Auteur:
Dr. J.W.F. Elte
 
http://www.zijvanboven.nl
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Wat is diabetes mellitus?

Diabetes mellitus of suikerziekte is een van de meest voorkomende aandoeningen en wordt gekenmerkt door een te hoog bloedglucose(suiker)gehalte. In 1997 leed ca. 2,1% van de wereldbevolking aan diabetes, dat waren toen ca. 123 miljoen mensen: 13 miljoen in Noord-Amerika, 13 miljoen in Latijns-Amerika, 22 miljoen in Europa, 8 miljoen in Afrika, 66 miljoen in Azië en 1 miljoen in Oceanië. In 97% van de gevallen ging het daarbij om diabetes type 2.
In Nederland zijn er naar schatting meer dan 600.000 mensen met diabetes en waarschijnlijk zijn het er nog veel meer, omdat bij veel mensen de klachten zo gering (of afwezig) zijn, dat bij hen de diagnose (nog) niet is gesteld. Uit recent verricht bevolkingsonderzoek in Nederland blijkt dat boven de leeftijd van 55 jaar het aantal diabetici waarbij geen diagnose is gesteld ongeveer even groot is als het bekende aantal diabetici. Het voorkomen van de ziekte neemt met de leeftijd toe. Boven de 45 jaar is de toename zelfs vrij sterk. Volgens recente cijfers heeft 11,3% van de Nederlandse bevolking boven de 55 jaar diabetes type 2. De verwachting is dat het aantal mensen met diabetes in de komende jaren nog flink zal toenemen, onder andere omdat het aantal ouderen onder de bevolking nog steeds toeneemt. Per jaar komen er waarschijnlijk meer dan 60.000 type 2 diabeten bij.

Geschat aantal mensen met diabetes mellitus in 2005 vergeleken met 1980. De schattingen zijn gedaan in 1990 en zijn aan de lage kant.



Diabetes mellitus betekent letterlijk ‘honingzoete doorstroming’. De naam is ontleend aan één van de belangrijkste verschijnselen bij diabetes, namelijk de productie van grote hoeveelheden zoete urine. Dit is het gevolg van een te hoge concentratie van glucose in het bloed. Bij de gezonde mens zit er geen glucose in de urine, de nieren laten namelijk bij een normaal bloedglucosegehalte geen glucose in de urine door. Als de concentratie glucose in het bloed echter boven een bepaalde waarde uitstijgt, zijn de nieren niet meer in staat om alle glucose tegen te houden en komt een deel ervan in de urine terecht. Omdat glucose water bindt, neemt tegelijk de hoeveelheid (zoete) urine toe. De bloedglucoseconcentratie waarboven glucose in de urine komt, is ongeveer 10 mmol/l, maar verschilt per persoon en soms zelfs bij één persoon op verschillende tijdstippen. Het meten van het glucosegehalte in de urine is daarom van beperkte waarde; als er in de urine géén glucose zit, kan het bloedglucosegehalte toch al wat te hoog zijn.

Iedereen heeft glucose in het bloed
Glucose is in de cellen van de weefsels nodig voor de vorming van energie. Bij iedereen bevindt zich daarom een bepaalde hoeveelheid glucose in het bloed, zodat het over het hele lichaam verspreid kan worden. Insuline zorgt ervoor dat de glucose de lichaamscellen in kan komen en dat een eventueel (tijdelijk) teveel aan glucose elders wordt opgeslagen.
De bloedglucoseconcentratie in het bloed varieert bij gezonden tussen nauwe grenzen (3 - 8 mmol/l). Dat komt doordat de alvleesklier extra insuline maakt als het glucosegehalte van het bloed stijgt, zoals na een maaltijd, een drankje of een snack.

Overzicht van de processen die het glucosegehalte van het bloed beïnvloeden:
Glucose uit de voeding (1) wordt in de wand van het maagdarmkanaal uit de voeding opgenomen en komt dan in het bloed (2) terecht. Zo kan het naar de weefsels worden vervoerd, waar het via de verbranding wordt omgezet in energie (3). Als er méér glucose binnenkomt dan er op dat moment nodig is, wordt het teveel aan glucose in de vorm van glycogeen opgeslagen in de lever (4). Als het glucosegehalte in het bloed te laag dreigt te worden, kan deze voorraad weer worden omgezet in glucose (5). Bij het handhaven van een normaal glucosegehalte van het bloed speelt insuline uit het pancreas (de alvleesklier) een sleutelrol. Insuline verlaagt het glucosegehalte van het bloed doordat het de opname van glucose door de weefsels (3) en de opslag van glucose in de lever stimuleert (4). Glucagon, de tegenpool van insuline, verhoogt het bloedglucosegehalte, door de vorming van glucose uit glycogeen in de lever te stimuleren (5). Vrije vetzuren uit het vetweefsel verminderen de gevoeligheid voor insuline en verminderen de insulinevorming in het pancreas.


Glucose komt uit de voeding
De glucose die ons lichaam nodig heeft, komt uit de voeding (die voornamelijk bestaat uit koolhydraten, eiwitten en vetten). Om deze voedingsstoffen te kunnen gebruiken, worden ze in het lichaam meestal verwerkt (afgebroken) tot kleinere bestanddelen. Glucose is het kleinste koolhydraat. Andere namen voor glucose zijn bloedsuiker, druivensuiker of dextrose.
Brood, aardappelen en rijst bestaan voornamelijk uit koolhydraten, evenals allerlei zoete voedingsmiddelen, zoals jam, koek,
chocolade en natuurlijk ook suiker. De koolhydraatrijke voedingsmiddelen die we eten worden in de darmen verteerd (afgebroken) tot onder meer glucose. Enkelvoudige koolhydraten, zoals kristalsuiker, geven geen snellere bloedglucosestijging dan de diverse andere koolhydraten. Wel levert het extra calorieën zonder verdere nuttige voedingsstoffen. Het hoeft, ook in ‘onverpakte’ vorm, niet te worden vermeden.

Na de maaltijd meer glucose
Glucose wordt door de cellen in de darmwand opgenomen en afgegeven aan het bloed. Vlak na een maaltijd is het aanbod van glucose aan het bloed groot, veel meer dan het lichaam op dat moment voor de verbranding (energielevering) nodig heeft. Om te zorgen dat het bloedglucosegehalte na een maaltijd niet te snel stijgt, zal het teveel tijdelijk opgeslagen moeten worden. Daarvoor heeft het lichaam insuline nodig. Het teveel aan glucose kan dan op een later moment, wanneer het bloedglucosegehalte te ver zou dalen, weer in het bloed worden teruggebracht.

Uniek systeem
De hoeveelheid glucose die in het bloed voor onmiddellijk gebruik beschikbaar is, wordt op zeer zorgvuldige manier geregeld. Na de maaltijd stijgt het bloedglucosegehalte dan ook maar een klein beetje. Het teveel aan glucose, dat via de darmwand binnenkomt, wordt zo snel in de lever en de spiercellen opgenomen, dat het bloedglucosegehalte snel weer normaal wordt. Dit gebeurt door een ingenieus regelsysteem dat voornamelijk gebaseerd is op de vorming van insuline.

Insuline regelt glucosegehalte bloed
Insuline is een hormoon dat in de alvleesklier (het pancreas) wordt gemaakt, om precies te zijn in de Eilandjes van Langerhans en wel in de zogenoemde bètacellen. Er zijn nog diverse andere hormonen die de hoogte van de bloedglucosewaarde bepalen, maar insuline is de belangrijkste. Het insulinemolecuul ontstaat uit het z.g.n. pro-insuline dat opgesplitst wordt in insuline en C-peptide. Bij een niet-diabeet produceert de alvleesklier ongeveer 25 eenheden (EH) insuline per 24 uur.
Insuline zorgt ervoor dat het teveel aan glucose wordt opgeslagen in de lever en spiercellen; die opslag gebeurt in de vorm van glycogeen. Met behulp van een ander hormoon, dat ook in de alvleesklier wordt gemaakt en dat glucagon heet, kan de in glycogeen opgeslagen glucose weer in het bloed worden gebracht. Dit gebeurt als er in het bloed een tekort aan glucose dreigt te ontstaan. Het glycogeen in met name de lever blijft daar gedurende acht tot tien uur beschikbaar. Als de voorraad niet binnen die tijd gebruikt wordt, zal het langzaam worden omgezet in vet.


Diabetes: het systeem werkt niet
Bij diabetes is er sprake van een stoornis in de regulatie van het glucosegehalte van het bloed en van het transport van glucose vanuit het bloed naar de weefselcellen. Dit wordt veroorzaakt door onvoldoende insulineproductie en/of door onvoldoende werkzaamheid van de beschikbare insuline. Dit leidt tot een verhoogd glucosegehalte van het bloed.

Overzicht van de veranderingen die zich bij diabetes voordoen:
Bij insulinetekort (diabetes mellitus) stijgt de bloedglucosewaarde doordat er minder glucose uit de voeding in de lever kan worden opgeslagen (6) en er meer glucose wordt gevormd uit andere stoffen (glucose nieuwvorming - 7). Een deel van dit teveel aan glucose komt in de urine terecht (8). Ook kan het glucose als gevolg van het insulinetekort minder goed de lichaamsweefsels (cellen) inkomen (9). Bij een groot tekort aan insuline moeten de weefsels in dat geval, ondanks de grote hoeveelheid glucose in het bloed, voor hun energieopwekking ook vetten en eiwitten gaan verbranden. De vetverbranding heeft o.a. tot gevolg dat er ketonen (aceton) in de urine komen (10). De werking van insuline is minder goed als er veel vetweefsel in het lichaam aanwezig is, met name rond de darmen. De uit het vetweefsel gevormde vrije vetzuren zorgen voor een mindere gevoeligheid voor insuline, de zgn. insulineresistentie en bevorderen waarschijnlijk het ontstaan van atherosclerose.


Als er een tekort aan insuline is, zal het bloedglucosegehalte stijgen. Daar zijn drie oorzaken voor.
Allereerst zal het teveel aan glucose dat na een maaltijd in het bloed terechtkomt, in onvoldoende mate als glycogeen opgeslagen kunnen worden. In de tweede plaats zal het glucose in het bloed niet goed de weefselcellen kunnen binnendringen. En in de derde plaats wordt er bij een tekort aan insuline met behulp van een ander hormoon extra glucose gemaakt uit andere stoffen, zoals eiwitten.
Omdat het glucosegehalte in het bloed zo hoog is, zal via de nieren glucose in de urine terechtkomen.




verder




Diabetes en nu


Diabetes mellitus, ook bekend als 'suikerziekte', is in Nederland een van de meest voorkomende aandoeningen. Bekend is dat meer dan 800.000 mensen met diabetes kampen. In dit boek staat alle belangrijke informatie over deze aandoening.

Auteur(s) : dr. J.W. Elte
Prijs : € 16,95
ISBN : 9789021551142