Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Dr. J.W.F. Elte
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Diagnose en onderzoek

Diabetes mellitus type 1 (insuline-afhankelijk) is meestal gemakkelijk vast te stellen, omdat de symptomen in toenemende mate aanwezig zijn. Het bloedglucosegehalte is meestal sterk verhoogd en in de urine kan men (glucose en) aceton (ketonen) aantreffen.
Bij diabetes mellitus type 2 is het beloop gewoonlijk milder. Hoewel we ook hierbij dezelfde verschijnselen als bij type 1 diabetes kunnen zien, zijn ze minder ernstig. Vaak zijn dorst en veel plassen de enige klachten. Het bloedglucosegehalte is ook wat minder sterk verhoogd dan bij type 1 diabetes. Omdat de klachten zo mild kunnen zijn en zo traag tot ontwikkeling komen, kan het meer dan een jaar duren voordat de diagnose wordt gesteld. Het is dan ook mogelijk dat type 2 diabetes voor het eerst aan het licht komt door klachten die het gevolg zijn van de langetermijncomplicaties of een ernstige ontsporing (sterke verhoging van het bloedglucosegehalte, bijvoorbeeld tijdens een koortsende ziekte).

Bloedglucosemeting
Voor de definitieve vaststelling van de diagnose diabetes mellitus is het nodig om de hoeveelheid glucose in het bloed te meten. Hierbij is een eenmalige meting vaak niet voldoende.
Vroeger paste men voor het vaststellen van de diagnose diabetes de zogeheten glucosetolerantietest toe (GTT of suikerbelastingstest). Dat is een test waarbij wordt gekeken tot welke hoogte het glucosegehalte in het bloed stijgt na het drinken van een bepaalde hoeveelheid suikerwater. Vervolgens wordt dan elk half uur gekeken tot hoever het glucosegehalte weer is gedaald. Al met al duurt deze test ongeveer drie uur en wordt men gedurende die periode vier tot zes keer geprikt.
Omdat deze test niet altijd betrouwbaar is en onaangenaam is voor de patiënt, wordt hij weinig meer toegepast. In sommige klinieken wordt de test nog wel gebruikt om zwangerschapsdiabetes aan te tonen.
Voor het stellen van de diagnose wordt nu gewoonlijk volstaan met een eenmalige bloedafname. Dat kan een 'nuchtere' bloedglucosebepaling zijn ('nuchter' wil zeggen: 's morgens voordat men iets heeft gegeten of gedronken), of een bepaling uit bloed dat ongeveer twee uur na de maaltijd is afgenomen.
Het bloedmonster wordt meestal met behulp van een vingerprik verkregen. De bepaling vindt later plaats in het laboratorium of direct met behulp van een eenvoudige bloedglucosemeter. Om de diagnose definitief vast te stellen is het noodzakelijk dat minstens tweemaal een verhoogde bloedglucosewaarde aangetoond wordt.
Als het glucosegehalte in het bloed na de maaltijd tussen 7,8 en 11,1 mmol/l ligt, geeft dit aan dat het lichaam niet geheel normaal met een grote hoeveelheid glucose kan omgaan. Van diabetes mellitus mag in dit geval echter volgens de maatstaven van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) niet worden gesproken. We spreken in dit geval van een gestoorde glucosetolerantie. Slechts een deel van de mensen met een gestoorde glucosetolerantie krijgt uiteindelijk diabetes. Wel kan er dan al sprake zijn van een verhoogde neiging tot atherosclerose (aderverkalking).
De nieuwe glucosegrenswaarden voor de diagnose diabetes mellitus zijn vastgesteld door de Amerikaanse diabetesvereniging en de Wereld Gezondheids Organisatie. Een nieuwe categorie is toegevoegd, met name die waarbij de bloedglucosewaarden na de maaltijd normaal zijn, maar de nuchtere waarde tussen 5.6 en 6.1 ligt; men spreekt dan van gestoorde nuchtere glucose. De achtergrond hiervan is dat tot nu toe onontdekte diabeten dan eerder kunnen worden opgespoord. De keerzijde van de medaille is dat bij mensen die zich gezond voelen een ziekte wordt vastgesteld, wat ook consequenties kan hebben voor het afsluiten van verzekeringen (bijv. een levensverzekering).
Bij het vaststellen van zwangerschapsdiabetes gelden dezelfde criteria als bij de 'gewone' diabetes. Een duidelijk verschil is dat bij zwangerschapsdiabetes al tot behandeling zal worden overgegaan indien het bloedglucosegehalte (bij herhaling) hoger is dan 7 mmol/l (of als het nuchter 5,8 mmol/l of hoger is).
Het onderscheid tussen diabetes type 1 en type 2 wordt veelal gemaakt op basis van de eerste verschijnselen en soms ook op het latere beloop. Belangrijk is daarbij dat vooral bij type 1 aanzienlijke hoeveelheden ketonen (aceton) in de urine kunnen worden gevonden.




C-peptide
C-peptide (of connecting peptide) is een stof die in de alvleesklier vrijkomt bij de vorming van insuline. Het is, samen met het insuline, afkomstig van het pro-insuline dat door de alvleesklier wordt gemaakt. Zodra er insuline nodig is, deelt het pro-insuline zich in nagenoeg gelijke hoeveelheden insuline en C-peptide. Het C-peptide is daarom een goede maat voor de hoeveelheid nog door de alvleesklier geproduceerde insuline. Het meten van de hoeveelheid C-peptide in het bloed (de zgn. C-peptide spiegel) kan dus gebruikt worden om een onderscheid te maken tussen de twee typen diabetes.
Bepaling van de hoeveelheid C-peptide heeft overigens tijdens het begin van de ziekte slechts beperkte betekenis. In de eerste periode van de type 1 diabetes kan het C-peptide namelijk nog normaal aanwezig zijn. In het latere beloop van de diabetes kan het bepalen van de C-peptide spiegel soms wel zinvol zijn.

Aminozuurvolgorde van pro-insuline, dat zich opsplitst in insuline (met een A- en een B-keten) en C-peptide.



Laboratoriumonderzoek
Om het risico op langetermijncomplicaties zo veel mogelijk te beperken, moeten de bloedglucosewaarden zo veel mogelijk binnen de normale grenzen blijven. Daartoe is regelmatig bloedonderzoek noodzakelijk. In verband hiermee is om te beginnen het laboratoriumonderzoek van groot belang bij de begeleiding van een diabeet. Tegenwoordig is dat meer dan een simpele meting van het glucosegehalte van bloed en urine. Voor de begeleiding van diabetespatiënten beschikken we over diverse andere mogelijkheden.

Urine
Een onderzoek op de aanwezigheid van glucose in de urine is van weinig waarde. De mate waarin de nieren glucose doorlaten wisselt namelijk nogal. Het is zinvoller om de urine regelmatig te onderzoeken op de aanwezigheid van eiwit (1 x per 3 à 6 maanden). Dat is nodig om een begin van nierbeschadiging op te sporen. Tegenwoordig gebeurt dat met een gevoelige methode, waarmee al kleine hoeveelheden eiwit te meten zijn. Deze bepaling heet ‘microalbumine’.
Bij een acute ontregeling bij een type 1 patiënt in de zin van hoge bloedglucosewaarden is meting van aceton (ketonen) in de urine zinvol. Patiënten kunnen dit ook zelf doen. Hiervoor zijn speciale teststrookjes ontwikkeld, die men zelf in de urine kan dopen. Als er aceton in de urine zit, verandert het teststrookje van kleur.

Glucose dagcurves
Een dagcurve houdt in dat men meerdere malen per dag bloed afneemt en de bloedglucosewaarde bepaalt. Gewoonlijk gebeurt dat in ieder geval eenmaal nuchter (voor het ontbijt) en minimaal 2 maal na de maaltijd. Soms wordt er wel op 7 momenten per 24 uur een bloedglucosewaarde bepaald.
Het meten van het bloedglucosegehalte uit een ’s nachts afgenomen bloedmonster is niet zo belangrijk, omdat de waarde meestal goed af te leiden is van de waarden voor het slapen en bij het opstaan. Het moment waarop ’s nachts een hypo optreedt, is afhankelijk van het gebruikte insulineregime. Na een nachtelijke hypo is vooral de glucosewaarde in de loop van de ochtend vaak verhoogd. Bij een vier- of vijfmaal daags insulineregime zijn de bloedglucosewaarden voor de maaltijden en voor het slapen het belangrijkst, omdat daarop insulinedoseringen zonodig kunnen worden aangepast (de zogenoemde intensieve of flexibele insulinetherapie).
Het meten van de bloedglucosewaarden is een stuk eenvoudiger geworden sinds er methoden zijn waarmee patiënten zelf hun bloedglucosegehalte kunnen meten, al of niet met behulp van een glucosemeter.

HbA1c of geglyceerd hemoglobine
De bepaling van de hoeveelheid HbA1c is een indirecte methode om de gemiddelde bloedglucosewaarden over een langere periode (2 à 3 maanden) na te gaan. Het principe van de bepaling is gebaseerd op het gegeven dat suikerachtige stoffen zich hechten aan hemoglobine (de rode bloedkleurstof in de rode bloedcellen, die de zuurstof transporteren) en dit dus ‘glyceren’. Bij het bloedonderzoek wordt gemeten welk percentage van de totale hoeveelheid hemoglobine (Hb) is veranderd in geglyceerd hemoglobine (HbA1c). Omdat dit geglyceerde hemoglobine gemiddeld 6 à 8 weken in het bloed blijft, geeft het over die periode een indruk van het gemiddelde bloedglucosegehalte. De normale waarde is meestal 4 - 6 procent.

Fructosamine
Deze eiwitbepaling berust op hetzelfde principe als de bepaling van het HbA1c. Fructosamine is een eiwit in het bloed dat suikerachtige stoffen aan zich bindt. Omdat deze stof korter in het bloed blijft dan het HbA1c geeft het bepalen van de hoeveelheid fructosamine een idee van de bloedglucosewaarden van de laatste 2 à 3 weken.

Periodiek onderzoek
Zowel bij type 1 als bij type 2 diabeten zal eens per jaar een extra onderzoek worden gedaan. Wat betreft het laboratoriumonderzoek omvat dit in ieder geval meting van de nierfunctie. Dit gebeurt door het kreatininegehalte in het bloed te meten en te onderzoeken of zich in de urine kleine hoeveelheden eiwitten (microalbumine) bevinden. Verder wordt de hoeveelheid cholesterol en triglyceriden en ook het HDL- en LDL-cholesterol in het bloed gemeten. Soms wordt een urinekweek ingezet. Dat is een onderzoek waarbij – in verband met de gevoeligheid voor infecties van de urinewegen – gekeken wordt of zich in de urine bacteriën bevinden en om welk type bacterie het dan gaat. Daarnaast wordt meestal een hartfilm (ECG) gemaakt en kijkt de oogarts of er sprake is van retinopathie (netvliesafwijkingen).




terug verder




Diabetes en nu?



Auteur(s) : Dr. Jan Willem Elte, dr. Lioe-Ting Dijkhorst
Prijs : € 16,95
ISBN : 9789491549779

Zin in lekker eten


Hoe eet u gezond met diabetes? Daarover bestaan uiteenlopende adviezen. Dit kookboek is gebaseerd op actuele kennis uit betrouwbaar onderzoek, speciaal voor mensen met diabetes die zo gezond mogelijk willen blijven. Met de recepten uit dit boek zet u heerlijke gerechten op tafel waar iedereen van geniet. Behalve vele recepten vindt u ook persoonlijke ervaringen en tips. Met een woord vooraf en twee recepten van chef-kok Christopher Naylor van sterrenrestaurant Vermeer in Amsterdam.

Auteur(s) : Diabetes Fonds
Prijs : € 22,50
ISBN : 978949154964