Inloggen
> registreren
lettergrootte: A  A  A
Psychologische verklaringen

Bijna ontelbaar is het aantal psychologische verklaringen van anorexia nervosa en boulimia nervosa. De meeste psychologen zien de eetstoornis als een individueel probleem, gekoppeld aan de persoon van de patiënte. De verschillende verklaringen zijn vaak gebaseerd op overeenkomsten met andere problemen, die dan als kapstok worden gebruikt om de eetstoornis aan op te hangen: angst, depressie, verslaving of trauma. In andere gevallen dient een toonaangevende theorie als leidraad voor een verklaring, zoals de ontwikkelingstheorie, de cognitieve leertheorie of de gezinstheorie.

Angstmodel
De centrale 'motor' van anorexia nervosa en boulimia nervosa is de angst dik te zijn of dik te worden. Deze angst neemt zulke proporties aan dat hij vergeleken kan worden met een fobie, waarbij de patiënten hun leven zo organiseren, dat ze op allerlei manieren proberen hieraan te ontsnappen. De aanhoudende vermagering wordt dan gezien als het belangrijkste vermijdingsgedrag bij een gewichtsfobie. Het braken of het gebruik van laxeermiddelen bij boulimia nervosa heeft dezelfde functie. Door de grote angst voor gewichtstoename zijn veel patiënten slechts in staat tot eetbuien als ze daarna ook de gelegenheid hebben om te braken (of te laxeren).
Volgens een soortgelijk angstmodel kun je de vergelijking maken met een dwangstoornis. Iemand met smetvrees bijvoorbeeld voelt zich gedwongen heel vaak zijn handen te wassen om tot rust te komen, en geleidelijk wordt dit een soort gewoonteritueel. Bij anorexia nervosa en boulimia nervosa kan het eten of het braken na verloop van tijd ook tot zo'n geritualiseerd gedrag uitgroeien. Het lijken automatische handelwijzen, waartegen de patiënten zich met hun bewuste wil niet meer kunnen verzetten, omdat de daaruit voortvloeiende angst en spanning te groot zijn.

Depressiemodel
Bij de bespreking van de kenmerken en diagnose van eetstoornissen wezen we erop dat een wisselvallige stemming vaak als bijverschijnsel kan optreden, vooral bij boulimia nervosa. Deze patiënten kennen vaak perioden van depressiviteit en in hun families blijken depressies vaker voor te komen dan bij de gemiddelde mens. Bovendien bewerkstelligen antidepressieve medicijnen bij veel patiënten een verbetering, zowel in de stemming als in de frequentie van de eetbuien (dit komt verder ter sprake in het hoofdstuk over behandeling met medicijnen). Maar een mogelijk gunstig effect van antidepressiva op het eetgedrag is niet direct afhankelijk van het al dan niet aanwezig zijn van depressietekens. Verder hebben de eerder vermelde vermageringsexperimenten bij gezonde vrouwen aangetoond dat zowel een (te snelle) vermagering als een eenzijdige voeding al een neiging tot neerslachtigheid kunnen veroorzaken. Kortom, het verband tussen eetgedrag en stemming is te complex om een eetstoornis zonder meer als een vorm van stemmingsstoornis te beschouwen.

Verslavingsmodel
Van anorexiapatiënten kun je zeggen dat ze verslaafd zijn aan het lijnen en veel boulimiepatiënten spreken van een eetverslaving. We wezen er al op dat velen ook diverse stoornissen in de impulsbeheersing en een neiging tot misbruik van alcohol en/of drugs kunnen vertonen. Net als verslaafden ervaren ze een onbedwingbare drang tot eten en zouden ze alles doen om aan het nodige voedsel te komen. Zoals de alcoholist blind lijkt te zijn voor de gevolgen, blijven 'eetverslaafden' doorgaan met eetbuien en braken of laxeren, ondanks de gevaren die dit oplevert voor de gezondheid. Als ze niet op tijd aan de eetdrang kunnen toegeven, worden ze zo gespannen, prikkelbaar of zelfs agressief dat het haast lijkt of ze ontwenningsverschijnselen vertonen. De eetbui heeft dan een kalmerend effect of wordt als een 'kick' ervaren, ook al volgt daarna de 'kater'.
Het optreden van eetbuien kun je ook zien als een vorm van aangeleerd of geconditioneerd gedrag: in bepaalde omstandigheden (bijv. eenzaamheid, spanning of depressiviteit) of zodra men in aanraking komt met bepaalde prikkels (vooral ruiken, zien en proeven van voedsel), grijpt men 'automatisch' naar eten, zonder erbij na te denken. Wanneer men zichzelf op een dieet heeft gezet, zou de gevoeligheid voor deze prikkels juist toenemen. Dat eetbuien bijna steeds optreden na een periode van lijnen, zou hiermee te maken kunnen hebben.
De patiënten moeten dus leren meer zelfcontrole te krijgen en een betere beheersing van hun eetgedrag. Zowel voor preventie als therapie geldt dit als een belangrijke opdracht (zie verder het hoofdstuk 'Behandelingen').

Traumamodel
Boulimiapatiënten beschrijven hun eetbuien vaak als iets dat 'buiten henzelf' lijkt te gebeuren, alsof 'een vreemde kracht' hen ertoe drijft. Sommigen zeggen zelfs op het moment van een eetbui geen echt besef van hun handelingen te hebben en pas daarna tot de pijnlijke vaststelling ervan te komen, alsof ze ontwaken uit een soort schemertoestand. Deze ervaringen noemt men dissociatieve verschijnselen: een deel van het bewustzijn is tijdelijk afgesplitst of ontkoppeld en stuurt het gedrag op een manier die geheel aan de controle van de rest van het bewustzijn ontsnapt. Dergelijke dissociatieve ervaringen van zelfvervreemding (depersonalisatie), droomtoestand (trance) of gedeeltelijke geheugenuitval (psychogene amnesie) blijken veel voor te komen bij mensen die op jonge leeftijd een ernstige psychische traumatisering hebben doorgemaakt, met name fysiek geweld en/of seksueel misbruik. Dissociëren kun je dan opvatten als een mentaal vermijdings- of ontsnappingsgedrag. Door het bewustzijn gedeeltelijk uit te schakelen, beleven slachtoffers de pijnlijke ervaring alsof ze er niet echt bij zijn.
Intussen is bekend hoe vaak vooral vrouwen met allerlei psychische stoornissen in hun leven te maken hebben gehad met seksueel en/of fysiek misbruik. Dit zou ook vaak het geval zijn bij mensen met eetstoornissen en met name bij boulimia nervosa: men schat bij een op de vier patiënten. Juist deze groep blijkt opvallende dissociatieve ervaringen te rapporteren. Een bijkomende aanwijzing is hun grotere ontvankelijkheid voor hypnose, wat in feite een soort kunstmatige trance of dissociatie opwekt. De boulimie kan in dergelijke gevallen begrepen worden als een gedrag onder commando van een afgesplitst deel van het bewustzijn. Daarnaast speelt de afkeer van het eigen lichaam een belangrijke rol. Als gevolg van het seksueel misbruik voelt men zichzelf bijvoorbeeld 'vies' of 'walgelijk'.

Ontwikkelingstheorie
Als je de eetstoornis plaatst tegen de achtergrond van de persoonlijke ontwikkeling, dan kunnen bepaalde facetten van de eetstoornis beschouwd worden als een herhaling of heropleving van conflicten uit de kindertijd (de psychoanalyse hecht hieraan veel belang). Honger is de eerste basisbehoefte die een kind door eten bevredigd krijgt. Het niet-eten kan een eerste teken van onlust of verzet zijn. In beide gevallen staat meestal de moeder-kindrelatie centraal.
Wanneer een meisje in de puberteit de biologische verandering doormaakt van kind tot vrouw en in het zoeken naar een identiteit een eigen leven los van de ouders wil opbouwen, dan leidt dit onvermijdelijk tot spanningen en conflicten. Als zij niet heeft geleerd hiermee om te gaan, of wanneer het gezinsleven deze ontwikkeling belemmert, dan kan dit leiden tot onzekerheid, twijfel aan zichzelf, minderwaardigheidsgevoelens en andere uitingen van een gebrek aan eigenwaarde.
De angst voor de volwassenheid kan er dan toe leiden dat men liever 'kind' wil blijven, omdat dat veiligheid biedt. De anorexiapatiënte brengt door de vermagering de eigen groei tot stilstand, zowel lichamelijk als psychisch. Anderzijds kan het niet-eten een vorm van protest zijn of een manier om aandacht te vragen, niet zelden ook gericht op de ('afwezige') vader. Bij boulimie lijkt de patiënte door te eten aan de frustraties te willen ontsnappen, of voedsel nog als enige bron van bevrediging te gebruiken.

Cognitieve leertheorie
Door opvoeding, door het systeem van straffen en belonen, en door anderen te imiteren, worden vele gedragingen aangeleerd. Daarbij spelen allerlei 'cognities' een sturende rol: gedachten, opvattingen en interpretaties ten aanzien van de eigen persoon en de werkelijkheid in het algemeen.
Volgens het cognitieve model vindt de ontwikkeling van een eetstoornis haar oorsprong in zogenaamde irrationele ideeën over voeding, lichaam en gewicht. Deze opvattingen zijn niet gebaseerd op logische redenering en worden niet getoetst aan de 'redelijkheid' of het 'gezond verstand'.
Anorexia- en boulimiepatiënten vertonen vaak een typische manier van denken die hun levenswijze domineert: ze stellen hoge eisen aan zichzelf (perfectionisme), menen snel te zullen mislukken (negatief zelfbeeld) en kunnen moeilijk relativeren (ze redeneren in de trant van alles-of-niets en denken zwart-wit). Het gewicht of de lichaamsomvang krijgt zo'n centrale betekenis in hun leven, dat elke zelfbeoordeling - in het bijzonder het gevoel van succes, dan wel van mislukking - hiervan afhankelijk wordt gemaakt. Een extreme en vooral pessimistische toekomstvisie krijgt de overhand. Zo denkt de anorexiapatiënte dat ze alleen maar 'gelukkig' kan zijn zolang haar gewicht door voldoende zelfbeheersing laag genoeg blijft. De boulimiepatiënte streeft dit ook na, maar zij slaagt er niet of slechts kortstondig in zich aan strenge dieetregels te houden. Heeft ze deze eenmaal overtreden, dan laat ze eerst alle remmen los ('ik heb het nu toch verpest, dus kan ik me net zo goed laten gaan'), maar wil kort daarna alles weer onder controle krijgen (braken, laxeren, vasten).

Gezinstheorie
In de eerder besproken opvattingen kwamen al herhaaldelijk de rol van de opvoeding en het gezinsleven ter sprake. Bepaalde psychiaters en psychologen gaan uit van het idee dat elke psychische klacht of stoornis bij een individu slechts begrepen kan worden als 'symptoom' van gestoorde verhoudingen in het gezin. Onopgeloste conflicten of gebrekkige communicatie tussen de gezinsleden zouden dan tot uiting komen in klachten of problemen bij een kwetsbaar of gevoelig gezinslid. De betekenis van de 'hongerstaking' bij anorexia nervosa bijvoorbeeld (rebellie of aandacht trekken) wijst in die richting.
Lange tijd hebben hulpverleners en onderzoekers zich beziggehouden met de vraag of er typische gezinskenmerken bestaan die aan het ontstaan van een eetstoornis ten grondslag kunnen liggen. Intussen is bekend dat het 'anorexiagezin' of het 'boulimiegezin' niet bestaat. Wel is de kans op de ontwikkeling van een eetstoornis in een bepaald gezin groter als daarin de volgende karakteristieken voorkomen:
- een eetstoornis, zwaarlijvigheid, depressie of verslaving bij een van de ouders;
- onopgeloste of verborgen relatieproblemen bij de ouders;
- een opvoeding die de nadruk legt op prestaties en succes;
- een te sterke binding van het kind aan één ouder en grote afstandelijkheid tegenover de andere ouder;
- conflictvermijding en gebrek aan open communicatie.

De interpretatie van resultaten uit gezinsonderzoeken stuit overigens op het probleem dat het gezin pas bestudeerd wordt vanaf het moment dat er hulp wordt gezocht voor een bestaande anorexia nervosa of boulimia nervosa. Onbeantwoord blijft dan de vraag of de gevonden kenmerken oorzaak dan wel gevolg zijn van de eetstoornis.



terug verder




Door dik en dun

Anorexia en boulimia zijn twee nauw verwante aandoeningen die meestal worden veroorzaakt door de angst om te dik te zijn of te worden. Deze angst neemt dan dusdanige proporties aan dat hij vergeleken kan worden met een
fobie die in toenemende mate het leven van de patiënt beheerst. Dit boek is geschreven voor mensen die lijden aan een van deze aandoeningen en die zichzelf beter willen leren kennen en begrijpen.

Auteur(s) : Prof. dr. Walter Vandereycken
Prijs : € 17,95
ISBN : 9789066119444

Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule.