Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Dr. Paul Dautzenberg en drs. Wiebe Braam
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Wat is dementie?

 
Het woord dement is afgeleid van het Latijnse woord ‘mens’ dat geest betekent. Dement kan letterlijk vertaald worden als ‘ontgeest’, ontdaan van geest. Artsen definiëren dementie als een verworven (dus niet aangeboren) blijvend verlies van functies van het verstand bij intact blijven van bewustzijn. Het meest in het oog springend en vaak het eerste verschijnsel hierbij is vergeetachtigheid, en dan vooral het vergeten van dingen en zaken die kort tevoren gebeurd of gezegd zijn. Pas als het verlies dusdanig is dat de patiënt niet meer als voorheen in de maatschappij kan functioneren, mag van dementie gesproken worden.

Kenmerken
Tot de functies die tijdens het ziekteproces min of meer verloren gaan, horen:
• Denken.
• Oordelen.
• Het vermogen van zelfstandig handelen en van initiatief nemen; het begrijpen.
• De sociale vaardigheden.
• Het zich kunnen oriënteren in de ruimte en de tijd.
• Het zich herinneren wat recent en vroeger is voorgevallen.
• Het vermogen om nieuwe informatie op te nemen.
• Lezen.
• Schrijven.
• Het voeren van een gesprek.
Als gevolg van deze verliezen verdwijnt ten slotte het beeld van de wereld en van jezelf. De demente mens verliest letterlijk zichzelf: er sterft al een deel vóór het overlijden, zodat men in Groot-Brittannië soms wel spreekt van de ‘pre-death’.

Meer dan zestig verschillende ziekten
Dementie is de verzamelnaam van een groot aantal syndromen die worden veroorzaakt door verschillende niet-aangeboren afwijkingen aan de hersenen en allemaal worden gekenmerkt door combinaties van geheugenstoornissen, stemming of gedrag.
Dementie is dus niet één bepaalde ziekte op zich. We herkennen tegenwoordig meer dan zestig verschillende vormen van dementie. De meeste hiervan komen zelden voor, zoals de ziekte van Pick, dementie door aids, de ziekte van Creutzfeld Jacob, Lues et cetera, zodat alleen specialisten op dit gebied deze vormen van dementie zullen diagnosticeren.

Ziekte van Alzheimer 60-80%
Vasculaire dementie 5-10%
Lewy Body-dementie (inclusief Parkinson-dementie) 5-10%
Ziekte van Alzheimer met Vasculaire kenmerken
(mengbeeld-dementie) 15-20%
Frontotemporale dementie <1%
Overige oorzaken* < 1%

• Ongeveer zestig verschillende zeldzame aandoeningen

Tot ongeveer tien jaar geleden vormde het begrip dementie het eindpunt van de zoektocht naar wat een patiënt kon mankeren. Het begrip dementie verklaarde tot dan voldoende waarom iemand wat vergat, niet meer voor zichzelf kon zorgen of zich afwijkend gedroeg. Momenteel is dat niet meer zo. De verdenking dat iemand dementie kan hebben, betekent tegenwoordig het beginpunt van een zoektocht naar de onderliggende oorzaak van dementie. In Nederland is voor deze zoektocht in 2005 een multidisciplinair advies geschreven: ‘Richtlijn Diagnostiek en medicamenteuze behandeling van dementie’. De zoektocht naar de onderliggende oorzaak van dementie vindt steeds meer plaats op zogenaamde geheugenpoliklinieken. Op deze speciale poliklinieken, waarvan er in Nederland in 2005 ruim veertig waren, wordt pas na uitgebreid onderzoek door een heel team van experts de feitelijke oorzaak van de dementie vastgesteld. Hierbij kunnen we de vergelijking trekken met het begrip ‘koorts’. Wanneer iemand zich ziek voelt, koude rillingen heeft en klappertandend in bed ligt, heeft hij waarschijnlijk koorts. De thermometer kan dat bevestigen. Maar het woord koorts zegt eigenlijk niets meer dan dat de lichaamstemperatuur verhoogd is. Nader onderzoek zal nodig zijn, om erachter te komen wat de oorzaak van de koorts is. Pas dan weten we om welke ziekte het gaat en hoe deze eventueel te behandelen is.
De vergelijking met koorts gaat nog verder. Voor een gezonde man of vrouw is een koortsaanval vervelend. Hij of zij zal mogelijk enkele dagen thuis blijven, maar na 1 tot 2 dagen vrij te zijn van koorts, zal de gewone dagelijkse routine weer kunnen worden opgepakt. Dit is anders voor kleine kinderen of juist hoogbejaarden. Voor hen kan een koortsaanval levensbedreigend zijn. Behalve met de oorzaak van de koorts, zal een arts zich ook bezighouden met de (mogelijke) gevolgen van de koorts. Dit geldt ook voor dementie. Behalve naar de vraag waardoor dementie wordt veroorzaakt, moet men ook kijken naar wat de gevolgen van de dementie zijn. Deze gevolgen zijn zowel voor de patiënt als voor de omgeving van belang. Bij de diagnostiek van dementie spreken we dan over de zorgdiagnostiek. Wat zijn de gevolgen van de dementie en hoe kan de patiënt die dementerend is, verzorgd worden en vooral ook waar nu en waar in de toekomst. Deze zorgdiagnostiek dient naast de diagnostiek van de dementie bij iedere patiënt plaats te vinden.

Problemen bij het stellen van de diagnose
Waardoor dementie bij een bepaalde patiënt wordt veroorzaakt, is tijdens de periode van zijn ziekte niet altijd duidelijk. Dat heeft vooral te maken met het feit dat de precieze oorzaak alleen is vast te stellen door een stukje hersenweefsel onder de microscoop te bekijken. Vóór de introductie van hersenscans konden de hersenen alleen onderzocht worden na het overlijden van een patiënt en was een precieze diagnose tijdens het leven van de patiënt niet mogelijk. Bij gebrek aan andere kenmerken heeft men uit jarenlange ervaring de microscopische afwijkingen als kenmerkend beschouwd voor de diverse oorzaken van dementie. Nog altijd zijn er wetenschappers die deze kenmerken gebruiken om de verschillende vormen van dementie te onderscheiden. Tegenwoordig kunnen we met hersenscans (mri- en ct-scan) gedurende het leven van een patiënt afwijkingen aan bepaalde hersengebieden aantonen. Dat heeft ertoe geleid dat men de oorzaken van dementie ook is gaan indelen aan de hand van de plaats in de hersenen waar op de hersenscan afwijkingen zichtbaar zijn. Zo veroorzaakt de ziekte van Alzheimer afwijkingen die beginnen aan de zijkanten van de hersenen, en toont frontotemporale dementie vooral afwijkingen aan de voorzijde van de hersenen. De indeling naar aanleiding van de plaats van de afwijkingen in de hersenen helpt bij het verdere onderzoek van een patiënt, doordat het een aanwijzing geeft in welke richting verder gezocht moet worden.
Verder zijn er wetenschappers die vooral naar de ziekteverschijnselen van de patiënt zelf kijken en op grond van de symptomen een oorzaak voor de dementie aanwijzen.
Ten slotte wordt dementie ook wel ingedeeld naar het al dan niet aanwezig zijn van de mogelijkheid tot herstel. Ook deze manier van indelen kan helpen bij het richting geven aan verder onderzoek van een patiënt.

Klassieke patiënten
Klassieke patiënten met een bepaalde ziekte zijn patiënten bij wie alles ‘volgens het boekje’ klopt. Ze voldoen in alle opzichten aan de kenmerken die, over die bepaalde ziekte, in de medische literatuur beschreven staan. Dat is bij de verschillende oorzaken van dementie ook het geval. Zo zijn er patiënten met bepaalde symptomen die tevens in bepaalde gebieden van de hersenen op de scan afwijkingen laten zien en, na hun dood, eveneens de voor die bepaalde ziekte kenmerkende microscopische afwijkingen blijken te hebben. Dergelijke klassieke patiënten komen inderdaad voor. Maar veel vaker komen minder klassieke patiënten voor.
Zo is het mogelijk dat een patiënt op basis van zijn ziekteverschijnselen en de plaats van de beschadigingen in de hersenen precies voldoet aan de criteria van een bepaalde hersenziekte, maar dat men na de dood de afwijkingen die bij deze ziekte horen, niet onder de microscoop aantreft. Deze onduidelijke samenhang tussen de ziekteverschijnselen, de plaats van de afwijkingen in de hersenen en de later gevonden afwijkingen onder de microscoop is een blijvende controverse in het onderzoek naar dementie. Een specialist die sterk op de symptomen van een individuele patiënt let, zal onderzoek anders interpreteren dan een specialist die zich vooral baseert op microscopische afwijkingen of scans van het hoofd.

Dementie: onderverdeling naar oorzaak
Tegenwoordig gebruiken artsen standaardcriteria om de meest voorkomende oorzaken van dementie vast te kunnen stellen. Al deze criteria hanteren een combinatie van:
• criteria die betrekking hebben op de aard van de geheugenstoornissen;
• start (wel of niet plotseling) en beloop (stapsgewijs of juist sluipend);
• mate van gevolgen van de dementie voor het dagelijks functioneren;
• uitsluiten van tegelijk optreden van op dementie lijkende ziekten, zoals delier of depressie.

Daarnaast wordt de mate van waarschijnlijkheid van de oorzaak van dementie aangeven, zoals mogelijk (niet geheel klassiek), waarschijnlijk (alle symptomen passen goed) en zeker (de diagnose wordt bevestigd door middel van onderzoek onder de microscoop). Een enkele set van standaardcriteria geeft leeftijdsgrenzen aan (niet onder de 40 jaar en niet boven de 90 jaar).
In de Richtlijn Diagnostiek en medicamenteuze behandeling van dementie is afgesproken dat als de oorzaak van de dementie wordt uitgesproken door een arts, hij/zij ook moet aangeven volgens welke set van criteria deze diagnose tot stand
is gekomen. Zie voor de criteria voor de ziekte van Alzheimer blz. 36.

Vasculaire dementie
Vasculaire dementie is een verzameling van aandoeningen, waarbij de beschadiging van de hersencellen wordt veroorzaakt doordat de vaten/vaatjes in de hersenen niet meer goed werken en de doorbloeding van de hersenen afneemt (vasculair betekent: de vaten betreffend). Vasculaire dementie is weer niet één ziekte, maar een verzamelnaam voor verschillende aandoeningen, die met elkaar gemeen hebben dat de oorzaak van de dementie een slechte functie van de bloedvaten is. De term vasculaire dementie vervangt de niet meer gebruikte term ‘multi-infarct dementie’.
De bekende risicofactoren die leiden tot het ontstaan van vaatafwijkingen elders in het lichaam, zijn tegelijk ook de risicofactoren voor het ontwikkelen van vasculaire dementie. Dit zijn onder meer hoge bloeddruk (hypertensie) nu of eerder in het leven, een verhoogd cholesterol, roken en hyperhomocysteïnemie (een stofwisselingsziekte, versterkt door een tekort aan vitamine B12, B6 en foliumzuur). Mogelijk heeft het negroïde ras een hoger risico op het ontwikkelen van vasculaire dementie.
Als de symptomen van vasculaire dementie aanwezig zijn, dan versterkt een lage bloeddruk (hypotensie) de symptomen, het maakt de dementie erger.

De set criteria die bij de diagnose vasculaire dementie het meest gebruikt worden, zijn de zogenaamde ninds-airen criteria. Deze criteria duiden op een dementie als de achteruitgang van het dagelijks functioneren niet alleen maar verklaard kan worden door de lichamelijke gevolgen van een cva (beroerte) en als deze achteruitgang gezien wordt zo’n drie maanden na het doormaken van een cva.

Ontstaan van vasculaire dementie
Vasculaire dementie ontstaat wanneer de hersenvaatjes dichtslibben door vaatverkalking (arteriosclerose) of door een propje bloed (infarct) of doordat bloedvaatjes gaan lekken. Vaak betreft het heel kleine bloedvaatjes, soms ook grote vaten. De hersencellen achter deze vaatjes worden onvoldoende doorbloed en kunnen minder goed werken. Vaak gaan de hersencellen dood en verliezen hun functie. Indien er meerdere bloedpropjes ontstaan en er dus veel kleine infarcts aanwezig zijn (vandaar de oude naam voor deze vorm van dementie: multi-infarctdementie), zullen veel hersencellen niet meer functioneren en zal de patiënt duidelijke geheugenstoornissen laten zien. Ook andere functies die door de hersenen worden bestuurd, zoals praten, lopen en het ophouden van urine, kunnen moeilijker gaan als ook deze hersencellen minder doorbloed worden, maar dit hoeft niet het geval te zijn. Soms is een enkel infarct in een heel belangrijk gebied van de hersenen al voldoende om geheugenstoornissen te veroorzaken. Andersom treden na een beroerte (cva) nog al eens geheugenstoornissen op. Ongeveer een op de vier patiënten heeft drie maanden na een cva een vasculaire dementie.
Behalve de hersencellen zelf, kan ook de verbinding tussen hersencellen onderling minder goed gaan werken. Deze verbinding bestaat uit lange zenuwuiteinden, die steeds beter werken als de isolatie van de zenuwuiteinden goed is. In de hersenen wordt deze isolatie door witte stof (myeline) veroorzaakt. Schade aan kleine bloedvaatjes zorgt ervoor dat de witte stof afneemt (leucauriosis). Als de verbinding tussen de hersencellen minder goed is, dan gaat alles langzamer. Soms valt het geheugen dan wel mee, maar zijn de patiënten zo traag dat zij geen initiatief meer opbrengen om iets te doen (vroeger ziekte van Binswanger genoemd). Als er sprake is van witte stof die over een groot gedeelte van de hersenen is aangedaan, wordt ook wel de term cadasil gebruikt. Uiteindelijk zijn de stoornissen van bloedvaten en witte stof zo ernstig dat er van een dementie gesproken wordt.
Recent onderzoek heeft aangetoond dat patiënten met vasculaire dementie baat kunnen hebben bij het voorschrijven van galantamine en memantine. In Nederland zijn deze geneesmiddelen echter (nog) niet geregistreerd voor de behandeling van deze vorm van dementie. Mogelijk dat verder onderzoek in de nabije toekomst meer duidelijkheid kan geven, of het routinematig voorschrijven van deze middelen bij vasculaire dementie zinvol is.
Tegenwoordig weten wij dat bij sommige patiënten met een vasculaire dementie ook vaak kenmerken in de hersenen aanwezig zijn die bij de ziekte van Alzheimer horen. Mogelijk dat beschadiging van hersencellen door een vasculaire oorzaak de ‘cascade hypothese’ zoals beschreven in hoofdstuk ‘De ziekte van Alzheimer’ op gang brengt. Men spreekt dan van de ziekte van Alzheimer met vasculaire kenmerken (vroeger ‘mengbeelddementie’ genoemd). In zo’n situatie zien we zowel kenmerken van de ziekte van Alzheimer, als van de vasculaire dementie optreden. Soms zijn bij een patiënt met alle kenmerken van de ziekte van Alzheimer, de vasculaire ‘kenmerken’ alleen maar zichtbaar op een scan van de hersenen. De patiënten met ziekte van Alzheimer met vasculaire kenmerken worden wel gewoon behandeld met geneesmiddelen, die geregistreerd zijn voor de ziekte van Alzheimer.

Beloop van vasculaire dementie
De afwijkingen die men bij onderzoek vindt, hangen bij vasculaire dementie vooral af van de aard, uitgebreidheid en de plaats van de vaatafwijkingen in de hersenen.
In het begin van de ziekte hoeft de achteruitgang van het geheugen bij deze vorm van dementie niet op de voorgrond te staan. Traagheid in handelen en spreken zijn dan duidelijker te constateren. Deze traagheid zien we vooral bij de zogenaamde ‘small vessel disease’, een aandoening die ontstaat door afwijkingen in de kleine bloedvaten die diep in de hersenen liggen (in tegenstelling tot de afwijkingen bij een cva die in de grote bloedvaten aan de oppervlakte van de hersenen plaats heeft). Soms klaagt de patiënt alleen over problemen met het vinden van woorden of kan hij moeilijk overschakelen van het ene onderwerp op het andere. Ook kan er sprake zijn van onhandigheid in het handelen of mist hij of zij het overzicht en de planning, vooral als dit vraagt om het oproepen van informatie uit het geheugen. Het herkennen van deze informatie uit meerdere keuzes blijkt dan ineens wel goed te gaan. Van het falen is de patiënt zich meer bewust dan bij de ziekte van Alzheimer. Vaak ontstaan mede door dit behoud van ziektebesef, gedragsstoornissen met wisselend agitatie en depressie. Uiteindelijk ontstaan er altijd geheugenproblemen.
De achteruitgang bij vasculaire dementie is niet zo geleidelijk als bij de ziekte van Alzheimer. Het verloopt vaak grillig, stapsgewijs, met min of meer acute momenten van verslechtering en gedeeltelijke verbetering, soms van dag tot dag verschillend. Deze achteruitgang kan soms ook jaren op zich laten wachten.
Bij lichamelijk onderzoek vindt men nogal eens afwijkingen in reflexen en spierkracht, en op een mri- of ct-scan van de hersenen ziet men vaak daadwerkelijke beschadigingen in de hersenen zoals infarcten en witte-stofafwijkingen. Deze afwijkingen nemen in het verloop van de ziekte toe.
Omdat de bloedvaten in het hele lichaam minder goed zijn, is de algehele conditie vaak slechter en is de levensverwachting ook korter. Het verbeteren van de lichamelijke conditie door bijvoorbeeld het behandelen van een te hoge bloedsuiker of bloeddruk, kan het geheugen soms iets verbeteren.
Mede door de zwakke algehele conditie wordt een patiënt met vasculaire dementie in het beloop van de dementie over het algemeen opgenomen in een verpleeghuis. De gemiddelde leeftijd voor zo’n opname ligt voor patiënten met vasculaire dementie een aantal jaren lager dan bij patiënten met de ziekte van Alzheimer. Bij verdere progressie van de dementie neemt het verschil in symptomen tussen vasculaire dementie en ziekte van Alzheimer af. In het verpleeghuis is het na verloop van tijd steeds moeilijker om op grond van symptomen onderscheid te maken tussen de verschillende vormen van dementie.

Lewy Body-dementie (lbd)
De Lewy Body-dementie wordt zo genoemd, omdat men daarbij verspreid door de gehele hersenen, abnormale eiwitneerslag in zogenaamde insluitlichaampjes aantreft, in een karakteristieke vorm. De arts die deze karakteristieke vorm van neerslag het eerst beschreven heeft, was dokter Lewy. De Lewy-lichaampjes zien we ook bij patiënten met de ziekte van Parkinson. Bij de ziekte van Parkinson zijn de Lewy-lichaampjes echter specifiek op één bepaalde plaats in de hersenen aanwezig.
Pas vanaf 1961 is de Lewy Body-dementie als apart ziektebeeld herkend, door het voorkomen van drie hoofdgroepen van symptomen:
1. psychiatrische symptomen: wisselende verwardheid en aandachtsstoornis, hallucinaties (meestal levendige niet op de waarheid berustende beelden, zoals het zien van mensen en dieren) en concentratieverlies, onrust en soms ‘plukken’ aan dekens of kleren;
2. loopstoornissen die veel op de ziekte van Parkinson lijken (Parkinsonisme);
3. geheugen- en oriëntatiestoornissen.
Andere (begeleidende) symptomen kunnen zijn: flauwvallen, wanen, depressie, slaapstoornissen en gehoorshallucinaties.
Door de loopstoornissen worden patiënten met Lewy Body-dementie vaak verwezen naar neurologen, die in eerste instantie kunnen denken dat er sprake is van de ziekte van Parkinson. Middelen tegen de ziekte van Parkinson kunnen soms de symptomen wat verbeteren, maar vaker treden bij het gebruik van deze middelen juist psychiatrische symptomen, zoals hallucinaties, op.
Vaak reageren de patiënten ook averechts of met veel bijwerkingen op de gebruikelijke medicijnen die bij hallucinaties en onrust gegeven worden zoals bijvoorbeeld haloperidol (deze groep van medicatie wordt ook wel de ‘klassieke neuroleptica’ genoemd).
Patiënten met verdenking op een Lewy Body-dementie moeten verwezen worden naar specialistische centra zoals geheugenklinieken, omdat Lewy Body-dementie kan lijken op de ziekte van Alzheimer, zodra er tekenen van dementie bij voorkomen, of omdat de ziekte kan lijken op een delier, zodra er hallucinaties optreden (zie verder blz. 70).

De set criteria die bij de diagnose Lewy Body-dementie het meest gebruikt wordt, bestaat uit de zogenaamde criteria van de Lewy Body International Workshop uit 1996. Naast een combinatie van hierboven al genoemde symptomen stellen deze criteria dat geheugenstoornissen in het begin van de ziekte geen belangrijke rol spelen, maar dat deze duidelijk worden bij toename van de ziekte. Ook lijken geheugen- en loopstoornissen gelijktijdig op te treden of binnen 1 jaar na elkaar te ontstaan. Tevens is de diagnose minder waarschijnlijk als er sprake is van vaatafwijkingen in het hoofd, zoals gezien worden op een ct of mri van de hersenen. Eind jaren negentig vonden twee internationale besprekingen plaats over criteria en nog altijd wordt aan deze criteria geschaafd.
Een juiste diagnose is noodzakelijk voor een juiste behandeling. De laatste jaren heeft onderzoek aangetoond dat een belangrijk deel van de patiënten met Lewy Body-dementie goed reageert op het voorschrijven van middelen die geregistreerd zijn om de ziekte van Alzheimer te vertragen, zoals rivastigmine (Exelon®), galantamine (Reminyl®) en donepezil (Aricept®). Patiënten worden helderder. Vooral de aandacht verbetert en de patiënten zijn dus minder verward. Hoe hoog de dosering van deze middelen dient te zijn, hoe lang het effect van deze medicatie aanhoudt en wat het voor de progressie van de ziekte betekent, is nog niet bekend.

Beloop Lewy Body-dementie
Omdat deze vorm van dementie nog niet zolang bekend is, is het beloop minder duidelijk. Vaak zijn symptomen in een milde vorm al langer aanwezig. Het lijkt erop dat, zodra de psychiatrische symptomen (de hallucinaties en de wisselende aandacht) meer opvallen, deze vorm van dementie vaak snel in ernst toeneemt. Dat wil zeggen dat patiënten binnen enkele maanden tot een jaar van betrekkelijk gezonde mensen, die af en toe eens vallen en wat traag zijn, kunnen veranderen in mensen die in een rolstoel zitten en ernstig dement zijn. Vaak worden patiënten met een Lewy Body-dementie hierdoor onder crisisomstandigheden met spoed opgenomen in het verpleeghuis. Bovengenoemde behandeling lijkt de toename van ernst van Lewy Body-dementie af te remmen.

Frontotemporale dementie
Frontotemporale dementie is opnieuw een verzameling van aandoeningen, waarbij gedragsstoornissen als eerste symptoom ontstaan tussen de 45 en 70 jaar en later pas geheugenstoornissen. In ongeveer 40% is er sprake van het eerder voorkomen van deze vorm van dementie binnen de familie. Het is bij deze patiënten vaak moeilijk uit te maken wanneer de ziekte precies begint, soms variërend van 2 tot 20 jaar vóór de diagnose. Omdat gedragsstoornissen vaak op de voorgrond staan, denkt men in het begin vooral aan psychiatrische aandoeningen. Er kan sprake zijn van een apathie (initiatiefverlies, desinteresse), maar ook van ontremd gedrag of stereotiep gedrag, Bij stereotiep gedrag heeft de patiënt vaak geen inzicht in zijn/haar toestand, maar ook geen vermogen meer om zich in te kunnen leven in andermans situatie. Later volgt een afname van de spontane spraak en weer later geheugenstoornissen.
Het syndroom werd in 1922 voor het eerst beschreven als de ‘ziekte van Pick’. Tegenwoordig wordt deze naam alleen nog maar gebruikt als er bij microscopisch onderzoek specifieke afwijkingen worden gevonden, zoals opgeblazen hersenzenuwen en zogenaamde Pick-lichaampjes.
De set criteria die bij de diagnose frontotemporale dementie het meest gebruikt wordt, bestaat uit de zogenaamde Manchester-Lund-criteria uit 1994. Deze criteria worden nog altijd bijgewerkt.
Andere aandoeningen die onder deze verzameling vallen zijn:
• Primaire Progressieve afasie
• Semantische dementie
Beide aandoeningen zijn van elkaar te onderscheiden door meer specifieke taalafbraak.

Beloop frontotemporale dementie
Het typisch beloop valt uiteen in 3 perioden: gedragsstoornissen, taalstoornissen en geheugenstoornissen. Het beloop is afhankelijk van de aandoening en afhankelijk van het tijdstip waarop de diagnose wordt gesteld.

Parkinson-dementie
Patiënten met de ziekte van Parkinson hebben een hoog risico op het ontwikkelen van een vorm van dementie. Afhankelijk van de manier waarop de geheugenstoornissen worden onderzocht, wordt tot 40% van de patiënten met de ziekte van Parkinson dementerend. De symptomen beginnen sluipend. In het begin staat traagheid op de voorgrond, met toenemende moeite voor het doen van twee taken tegelijkertijd. Als de dementie toeneemt, komen steeds meer symptomen voor, die lijken op die van de Lewy Body-dementie.
In de Richtlijn Diagnostiek en medicamenteuze behandeling van dementie 2005 is geen onderscheid gemaakt tussen Lewy Body-dementie en de dementie bij de ziekte van Parkinson. Of dit terecht is, zal door toekomstig onderzoek bevestigd moeten worden. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat bij Parkinson-dementie en Lewy Body-dementie een verschil bestaat in de doorbloeding van bepaalde delen van de hersenen. Ook blijken na het overlijden bij patiënten met Parkinson-dementie dezelfde afwijkingen in de hersenen onder de microscoop voor te komen als bij de Lewy Body-dementie, namelijk de Lewy-insluitlichaampjes. Bij de ziekte van Parkinson echter, zitten deze insluitlichaampjes maar op één specifieke plaats. Zodra er sprake is van Parkinson-dementie, treft men deze insluitlichaampjes onder de microscoop overal in de hersenen aan. Naast deze Lewy-insluitlichaampjes zien we bij Parkinson-dementie ook andere afwijkingen, zoals die onder de microscoop te zien zijn bij patiënten met de ziekte van Alzheimer, namelijk amyloïd plaques en neurofibrilaire tangles.
Omdat in de Richtlijn 2005 geen onderscheid gemaakt wordt tussen Parkinson-dementie en Lewy Body-dementie, is de voorkeur voor een set criteria niet goed te geven. In één groot onderzoek naar het effect van rivastigmine op Parkinson-dementie is gebruikgemaakt van de dsm-iv criteria (code 294.1).

Beloop Parkinson-dementie
Zodra de geheugenstoornissen bij een patiënt met de ziekte van Parkinson meer op de voorgrond gaan staan, nemen ook de stoornissen van het lopen toe en worden patiënten snel afhankelijk van anderen. De zorglast neemt voor een partner daarop fors toe, doordat een patiënt zowel lichamelijk als geestelijk sterk achteruitgaat. In hoeverre de behandeling met middelen zoals rivastigmine dit beloop gunstig beïnvloeden, moet nog nader onderzocht worden.

Te genezen vormen van dementie
Dementieën die te genezen zijn, treffen we niet zo vaak aan. Op een geheugenpolikliniek gaat het om hooguit 1-2%. De hogere percentages die bij eerder onderzoek gemeld zijn, worden veroorzaakt door het meetellen van mensen met een delier en een depressie. Deze ziektebeelden kunnen een dementie-achtig beeld veroorzaken, maar een ervaren onderzoeker zal beide aandoeningen snel kunnen onderscheiden van echte dementie.
Te genezen vormen van dementie zijn onder meer een bloeding tussen de hersenvliezen (subduraal hematoom), het langzaamaan groter worden van de met vocht gevulde hersenkamers waardoor een normal pressure hydrocephalus ontstaat, en soms een hersentumor. Dit zijn duidelijke voorbeelden van zeldzaam voorkomende dementieën, die goed te behandelen zijn door een operatie, uitgevoerd door een neurochirurg. Het zoeken naar de oorzaken van dementie die te behandelen zijn, maakt dat een grondig onderzoek bij dementie belangrijk is.




terug verder




Opa Toetoet raakt de kluts kwijt



Auteur(s) : Chris Veraart
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789021549033

Ook dementie doet pijn



Auteur(s) : Dr. Paul Dautzenberg
Prijs : € 21,95
ISBN : 9789491549342