Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Drs. Martijn Engelsman
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Epileptische aanvallen

Een aanval komt meestal totaal onverwacht. In de zwaarste vorm, ook wel tonisch-clonische of grote aanval genoemd, treden spierkrampen, spierschokken en bewusteloosheid op. Dit is ook de vorm van epilepsie die de meeste mensen kennen. Maar er bestaan nog vele andere manieren waarop epilepsie zich kan voordoen.
Het belangrijkste kenmerk van epilepsie is dat de verschijnselen aanvalsgewijs optreden. Toch is niet iedere aanvalsgewijze stoornis epileptisch van aard. Sommige andere aandoeningen hebben ook plotseling optredende verschijnselen die sterk op epileptische aanvallen lijken, zoals migraine of narcolepsie.

Soorten aanvallen
Er bestaat niet één soort epileptische aanval. Epilepsie kan zich in diverse vormen uiten. Soms komen meerdere soorten epileptische aanvallen naast elkaar voor en soms zitten daar ook aanvallen tussen die niet epileptisch van aard zijn.
Er zijn twee hoofdgroepen te onderscheiden: partiële (plaatsgebonden) en gegeneraliseerde (niet-plaatsgebonden) aanvallen. Bij de eerste soort - in de internationale classificatie ook wel type I genoemd - is er een stoornis in een deel van de hersenen. Bij de tweede soort (type II) komt de stoornis gelijktijdig in beide hersenhelften voor.
Zonder EEG-onderzoek is het vaak erg moeilijk om een aanval te benoemen. Met neurologisch onderzoek en op grond van wat er wordt verteld, kan de arts meestal wel vaststellen of het om een bepaald type epileptische aanval gaat. Aanvallen kunnen op het oog gelijk zijn, maar toch heel verschillend worden ingedeeld.
De indeling is vooral van belang voor het bepalen van de juiste behandeling. Het hanteren van eenzelfde indeling is in de onderzoekswereld eveneens onmisbaar. Alleen als iedereen verschijnselen op dezelfde manier benoemt - en dus dezelfde indeling gebruikt - zijn bij onderzoek naar bijvoorbeeld geneesmiddelen de resultaten van verschillende onderzoekers met elkaar te vergelijken.







Partiële aanvallen
Als de stoornis zich voordoet in een bepaald gedeelte (of part) van de hersenen, wordt gesproken van partiële aanvallen. De verschijnselen zijn erg afhankelijk van de plek waar dit gebeurt. Bij sommige aanvallen blijft iemand bij bewustzijn, bij andere aanvallen niet.
Partiële aanvallen worden onderverdeeld in eenvoudige, complexe en secundair gegeneraliseerde aanvallen. Met dat laatste wordt bedoeld dat een partiële aanval kan overgaan in een gegeneraliseerde aanval.

Eenvoudige partiële aanvallen
Bij eenvoudige partiële aanvallen blijft het bewustzijn helder (type I.A). Mensen beseffen dus goed dat ze een aanval hebben en kunnen vertellen wat ze tijdens een aanval beleven. Tegenhouden kunnen ze de aanval niet. De duur kan zeer verschillend zijn: van seconden tot enkele minuten. Vaak merken andere mensen deze aanvallen niet eens op, omdat ze zo licht zijn.
De uitingsvormen zijn wel heel verschillend:
- een misselijk gevoel;
- plotseling ongecontroleerde bewegingen van armen of benen;
- het ruiken van een vreemde geur of een nare smaak in de mond krijgen;
- prikkelingen of tintelingen in hand, arm, been of voet;
- trekkingen om de mond;
- iets horen of zien wat anderen niet opmerken.
De verschijnselen zijn afhankelijk van de plaats van de haard op de hersenschors.

Eenvoudig partiële aanval. Verschijnselen zijn afhankelijk van de plaats van de epileptische haard op de hersenschors.



Complexe partiële aanvallen
Een veelvoorkomende soort aanval is de complexe partiële aanval (type I.B). De toevoeging 'complex' betekent dat het bewustzijn geheel of gedeeltelijk wordt verstoord. Complexe partiële aanvallen worden vaak voorafgegaan door een aura.

Plaats van de epileptische haard bij complexe partiële aanvallen.
a. Zijaanzicht van de hersenen met epileptische haard in de slaapkwab (temporaalkwab).
b. Schematische doorsnede vooraanzicht van de hersenen met epileptische haard in de slaapkwab (temporaalkwab).


Dit partiële begin duurt maar enkele seconden en bestaat vaak uit een opstijgend gevoel vanuit de maagstreek, een vreemd onbestemd gevoel dat langs de slokdarm omhoog trekt. Ook een déja-vu-gevoel (een gevoel dat iets al eerder is gebeurd) of een gevoel van derealisatie (bevreemding van de buitenwereld) komt vaak voor. Soms heeft iemand een vieze smaak in de mond of ruikt iets vreemds.
Na de aura raakt het bewustzijn verstoord, waardoor de persoon niet weet wat er gebeurt. De bewustzijnsstoornis duurt meestal één tot enkele minuten. Daarna komt iemand weer geleidelijk bij.
Tijdens de aanval zijn vaak doelloze handelingen waar te nemen, zoals wriemelen, plukken, kauw- of smakbewegingen en soms rondlopen. Reacties zijn er niet, zelfs niet op pijnprikkels. Als iemand op zo'n moment wordt aangesproken, volgt er meestal geen reactie of een onjuist antwoord. Mensen in de omgeving worden niet herkend. De blik is starend, alsof de persoon 'door je heen kijkt'. Mocht zo iemand tijdens een aanval in aanraking komen met hete voorwerpen, dan voelt hij dat niet en kan hij zich (ernstig) branden.
De gelaatskleur wordt meestal bleek en de pupillen groot. Vaak is er ook wat speekselvloed. Vallen komt niet vaak voor, tenzij de persoon bijvoorbeeld op de fiets zit tijdens een aanval.
Omdat iemand tijdens een complexe partiële aanval anders reageert dan hij normaal zou doen, kan het gebeuren dat goedbedoelde hulp wordt afgeweerd. Dit kan zelfs op een zodanig manier gebeuren, dat het op agressief gedrag lijkt. Spontaan agressief gedrag tijdens epileptische aanvallen wordt echter nooit gezien. Mocht dit wel optreden, dan moet aan de diagnose worden getwijfeld.
Na de aanval volgt eerst nog een korte periode van desoriëntatie. De meeste mensen hebben dan last van hoofdpijn of vermoeidheid. Soms zijn er na een complexe partiële aanval helemaal geen klachten. Wanneer er geen aura is geweest en de persoon na de aanval geen hoofdpijn of andere klachten heeft, weet hij dikwijls niet dat hij een aanval heeft gehad.


Gegeneraliseerde aanvallen
Bij gegeneraliseerde aanvallen doet de stoornis zich voor in de hele hersenen: zowel in de linker- als de rechterhersenhelft. Er is altijd een stoornis van het bewustzijn. Mensen die dit overkomt, herinneren zich niet meer wat er tijdens de aanval is gebeurd. De meest voorkomende verschijningsvormen zijn: absences, myoclonische en tonisch-clonische aanvallen.

Absences
Het woord absence betekent 'afwezigheid'. Absences (type II.A) zijn hele lichte, korte aanvallen met meestal alleen een bewustzijnsstoornis. De bewusteloosheid begint en eindigt plotseling en duurt vaak slechts enkele seconden tot hooguit een minuut. Absences komen het meest voor in de kinderleeftijd. Tijdens de aanval staart iemand voor zich uit en reageert niet. Soms knippert hij met zijn ogen of zijn er lichte spierschokjes. Hij kan vallen door te struikelen, maar vaak loopt of fietst hij gewoon door tijdens deze afwezigheid. Hierdoor kunnen gemakkelijk gevaarlijke situaties ontstaan.
Verder is er nauwelijks iets aan de persoon te merken. Er is geen verandering van gelaatskleur en er treedt geen speekselvloed op. Soms duurt de afwezigheid zo kort dat deze nauwelijks waarneembaar is. Alleen concentratiestoornissen zijn op te merken. Dit zorgt vaak voor problemen op school. Een EEG kan in deze situaties vaak de oorzaak aan het licht brengen.

Atypische absences
Atypische absences (type II.A.2) vormen een overgangsgebied tussen absences en complexe partiële aanvallen. Zij kunnen zowel bij partiële (type I.B) als bij de gegeneraliseerde (type II.A) aanvallen horen. Om welke soort aanval het gaat, is soms moeilijk te constateren. Hiervoor is meestal een EEG nodig.

Absence status
Een absence status treedt zeer zelden op. Het is een erg snel op elkaar volgende reeks van absences. Daardoor ontstaat een schemertoestand die uren of soms wel dagen kan duren. Het bewustzijn is dan verlaagd en de persoon reageert niet adequaat op de omgeving. Hij verkeert in een versufte toestand. Door stimulatie verbetert het bewustzijn.
Deze absence status moet niet worden verward met schemertoestanden die een psychiatrische oorzaak hebben. Daarbij kan het voorkomen dat iemand in een schemertoestand allerlei ingewikkelde handelingen verricht - bijvoorbeeld een lange reis maakt, zonder dat iemand iets aan hem merkt - en pas dagen later bij zijn positieven komt zonder te weten wat hij heeft gedaan.

Myoclonische aanvallen
Myoclonische aanvallen (type II.B) zijn enkelvoudige of in reeksen optredende spierschokken in armen en/of benen met een erg kortdurende bewustzijnsstoornis. Doordat de schokken zo kort duren, valt de bewustzijnsstoornis vaak niet op. Mensen herstellen zich snel na een myoclonische aanval.

Atonische aanvallen
Atonische aanvallen (type II.F) gaan niet gepaard met een verstijving, maar juist met een verslapping van de spieren. Ze komen meestal op de kinderleeftijd voor. De aanvallen beginnen zonder waarschuwing vooraf. Juist door de verslapping van de spieren kan iemand een harde, ongeremde val maken. Om verwondingen te voorkomen, dragen mensen met dergelijke aanvallen vaak een valhelm. De bewusteloosheid duurt meestal slechts enkele seconden. Na het vallen staat de persoon gelijk weer op.

Tonisch-clonische (grote) aanvallen
Tonisch-clonisch betekent 'verkrampt en schokkend'. De naam geeft aan wat er tijdens een aanval gebeurt. Dit is de meest bekende aanval, maar het is niet de meest voorkomende.
Soms voelt de persoon zich voor de eigenlijke aanval al een dag of langer niet lekker, klaagt over hoofdpijn of is wat prikkelbaar. Dit worden prodromi (voortekenen) genoemd.
Soms krijgt iemand eerst een aura die waarschuwt voor het begin van de aanval. De tonisch-clonische aanval die dan volgt, is secundair omdat deze zich pas in tweede instantie voordoet in beide hersenhelften (gegeneraliseerd). Dit wordt een secundair gegeneraliseerde aanval genoemd en komt in de indeling voor onder partiële aanvallen (type I.C). De aura, het partiële begin (1.A), kan echter zo kort duren dat deze niet wordt opgemerkt of dat iemand zich er na de aanval niets van herinnert.
Wanneer er geen aura is en er dus geen partiële aanval aan voorafgaat, dan heeft iemand een gegeneraliseerde (tonisch-clonische) aanval. Iemand raakt bij dit soort aanvallen plotseling buiten bewustzijn en kan vallen. In de indeling komen deze aanvallen voor onder gegeneraliseerde aanvallen (type II.E).
In de eerste fase - de zogenaamde tonische fase - zijn alle spieren van het lichaam gedurende tien tot twintig seconden gespannen (stijfkramp). Door deze kramp wordt de lucht die in de longen zit naar buiten geperst langs de aangespannen stembanden, waardoor vaak een schreeuw ontsnapt. De persoon merkt daar zelf niets van en de schreeuw is geen uitdrukking van pijn of angst. Omdat de ademhaling is geblokkeerd en de grote inspanning veel zuurstof vergt, treedt vaak een bleekblauwe verkleuring van het gezicht (cyanose) op. De hartslag is soms even wat onregelmatig, daarna sneller dan normaal.
Na de tonische fase volgt de clonische fase, waarin de kramptoestand wordt afgewisseld met ontspanning. Hierdoor ontstaan schokkende bewegingen (schudkramp). In deze fase is de ademhaling nog steeds niet normaal. Door de krampen bestaat de kans dat de tong tussen de tanden bekneld raakt en tongbeet met bloeding optreedt. Meestal is er speekselvloed, vaak incontinentie en soms overgeven tijdens of na de aanval. De combinatie van bloed en speeksel zorgt ervoor dat roodgekleurd speeksel uit de mond vloeit. De clonische fase duurt zelden langer dan enkele minuten.
Als de krampen ophouden, is de aanval voorbij. De persoon blijft wel nog enige tijd buiten bewustzijn door de uitputting van de hersenen. De ademhaling komt weer op gang en is meestal diep en rochelend. Daarna, als het bewustzijn terugkeert, voelt iemand zich moe, is nog wat in de war en klaagt vaak over hoofdpijn. Er is een grote drang om te gaan slapen. De volgende dag heeft iemand vaak last van spierpijn door de grote krachtsinspanning die is geleverd.
De duur van de herstelfase kan op verschillende manieren verlopen: sommigen kunnen na vijf minuten weer aan het werk, anderen hebben een hele dag of langer nodig om bij te komen.

Status epilepticus
Een status epilepticus is in feite een aanval die blijft voortduren. De aanvalstoestand kan lang duren of een aanval gaat over in de volgende, zonder dat iemand bij bewustzijn is geweest. Er is sprake van een status epilepticus als de aanval of serie aanvallen langer duurt dan 30 minuten. Een convulsieve status epilepticus (met krampen in alle spieren) kan optreden bij verschillende vormen van epilepsie, maar is vrij zeldzaam. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als iemand plotseling met medicatie stopt.
Door de ademhalingsproblemen en verzuring van de hersenen is dit een levensbedreigende situatie. Medisch ingrijpen is altijd nodig. Er bestaat ook een non-convulsieve status epilepticus of absence status, waarbij alleen bewustzijnsverlaging optreedt en zich geen spierkrampen voordoen. Deze vorm is niet levensbedreigend.




terug verder