|
|
Zelfcontrole en zelfregulatie In het streven zo normaal mogelijke bloedglucosewaarden (normoglycemie) te bereiken, blijken zelfcontrole en zelfregulatie belangrijke hulpmiddelen te zijn. Onder zelfcontrole verstaan we het zelf prikken van bloed uit de vinger en het meten van de bloedglucosewaarden. Zelfregulatie is het reguleren van het bloedglucosegehalte door middel van een zelf aangepaste dosis insuline. Bloedglucosemeters voor zelfcontrole Er zijn handige apparaatjes voor het vrijwel pijnloos bloed prikken. De druppel bloed die uit de vingertop komt, brengt men in contact met het uiteinde van een speciaal stripje dat de druppel bloed opzuigt. Vervolgens wordt het stripje in de glucosemeter geschoven, waar het glucosegehalte wordt gemeten. Er zijn diverse glucosemeters, die – mits goed gebruikt – betrouwbare waarden opleveren. Steeds vaker worden de glucosemeters door de ziektekostenverzekering vergoed. De stripjes die men erbij nodig heeft, worden vergoed, tenminste als de diabeet insuline spuit. Diabeten die tabletten gebruiken, krijgen de strips niet vergoed. Veel internisten en ook de Diabetesvereniging Nederland (DVN) vinden het onjuist dat diabeten die tabletten gebruiken hun strips zelf moeten betalen, maar hun pleidooien voor vergoeding hebben helaas nog niets kunnen veranderen. Gelukkig zijn de meters redelijk betaalbaar geworden, de strips zijn daarentegen nog vrij duur. Zelfcontrole op elk gewenst moment mogelijk Zelfcontrole heeft zin omdat het goed is om direct te weten hoe hoog je bloedglucosegehalte is, zowel onder normale als onder afwijkende omstandigheden. Een voordeel is ook dat op afwijkende tijdstippen bloed geprikt kan worden. Nog eenvoudiger en minder onprettig wordt het zelf controleren als het naaldloos prikken beschikbaar komt. Dit is helaas de komende jaren nog niet te verwachten. Urinecontrole (met behulp van speciale teststrookjes) heeft alleen zin als er sprake is van hoge bloedglucosewaarden. Men meet dan of er aceton (ketonen) in de urine aanwezig zijn. Dit is een maat voor de ernst van de ontregeling. Ook zelfregulatie Op de lange duur is zelfcontrole alleen nuttig als ook aan zelfregulatie wordt gedaan. Hiermee wordt bedoeld dat de diabeet aan de hand van de gemeten bloedglucosewaarden zelf de dosis insuline aanpast als de bloedglucosewaarden te hoog of te laag zijn. Dit wordt vooral gedaan door diabeten die viermaal daags of vaker spuiten. Zelfcontrole en zelfregulatie zijn echter ook mogelijk voor diabeten die tweemaal daags insuline spuiten. Zij kunnen zo leren hoe ze met kortwerkende insuline kunnen corrigeren door de doses aan te passen aan de situatie van dat moment. Dit gebeurt niet alleen bij een afwijkende bloedglucosewaarde, maar ook als veel vroeger of later dan normaal wordt gegeten of als de maaltijd heel anders is samengesteld. Het is daarbij zeer belangrijk dat na de verandering opnieuw de bloedglucosewaarde wordt gemeten, om te kunnen beoordelen of de aanpassing van de insulinedosis wel juist was. Zelfcontrole en zelfregulatie moeten worden geleerd Natuurlijk gaan zelfcontrole en zelfregulatie niet zomaar vanzelf. Het moet zorgvuldig worden aangeleerd en dat gebeurt meestal met hulp van de diabetesverpleegkundige of een verpleegkundige van de kruisvereniging. Deze verpleegkundigen zijn speciaal opgeleid om diabeten te instrueren en te begeleiden. Ook verenigingen als de DVN (Diabetesvereniging Nederland) geven cursussen en scholingsavonden en organiseren bijeenkomsten om de diabeet te leren zo goed en flexibel mogelijk met zijn diabetes om te gaan. Ook partners en huisgenoten worden vaak hierbij betrokken. Zo wordt de diabeet een beetje zijn eigen dokter en kan hij inspelen op alle omstandigheden om de bloedglucosewaarden zo normaal mogelijk te houden en langetermijncomplicaties zo veel mogelijk uit te stellen of te voorkomen. Regelmatige controles bij de arts (en diabetesverpleegkundige) blijven daarbij echter een must. Medische begeleiding De begeleiding van een diabeet ligt in handen van de huisarts en de internist, bij kinderen doet de kinderarts de begeleiding. Daarnaast wordt een aantal andere begeleiders ingeschakeld, zoals de diabetesverpleegkundige, de gespecialiseerde wijkverpleegkundige, de diëtist en de podotherapeut. De begeleiding wordt het best gegeven in teamverband, waarin soms ook nog andere hulpverleners deelnemen. Type 2 diabeten worden, indien alleen een voedingsadvies of tabletten zijn voorgeschreven, meestal door de huisarts gecontroleerd. Controles vinden ongeveer plaats zoals bij type 1, maar daarbij kan soms met een enkele bloedglucosemeting voor het ontbijt worden volstaan. De huisartsen hebben voor de begeleiding van type 2 patiënten een vaste richtlijn ontwikkeld, waarin vastgelegd is welk onderzoek plaats moet vinden en hoe vaak per jaar dit noodzakelijk is. Via de kruisverenigingen (de 'wijkverpleging') heeft de huisarts de beschikking over in diabetes gespecialiseerde verpleegkundigen en diëtisten, die voorlichting kunnen geven. Soms wordt deze hulp verleend via huisartsenlaboratoria, die vaak ook het bloed- en urineonderzoek op zich nemen. Zodra type 2 patiënten insuline moeten gaan spuiten, komen ze soms bij de specialist terecht waarna de begeleiding plaatsvindt zoals hiervoor beschreven voor type 1 diabeten. Tegenwoordig nemen huisartsen de overschakeling op insuline vaak zelf ter hand, voorzover dat een een- of tweemaal daags insulineregime betreft. Patiënten met zwangerschapsdiabetes komen gewoonlijk via de verloskundige of de gynaecoloog bij de internist terecht. De begeleiding vindt ook hier samen met diabetesverpleegkundige en diëtist plaats en is erop gericht de bloedglucosewaarden zo veel mogelijk onder de 7 Mmol/l te houden (al dan niet met behulp van insuline). Men probeert hypo's en aceton (ketonen) in de urine te vermijden. Naast de frequent uit te voeren glucose dagcurves worden regelmatig fructosamine en (minder vaak) het percentage HbA1c bepaald. Controles vinden in het begin om de 4 weken, later om de 2 weken en uiteindelijk elke week plaats. Op complicaties hoeft in dit geval niet zo zeer te worden gelet (de diabetes is nog maar net ontdekt). Omdat de regulatie in de zwangerschap zeer strikt moet zijn, worden ook vaak bloedglucoses gemeten na de maaltijden. Bij de bevalling is er sprake van een zeer nauwkeurige begeleiding door diabetesverpleegkundige, internist, gynaecoloog en kinderarts. Patiënten die al diabetes hadden voordat ze zwanger werden, worden zo mogelijk nog preciezer begeleid. Het nauwkeurig instellen van de diabetes dient in dat geval bij voorkeur te beginnen vanaf het moment dat de vrouw zwanger wil worden (dus vóór de bevruchting!). Vóór een eventuele zwangerschap moet ook goed gekeken worden of er complicaties zijn van de ogen en de nieren, maar deze zijn zelden een reden om niet zwanger te worden. Als er afwijkingen zijn, moeten deze tijdens de zwangerschap worden gecontroleerd. Soms kunnen ze in die periode (tijdelijk) verslechteren. Sommige oogafwijkingen moeten voor de zwangerschap worden behandeld. Baby's die geboren zijn na een diabetische zwangerschap zijn vaak te zwaar, ook als de regulatie goed was. Alhoewel complicaties iets vaker optreden dan bij niet-diabeten is dit veel minder dan vroeger het geval was. Ook de kans op diabetes in het latere leven van deze kinderen is maar beperkt verhoogd. |
Meten is weten Diabetes mellitus, ook bekend als 'suikerziekte', is in Nederland een van de meest voorkomende aandoeningen. Bekend is dat meer dan 800.000 mensen met diabetes kampen. In dit boek staat alle belangrijke informatie over deze aandoening. Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule.Het diabetes dieet Lekker blijven eten ook al moet je op je gewicht letten omdat je diabetes hebt. Dat kan allemaal met Het diabetes dieet. Gezond eten met diabetes Ook mensen met diabetes genieten graag van de lekkerste gerechten. Gezond eten met diabetes staat vol recepten om je hier een handje bij te helpen.
|







