Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Drs. Martijn Engelsman
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Behandeling

Iemand met aanvallen gaat in eerste instantie naar de huisarts: de eerstelijns gezondheidszorg. Vermoedt de huisarts epilepsie, dan stuurt hij de persoon door naar een specialist in het ziekenhuis (de tweedelijns gezondheidszorg). Afhankelijk van de leeftijd is dit een neuroloog of een kinderarts.
Meestal kan iemand met epilepsie in de tweedelijns gezondheidszorg uitstekend worden onderzocht en behandeld. Mocht dit niet zo zijn en leidt de behandeling niet tot het gewenste resultaat, dan kan de patiënt doorverwezen worden naar een academisch ziekenhuis of een epilepsiecentrum: de derdelijns gezondheidszorg. De specialist in het ziekenhuis of de huisarts kunnen die verwijzing regelen.
Het betreft meestal personen die niet aanvalsvrij zijn geworden. Ook komt het regelmatig voor dat er psychosociale problemen zijn ontstaan door de epilepsie en dat verwijzing daarom wenselijk is.
Iemand heeft zelf een belangrijke stem in doorverwijzing. Hij moet zelf aangeven of de behandeling aan de verwachtingen voldoet.

Epilepsiecentra
In de epilepsiecentra wordt in teamverband multidisciplinair gewerkt. Dat wil zeggen dat (kinder)neuroloog, psycholoog, pedagoog, maatschappelijk werker en vele anderen samenwerken om te komen tot een zo breed mogelijke behandeling van iemand met epilepsie.
In Nederland bestaan drie gespecialiseerde centra voor de behandeling van epilepsie:
- Stichting Epilepsie Instellingen Nederland, Meer en Bosch/De Cruquiushoeve in Heemstede en Heemstaete te Zwolle.
- Epilepsiecentrum Kempenhaeghe in Heeze.
- Stichting Hans Berger Kliniek in Breda.


Behandeling met medicijnen
De meest gangbare manier om epilepsie te behandelen is met medicijnen. Dit zijn de zogeheten anti-epileptica. Deze zorgen er in de meeste gevallen voor dat er geen of nauwelijks nog aanvallen optreden.
Een goede behandeling van epilepsie begint met het stellen van de juiste diagnose. Wanneer de aanvallen niet epileptisch van aard zijn, maar een heel andere oorzaak hebben, zal een behandeling met anti-epileptica niet helpen. De oorzaak van epilepsie moet grondig worden onderzocht om niet een onderliggende, behandelbare hersenaandoening over het hoofd te zien.
Als de keus op een behandeling met anti-epileptica valt, moet iemand wel overtuigd zijn van het nut daarvan. Een opgedrongen behandeling is gedoemd te mislukken, omdat anti-epileptica alleen werken wanneer ze trouw dagelijks worden ingenomen. Op grond van het type aanvallen en het type epilepsie wordt een anti-epilepticum gekozen. In principe is dit het middel dat bij dat type epilepsie de meeste kans maakt om effectief te zijn en dat zo min mogelijk bijwerkingen heeft.
De juistheid van de dosering kan meestal worden gecontroleerd aan de hand van bloedspiegelbepalingen. Wanneer het middel van de eerste keuze niet effectief blijkt te zijn, kunnen andere middelen worden geprobeerd. Als iemand aanvalsvrij is geworden, moet hij zijn medicatie langdurig blijven gebruiken. Regelmatig innemen is belangrijk, want na het overslaan van een of meerdere doses wordt de kans op aanvallen groter. Controle op effect en bijwerkingen blijft noodzakelijk zolang chronisch medicijnen worden gebruikt.

Stoppen met anti-epileptica
Na een aanvalsvrije periode van enkele jaren kan de anti-epileptische medicatie vaak worden gestaakt zonder dat de aanvallen terugkomen. Te vroeg stoppen geeft echter meer kans op terugkeer van de aanvallen. In het algemeen wordt bij kinderen een aanvalsvrije periode van twee jaar aangehouden Bij volwassenen duurt die fase vier jaar. Of de medicatie kan worden gestaakt, hangt onder andere af van de lengte van de periode waarin iemand aanvallen heeft gehad en van de aard van de epilepsie.
Iemand die slechts enkele aanvallen heeft gehad en met medicijnen snel aanvalsvrij is geworden, heeft de kans aanvalsvrij te blijven na het staken van de medicatie. De kans hierop is dan groter dan bij iemand die pas na vele jaren aanvalsvrij is geworden en daarvoor een combinatie van verschillende anti-epileptica nodig had.
Bij de partiële (plaatsgebonden) epilepsiesyndromen kan vaker met succes met medicatie worden gestopt dan bij de gegeneraliseerde (niet-plaatsgebonden) epilepsiesyndromen. Daarentegen hebben laatstgenoemde weer het voordeel dat er meestal sneller een geschikt medicament wordt gevonden. Als iemand met een plaatsgebonden epilepsiesyndroom na vier jaar zonder aanvallen het gebruik van medicatie staakt, dan is de kans op het terugkeren van de aanvallen ongeveer 30%. Bij gegeneraliseerde epilepsiesyndromen is die kans meer dan 50%.

Therapieresistentie
Helaas lukt het niet altijd iemand aanvalsvrij te maken. Wanneer na het proberen van diverse middelen (en combinaties daarvan) toch aanvallen blijven optreden, wordt gesproken van therapieresistentie. In dat geval is het van belang een medicatie te zoeken met een zo goed mogelijke werking en zo min mogelijk bijwerkingen.

Monotherapie
Zoveel mogelijk moet worden gestreefd naar monotherapie: een behandeling met één medicament. Dat heeft de voorkeur boven een behandeling met een combinatie van medicijnen (polyfarmacie). In de praktijk is het helaas niet altijd mogelijk te ontkomen aan een dergelijke combinatie. Het nadeel daarvan is dat er een ongewenste wisselwerking (interactie) tussen de verschillende medicijnen kan optreden. Hierdoor wordt de werkzaamheid van de afzonderlijke medicijnen kleiner en ontstaan er afbraakproducten die bij monotherapie niet of in veel mindere mate vrijkomen. Vooral deze afbraakproducten geven vaak bijwerkingen.

Tijdstip van innemen
In het algemeen kunnen medicijnen het best worden ingenomen tijdens de maaltijd. Het medicament mengt zich dan met het voedsel en wordt in de darmen geleidelijk aan het bloed afgegeven. Maar voor de meeste moderne medicijnen is het tijdstip van innemen minder belangrijk. Zij zijn vaak zo gemaakt dat zij vanzelf al langzaam oplossen. Het medicijn blijft hierdoor langer in het bloed zitten, ook al wordt het op een nuchtere maag ingenomen.
Voor sommige medicijnen is de concentratie in het bloed niet zo belangrijk; zij werken ook nog als in het bloed (bijna) niets meer terug te vinden is. Dit geldt vooral voor valproaat. Dit medicament kan zonder probleem eenmaal per dag worden ingenomen, een zogeheten monodosis. Voor de meeste andere medicijnen volstaat twee keer per dag innemen.

Medicijndozen
Soms weet iemand niet meer of hij zijn pillen nu wel of niet heeft ingenomen. Als de medicijnen pas direct voor het gebruik uit het potje of uit de strip worden gehaald, valt dit niet meer te controleren. Daarom is het veiliger de pillen per dag van tevoren klaar te leggen of in een medicijnetui te stoppen.
De apotheek en de afdeling voorlichting van het Nationaal Epilepsie Fonds (NEF) hebben speciale dozen of etuis waarin de medicijnen voor een hele week, per dag en per dosis kunnen worden klaargelegd. Het voordeel van een dergelijk systeem is dat naderhand te zien is of een bepaalde dosis wel of niet ingenomen is.
De vergeten medicijnen moeten worden ingehaald, tenzij het alweer tijd is voor de volgende dosis. Per medicament zijn de regels voor het inhalen van een vergeten dosis verschillend. Dat is onder andere afhankelijk van de werkingsduur. Het is verstandig vooraf met de arts te overleggen wat in dergelijke situaties te doen. In het algemeen is het tijdstip waarop de pillen worden ingenomen niet zo belangrijk. Wel is het van belang dat per dag de juiste hoeveelheid wordt ingenomen.

Aanvalskalenders
Om inzicht te krijgen in de frequentie waarmee aanvallen optreden, is het wenselijk hiervan een overzicht te maken. Zo kan de arts zien of de behandeling resultaat heeft. Een eenvoudige kalender met een klein vakje per dag is meestal toereikend voor dit doel.
Alleen als dagelijks vele aanvallen optreden, is soms een groter vakje per dag nodig. Dan kan beter een schriftje worden gebruikt. De gebruikelijke aanvalskalenders zijn van een handzaam formaat; ze passen gemakkelijk in een zak of in een tas.

Operatieve behandeling
In sommige gevallen is het mogelijk epilepsie operatief te behandelen. Het gaat dan altijd om personen die niet of onvoldoende reageren op behandeling met anti-epileptica of onaanvaardbare bijwerkingen hebben. Voorwaarde voor opereren is dat één aanwijsbaar gedeelte - en niet meerdere plaatsen - van de hersenen verantwoordelijk is voor het ontstaan van de aanvallen. Ook moet het wegnemen van de verantwoordelijke plaats (het epileptisch focus) geen onaanvaardbare neurologische uitvalsverschijnselen geven, zoals spraakstoornissen of verlammingen. De beslissing om te opereren wordt zeker niet lichtvaardig genomen. Alvorens uitspraak te kunnen doen over de mogelijkheid van een operatieve behandeling, moet de persoon met epilepsie zeer uitgebreid worden onderzocht. In veel gevallen blijkt dan helaas toch dat de kans te klein is dat de operatie succes heeft. In Nederland worden jaarlijks enkele tientallen mensen met epilepsie operatief behandeld. Op een totaal van circa 100.000 mensen is dit maar een heel kleine groep.
Omdat meer mensen met epilepsie potentiële operatiekandidaten zijn, wordt gestreefd naar uitbreiding van het aantal operaties per jaar. Vooral in de Verenigde Staten en in Canada wordt de operatieve behandeling op grotere schaal toegepast, soms ook op andere indicaties dan in Nederland. Als een bloedvatmisvorming of een hersentumor de epileptische aanvallen veroorzaakt, is dit natuurlijk ook een reden om een hersenoperatie uit te voeren. En dan niet alleen om de aanvallen te bestrijden, maar ook om de achterliggende oorzaak weg te nemen.

Nervus vagus stimulatie (NVS)
Nervus vagus stimulatie wordt alleen gebruikt bij mensen die niet goed reageren op medicatie en niet in aanmerking komen voor een epilepsieoperatie. De nervus vagus is een zenuw die de hersenen met andere delen van het lichaam verbindt, waaronder stembanden, hart en ingewanden.
Bij NVS wordt geprobeerd om door het prikkelen (stimuleren) van de nervus vagus epileptische aanvallen te onderdrukken. Om dit te kunnen doen wordt operatief een klein apparaatje (stimulator) onderhuids aangebracht. Deze stimulator wordt via een snoertje onder de huid met een spiraaltje om de nervus vagus in de hals verbonden. De stimulator kan van buitenaf ingesteld worden om regelmatig kortere of langere elektrische prikkels te geven. Ook kunnen mensen die een voorgevoel (aura) van een aanval hebben, zichzelf een extra elektrische prikkel toedienen met behulp van een magneet die tegen de stimulator gehouden wordt.
Het effect van NVS op aanvallen is niet beter dan dat van een willekeurig medicijn. Zelden wordt iemand er aanvalsvrij van. Toch kan NVS nuttig zijn, vooral voor die mensen die hun aanvallen voelen aankomen. Eventuele bijwerkingen van NVS zijn hoesten, hartkloppingen en heesheid. Meestal worden de bijwerkingen als mild ervaren.

Alternatieve behandeling
Onder alternatieve behandeling wordt meestal een behandeling verstaan die plaatsvindt buiten de reguliere geneeskunst van huisarts en specialist. Methoden als acupunctuur en homeopathie steunen over het algemeen op een denkwijze die niet wetenschappelijk is onderbouwd. De meeste alternatieve geneeswijzen ontlenen hun effect voornamelijk aan suggestie. Sommige beoefenaren van alternatieve geneeswijzen weten helaas niets van geneeskunde. Ze nemen een onverantwoord risico door mensen met epilepsie te behandelen en niet naar een deskundige door te verwijzen. Het is daarom aan te raden alleen met erkende medici of paramedici (beoefenaren van medisch-ondersteunende beroepen, zoals fysiotherapeuten, ergotherapeuten of logopedisten) in zee te gaan.
Hoewel van geen enkele alternatieve behandelwijze is bewezen dat deze epilepsie kan genezen, is van erkende hulpverleners wel te verwachten dat zij verantwoord te werk gaan. In het algemeen is het geen probleem om een alternatieve therapie te ondergaan naast de gangbare behandeling van huisarts of specialist. Bespreek daarom de gekozen alternatieve therapie eerst met de arts. Hij zal keuzevrijheid geven, maar kan wel waarschuwen tegen mogelijke gevaren.

Leefregels
In het verleden legden huisartsen en specialisten vaak veel nadruk op een regelmatige, rustige leefwijze voor mensen met epilepsie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan voldoende slaap, medicijnen precies op tijd innemen en geen alcohol. Tegenwoordig wordt dit soort adviezen nauwelijks meer gegeven. Voor de meeste mensen met epilepsie geldt dat ze zelf in de gaten houden of ze ergens overmatig op reageren en daaraan hun gedrag aanpassen.
In veel gevallen vermoeden mensen met epilepsie en hun omgeving een relatie tussen het optreden van aanvallen en bepaalde omstandigheden. Maar het is onverstandig maatregelen te nemen in de vorm van leefregels, als niet bij herhaling is gebleken dat een omstandigheid de aanvallen opwekte. Alleen in heel duidelijke gevallen adviseert de arts dat tegenwoordig nog. In de huidige opvatting is het beter een zo normaal mogelijk leefpatroon aan te houden en te zoeken naar een behandeling die onder alle omstandigheden werkt, liefst zonder bijwerkingen. Beperkende leefregels zijn dan niet nodig.

Alcohol
Uit onderzoek is gebleken dat sociaal alcoholgebruik (dat wil zeggen: twee consumpties per dag) geen invloed heeft op de aanvalsfrequentie. Het advies om geheel van het gebruik van alcohol af te zien is niet op zijn plaats. Maar regelmatig en overmatig alcoholgebruik is voor niemand goed, ook niet voor mensen met epilepsie.
De combinatie van alcohol en medicijnen tegen epilepsie kan tot gevolg hebben dat het effect van de alcohol sterker is dan anders. Maar bij chronisch gebruik van anti-epileptica is deze versterkende werking meestal te verwaarlozen. Alcoholische dranken hebben vrijwel geen effect op de werking van anti-epileptica.

Roken
Het roken van sigaretten of sigaren heeft geen invloed op de frequentie waarmee aanvallen optreden. Een aanval met bewustzijnsverlies kan wél tot gevolg hebben dat een sigaar of sigaret valt, waardoor gevaar voor brand ontstaat. Voor mensen met epilepsie is roken even ongezond als voor ieder ander en moet daarom worden afgeraden.

Dieet
Op enkele uitzonderingsgevallen na heeft een dieet geen invloed op de aanvalsfrequentie. Deze uitzonderingen betreffen zogeheten reflexepilepsieën. Soms kan een bepaalde geur of smaak een aanval opwekken. Als het eten eenmaal in de maag of in de darmen is beland, treedt dit effect niet meer op. Wel is het vaak zo dat aanvallen bij voorkeur optreden tijdens of kort na de maaltijd, als er een toestand van ontspanning ontstaat. Vooral complexe partiële aanvallen treden vaker op tijdens ontspanning dan op andere momenten. Maar per persoon zijn er grote verschillen. Zo zijn er ook mensen met epilepsie die hun aanvallen niet krijgen in ontspannen situaties, maar juist tijdens inspanning.
In de jaren vijftig kregen kinderen met absences een vetrijk dieet, het zogenoemde ketogene dieet. Met de komst van betere anti-epileptica wordt deze behandelmethode nog slechts incidenteel en alleen bij kinderen toegepast. Andere dieetmaatregelen bleken niet effectief te zijn.
Voor sommige anti-epileptica geldt wel dat zij onder invloed van een dieet beter of slechter uit het maagdarmkanaal in het bloed worden opgenomen. Carbamazepine is een in vet oplosbare stof en wordt hierdoor na een vette maaltijd beter opgenomen dan na een vetarme maaltijd. Verandering van eetgewoonten kan daarom in sommige gevallen leiden tot verandering van de bloedspiegels.




terug verder