Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Paul Wisman
 
In samenwerking met :  

Depressiecentrum


lettergrootte: A  A  A
De diagnose

Het kan niet genoeg benadrukt worden dat het erg belangrijk is om een juiste diagnose te stellen. Alleen dan kan er een passende behandeling gestart worden. Maar depressieve patiënten hebben niet alleen recht op het stellen van een juiste diagnose, ze mogen ook verlangen dat deze diagnose met hen wordt besproken. Op de vraag: ‘Dokter, wat mankeer ik nu?’ hoort een duidelijk antwoord te komen. Gelukkig is de tijd voorbij dat de arts antwoordde: ‘Wat denkt u er zelf van?’. Als de arts nog niet geheel duidelijk is waaraan hij denkt, moet hij dat zeggen. Ook hoort hij te bespreken welke behandeling de patiënt zal krijgen en wat het te verwachten resultaat daarvan is. ‘Is de ziekte wel te genezen?’ ‘Hoe ziet de toekomst eruit?’ Allemaal vragen waar de patiënt een antwoord op wil hebben en waar hij ook antwoord op moet krijgen.
Of iemand aan een depressie lijdt, is soms niet eenvoudig vast te stellen. Zo’n patiënt is altijd depressief. Maar het omgekeerde gaat niet op! Niet iedereen die depressief is, lijdt automatisch aan een depressie.
Om de juiste diagnose te kunnen stellen zijn er psychologische tests ontwikkeld. Dat zijn gestandaardiseerde interviews, waarmee bij psychiatrische stoornissen bepaald kan worden welke diagnose (volgens bijvoorbeeld DSM-IV) bij iemand gesteld moet worden.

Depressieve verschijnselen
We weten nu inmiddels welke verschijnselen of symptomen bij een depressie kunnen voorkomen. We noemen ze gemakshalve depressieve symptomen en als we ze op een rijtje zetten, kunnen we ze gemakkelijk los van elkaar zien. Om echter van een depressie (stemmingsstoornis) te mogen spreken, moet een aantal van deze symptomen tegelijkertijd voorkomen en moeten ze min of meer met elkaar samenhangen.
Het aantal verschijnselen, de ernst en de duur ervan moet tevens betrokken worden bij het stellen van de diagnose. Dit geldt ook voor de eventuele oorzaken, zowel op psychisch als op lichamelijk gebied. Tevens moet onderzocht worden of iemand een aanleg of gevoeligheid heeft om een depressie te ontwikkelen.
Als je dit leest, lijkt het stellen van de diagnose depressie misschien niet moeilijk. Maar door de jaren heen is hier toch altijd veel verwarring over geweest. De laatste tijd is overigens tussen psychiaters steeds meer overeenstemming over het definiëren van de diagnose gegroeid.

Indeling volgens de DSM-IV
Sinds ongeveer twintig jaar is men in toenemende mate gebruik gaan maken van een Amerikaans indelingssysteem, de DSM. DSM betekent: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Dit indelingssysteem is vervat in een handboek voor het stellen van een diagnose bij psychiatrische ziekten. In het boek staat bij elke psychiatrische ziekte vermeld welke klachten en ziekteverschijnselen bij iemand aanwezig moeten zijn voordat de arts een bepaalde diagnose mag stellen. Momenteel wordt er gebruikgemaakt van de DSM-IV (1994). De belangrijkste soorten van depressies volgens de DSM-IV zijn:
* Depressieve stoornis
* Dysthyme stoornis
* Bipolaire stoornis
Daarnaast komen veel voor:
* Aanpassingsstoornis
* Rouwproces
* Depressie door een lichamelijke aandoening
* Depressie veroorzaakt door middelen

Depressieve stoornis
De afspraak volgens de DSM-IV is dat een patiënt aan een depressieve stoornis lijdt wanneer hij gedurende ten minste twee weken, bijna elke dag en bovendien gedurende het grootste deel van de dag last heeft van minimaal vijf van de eerdergenoemde symptomen. Zo’n periode heet een depressieve episode. Niet alle symptomen hoeven aanwezig te zijn. Essentieel voor de diagnose zijn natuurlijk wel de depressieve stemming en het opvallende verlies van interesse of plezier in bijna alle activiteiten. Deze twee vormen de kernverschijnselen van de depressie. De verschijnselen hebben tot gevolg dat iemand duidelijk minder goed gaat functioneren, zowel op het werk als privé.
We kunnen een milde, matige en een ernstige vorm van depressie onderscheiden. We spreken van een milde depressie als er niet zoveel symptomen aanwezig zijn (tussen de 5 en de 8), of als de symptomen minder ernstig zijn. Een patiënt die hieraan lijdt, zal ook niet zoveel hinder en beperkingen ondervinden bijvoorbeeld in de werksituatie of in zijn relatie met andere mensen.
Milde depressies komen veel vaker voor dan men tot voor kort aannam. Ze worden vaak niet opgemerkt omdat ze soms moeilijk te herkennen zijn. Dat is jammer, want het gevolg is dat veel mensen met een lichte depressie niet op de juiste manier behandeld worden. Hierdoor kan zo’n milde depressie een chronisch beloop krijgen, met andere woorden: een langdurig en blijvend karakter gaan dragen. Op den duur ontstaan er dan wél problemen in het dagelijks functioneren.
We onderscheiden verder een matige en een ernstige vorm (de laatste met psychotische kenmerken). De mate van de ernst wordt, behalve door de diepte en de duur van de depressieve stemming bepaald door het aantal andere verschijnselen dat naast de sombere stemming aanwezig is.
Een depressie kan in iemands leven gedurende één bepaalde periode optreden en vervolgens weer overgaan om nooit meer terug te keren. We spreken dan van een éénmalige depressieve episode. Maar het kan ook gebeuren dat iemand in zijn leven verscheidene depressieve perioden doormaakt. De depressie heeft dan een terugkerend (recidiverend) karakter. Tussen de perioden door voelt de betrokkene zich gezond. De kans op terugkeer van een depressie is tussen de 40 en 60 procent. In 15 procent van de gevallen krijgt de depressie op den duur zelfs een chronisch beloop: we spreken dan van een chronische depressie. De specificatie chronisch wordt gebruikt als ten minste 2 jaar is voldaan aan de criteria van een depressieve stoornis.
Bij veel mensen met een depressieve stoornis komt een aantal kenmerkende lichamelijke verschijnselen voor. Zo kan er een duidelijk gebrek aan eetlust bestaan (met vermagering als gevolg), zijn er slaapstoornissen (vooral het minstens 2 uur vroeger dan gebruikelijk wakker worden) en vertoont de depressie een dagschommeling ('s morgens erger dan 's avonds).
We spreken dan van een depressie met vitale kenmerken omdat de regulatie van de eetlust, de slaapbehoefte en het dag-nachtritme voor het leven uiterst belangrijke (= vitale) functies zijn. Een depressie met deze verschijnselen wordt dan ook wel een vitale depressie genoemd. Volgens DSM-IV heet dit een depressieve stoornis met melancholische (vitale) kenmerken.
Een depressie met vitale kenmerken begint vaak zonder dat daar ogenschijnlijk een aanleiding voor bestaat. Niemand begrijpt dan waarom de patiënt zo ernstig depressief is geworden. Het lijkt wel alsof de depressie zomaar 'van binnenuit' is ontstaan. Dit is echter niet altijd zo. Vaak is er achteraf toch wel een aanleiding (hoe klein dan ook, bijvoorbeeld een ruzie) aan te wijzen.
De vitale kenmerken bij een depressie zijn
- geen plezier kunnen beleven
- interesseverlies
- depressie is 's morgens erger dan 's avonds
- ten minste 2 uur vroeger wakker worden dan gebruikelijk
- gebrek aan eetlust en gewichtsverlies
- traagheid en apathie of juist agitatie
- overmatig schuldgevoel
Een depressie met vitale kenmerken reageert meestal goed op antidepressiva. Dat betekent overigens niet dat de depressie meteen echt genezen is, maar wel dat de klachten verminderd of onderdrukt worden.
Er zijn patiënten die speciaal in de herfst en de winter aan een depressie lijden. Behalve over somberheid klagen deze mensen over vermoeidheid, verminderde energie en een toegenomen slaapbehoefte. Er is ook een grotere eetlust, waarbij er een sterk verlangen kan zijn naar zoetigheid. Het lichaamsgewicht neemt dan ook meestal toe. Deze verschijnselen verdwijnen weer in de lente en de zomer. Soms zijn ze in die tijd zelfs wat overmatig actief ('hypomaan'). De laatste jaren is de belangstelling voor en het onderzoek naar de zogenoemde seizoensgebondenheid van de stemmingsstoornissen toegenomen. Dit komt doordat de zogenoemde winterdepressie dikwijls met succes behandeld kan worden met een bepaald kunstlicht. In DSM-IV wordt dit type depressie onderscheiden met aparte criteria voor de specificatie van het seizoenspatroon.

Dysthyme stoornis
Een relatief lichte vorm van depressie die de DSM-IV onderscheidt, is de dysthyme stoornis. Het gaat hierbij echter wel om een langdurige toestand. De depressieve klachten moeten langer dan twee jaar geleden zijn begonnen, terwijl de ernst van de klachten vaak erg sterk wisselt. Perioden waarin de patiënt erg somber is, worden afgewisseld met perioden waarin hij zich wel wat beter voelt. Toch blijft ook dan de sombere stemming meestal aanwezig. Perioden waarin hij geen klachten heeft, duren in die tijd nooit langer dan twee maanden.
In tegenstelling tot de ernstiger vormen van een depressie zijn er, naast de sombere stemming, bij de dysthyme stoornis veel minder bijkomende klachten. Van het grote aantal klachten dat zich bij een depressie voor kan doen, hoeven er slechts minimaal twee aanwezig te zijn. Naast uiteraard de depressieve stemming zijn dat een slechte eetlust (of juist te veel eten, vaak in aanvallen), geringe energie of vermoeidheid, slaapstoornissen of juist overmatige slaapbehoefte, gering gevoel van eigenwaarde, slechte concentratie of besluiteloosheid en ten slotte een gevoel van hulpeloosheid.
Dat de verschijnselen bij een dysthyme stoornis relatief licht zijn wil nog niet zeggen, dat patiënten niet lijden. Het lijden is juist zwaar, omdat er geen perioden zijn waarin ze zich echt goed voelen. Ze ondervinden verder behoorlijke beperkingen in het functioneren, zowel privé als op werk en andere gebieden. Ze voelen zich in het algemeen zeer ongelukkig. Het komt voor dat patiënten een geslaagde suïcidepoging doen.
Als oorzaak voor de dysthyme stoornis worden vaak psychogene factoren (bijvoorbeeld chronische lichamelijke ziekten of chronische psychische en sociale belasting) en/of neurotische factoren genoemd. Daarom werd deze vorm van depressie vroeger ook wel psychogene of neurotische depressie genoemd, hoewel het oude en het nieuwe begrip elkaar niet volledig overlappen.
Kort gezegd is een neurose een uiting van een onbewust psychisch conflict. Dit conflict veroorzaakt angst, die zich op verschillende manieren uit, onder meer in een nerveuze gespannenheid of in een depressieve stemming. De patiënt is zich er niet altijd van bewust waar precies de schoen wringt, het gaat immers om een onbewust psychisch conflict dat kan dateren uit de jeugd. Wellicht heeft hij door voortdurende kritiek van de ouders veel 'deuken' in het gevoel van eigenwaarde opgelopen. Of heeft hij al vroeg veel hevige teleurstellingen meegemaakt. Te denken valt hierbij aan het verlies op jonge leeftijd van vader of moeder, of bijvoorbeeld lichamelijk en/of seksueel geweld (incest). Als zich in de jeugd veel psychische schokken (trauma's) voorgedaan hebben, kan het karakter 'neurotisch' vervormd zijn geraakt. We spreken dan van een karakterneurose, of tegenwoordig liever van een persoonlijksheidskenmerk of persoonlijkheidsstoornis. Patiënten kunnen hier in sterke mate onder lijden. Er is dan sprake van een langdurige belasting, die aanleiding kan geven tot een chronische depressie.
Overigens kan bij een dysthyme stoornis nog een 'gewone' depressieve stoornis komen. We spreken dan van een depressie die gesuperponeerd (opgestapeld) is op de dysthyme stoornis. Dit wordt ook wel een dubbeldepressie genoemd.
Omdat zowel psychosociale als (karakter)neurotische factoren als de boosdoeners gezien worden bij het ontstaan van een dysthyme stoornis, werd voorheen psychotherapie als enige juiste behandeling beschouwd. De laatste jaren echter zijn er aanwijzingen dat het om een combinatie van oorzaken gaat, waarbij ook biologische (lichamelijke) factoren een rol kunnen spelen. Dat verklaart waarom ook medicijnen tegen depressies toegepast kunnen worden. Bij het gebruik van antidepressiva verdwijnt de dysthyme stoornis overigens niet volledig, maar kan de depressie als minder zwaar beleefd worden.

Bipolaire stoornis
Sommige mensen kennen zowel perioden van depressie als manische perioden met overmatige activiteit. Dit ziektebeeld is beter bekend als ‘manisch depressieve stoornis’. De DSM-IV gebruikt hiervoor de term bipolaire stoornis. Hierin komt tot uitdrukking dat het ziektebeeld gevormd wordt door twee tegenovergestelde polen: enerzijds een depressieve pool, anderzijds een manische pool.
Bij de manie is de stemming juist opgewekt en meestal zelfs veel te opgewekt (eufoor). We spreken van een ziekelijk opgewekte stemming. Alles wordt door een roze bril bekeken. De patiënt heeft een tomeloze energie, waardoor hij van alles onderneemt en het liefst ook allemaal tegelijk. Het lukt ook allemaal, althans in het begin. Hij kan zich zowel in financiële als in seksuele avonturen storten. Schulden worden probleemloos gemaakt. Slapen is er nauwelijks bij, hij vindt het zonde van de tijd. Iemand met een manie is moeilijk te volgen. De gedachtengang is niet logisch, maar chaotisch, zodat zo’n patiënt in een gesprek van de hak op de tak springt.
Iemand met een manie heeft niet in de gaten dat hij of zij drukker geworden is en onverantwoorde dingen doet. Als men probeert de manische patiënt dat duidelijk te maken of zelfs probeert hem wat af te remmen, kan hij geprikkeld of boos reageren. Iemand met een manie duldt geen tegenspraak zodat er snel ruzie kan ontstaan. Dit kan met plotselinge woedeuitbarstingen gepaard gaan.
De verschijnselen tijdens de depressieve episode van de bipolaire stoornis zijn dezelfde als die van de depressieve stoornis. Kenmerk is uiteraard dat er zich kortere of langere tijd tevoren of erna één of meer manische perioden hebben voorgedaan.

Aanpassingsstoornis
Wanneer iemand een nare of ingrijpende gebeurtenis meemaakt, kan hij of zij daardoor van slag raken. De gebeurtenis moet verwerkt worden en hij moet zich aan de nieuwe situatie aanpassen. Soms kan dit tijdelijk tot een wat sombere stemming aanleiding geven. En dat is eigenlijk normaal. Sommige mensen kunnen zich echter niet aanpassen en zakken weg in een wat langer durende depressieve periode. Dit wordt dan een aanpassingsstoornis met depressieve stemming genoemd. De stoornis staat daarom ook apart in het DSM-IV-systeem vermeld.

Rouwproces
Rouw is een normaal verschijnsel na het overlijden van een geliefd persoon. De rouwreactie is zelfs ‘gezond’ te noemen. Algemeen wordt aangenomen dat een normaal rouwproces onmisbaar is om het verlies te kunnen verwerken. Maar iedereen verwerkt het verlies op z’n eigen manier. De een wil er bijvoorbeeld wel veel over praten en de ander juist weer niet. Het eerste lijkt overigens vaak beter te zijn. Een rouwproces kan gemiddeld 6 tot 12 maandenduren of zelfs langer. De beleving van rouw en de lengte ervan kan overigens per cultuur aanzienlijk verschillen.
Er bestaat een essentieel verschil tussen rouw en een aanpassingsstoornis met depressieve stemming. Rouw een normaal verschijnsel is na bijvoorbeeld het overlijden van een geliefd persoon. De ernst van de sombere stemming en de duur ervan hebben een logisch verband met de ernst van het verlies dat iemand heeft geleden.
Bij de aanpassingsstoornis met depressieve stemming is dit niet het geval. Hier staat de ernst en de duur van de sombere stemming, en de invloed op het dagelijks functioneren niet in verhouding tot de ‘stressfactor’. De somberheid lijkt in verhouding tot de aanleiding overdreven ernstig.
Het rouwproces kan ook gecompliceerd verlopen, bijvoorbeeld wanneer het jaren in beslag gaat nemen. We spreken dan van pathologische rouw. Er heeft zich dan in de meeste gevallen tevens een depressie ontwikkeld en soms beginnen de problemen met een depressie, nog zonder rouw. Gevoelens omtrent de overledene worden verdrongen.
Rouwtherapie lijkt hier het aangewezen middel. In gesprekken zou dan moeten worden geprobeerd het rouwen op gang te brengen. Daarbij worden nog eens alle aspecten rond en na het overlijden met de therapeut doorgenomen.

Depressie door een lichamelijke aandoening
Wanneer de depressie wordt veroorzaakt door een stoornis, bijvoorbeeld in de hersenen, lever of schildklier, spreken we van een depressie door een lichamelijke aandoening. Hierbij verstoort de lichamelijke ziekte op een of andere ingewikkelde manier de hersenfunctie.
Een depressie met lichamelijke oorzaken is heel moeilijk te onderscheiden van een depressie die niet van organische oorsprong is. Dat geldt zeker wanneer iemand die last heeft van regelmatig terugkerende depressieve perioden, ook nog een lichamelijke ziekte krijgt. Hij wordt dan depressief, maar waar nu de oorzaak ligt, wordt niet duidelijk. In dit geval zal het zeer waarschijnlijk om een combinatie van factoren gaan.

Depressie veroorzaakt door middelen
Geneesmiddelen kunnen ook invloed hebben op de stemming. Medicijnen die hormonen bevatten en sommige medicijnen tegen hoge bloeddruk zijn de meest bekende voorbeelden. Wanneer iemand een depressie heeft, moet onderzocht worden of er medicijnen gebruikt worden die de stemming kunnen beïnvloeden. Het staken hiervan, indien mogelijk, doet de stemming dan weer vrij snel opklaren.
Het frequent gebruik en misbruik van alcohol, hasjiesj, amfetamine, cocaïne en andere drugs kan ook een depressie veroorzaken. Deze middelen geven, zoals bekend, in eerste instantie een stemmingsverbetering, maar na enige tijd ontstaat er een sombere stemming. Het verraderlijke is echter dat diezelfde middelen weer genomen worden om deze stemming teniet te doen. Zo is de vicieuze cirkel rond waarmee het verslavingsgedrag onderhouden wordt. Er moet dan ook altijd gevraagd worden naar verslavingen.




terug verder




Doorgaan met depressie


Doorgaan met depressie maakt het onderwerp 'depressie' toegankelijk voor een breed publiek. Het boek behandelt de laatste stand van zaken. Feiten worden aangevuld met vragen en de antwoorden erop. Verder bevat het heel veel voorbeelden en ervaringsverhalen.

Auteur(s) : Paul Wisman
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789491549007