeft geen zin bij het beantwoorden van de vraag of er bij iemand wel of geen sprake is van de ziekte van Alzheimer. Mensen met het Apo-E4 gen (zie blz. 38) lopen weliswaar een vergroot risico op het op vroege leeftijd krijgen van de ziekte van Alzheimer, maar hoeven de ziekte niet te krijgen. En omgekeerd kunnen mensen die dit gen niet bezitten, toch de ziekte van Alzheimer krijgen.
Bij de zeldzame erfelijke vormen van de ziekte van Alzheimer, die in de regel al vóór het 65e jaar beginnen, kan genetisch onderzoek in sommige gevallen wel worden verricht. Daarbij wordt tevens naar andere erfelijkheidsfactoren gezocht.




terug verder




Opa Toetoet raakt de kluts kwijt



Auteur(s) : Chris Veraart
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789021549033

Ook dementie doet pijn



Auteur(s) : Dr. Paul Dautzenberg
Prijs : € 21,95
ISBN : 9789491549342