Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Drs. Martijn Engelsman
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Hoe zien de hersenen eruit?

De hersenen bestaan uit een aantal belangrijke onderdelen. Het meest opvallend zijn de grote hersenen. Deze bestaan uit twee helften of hemisferen, elk opgebouwd uit een aantal kwabben. Onder de grote hersenen zitten de kleine hersenen. Tussen de grote en kleine hersenen zit de hersenstam. De hersenstam verbindt de verschillende hersendelen en gaat via het verlengde merg over in het ruggenmerg.

Zijaanzicht hersenen: 1. Kleine hersenen; 2. Grote hersenen; 3. Ruggenmerg; 4. Hersenstam.



Mediane doorsnede hersenen: 1. Kleine hersenen; 2. Grote hersenen; 3. Ruggenmerg; 4. Hersenstam; 5. Hypofyse; 6. Verlengde merg; 7. Balk.


Op een doorsnede van de hersenen zijn door hun kleurverschil duidelijk twee lagen te onderscheiden. De buitenkant van zowel de grote als de kleine hersenen bestaat uit 'grijze stof', ofwel hersenschors. In deze grijze stof zitten miljarden hersencellen. Eronder zit de witte stof. Die is grotendeels opgebouwd uit verbindingsvezels met isolatiemateriaal. Dit isolatiemateriaal bestaat weer uit cellen die veel vettige stoffen bevatten en er daardoor wit uitzien. Er lopen verbindingsvezels door de hersenstam en het verlengde merg naar het ruggenmerg om opdrachten naar de rest van het lichaam te zenden en om informatie te ontvangen.
Een belangrijk deel van de informatie van buitenaf komt de hersenen binnen via de hersenzenuwen vanuit de zintuigen in het hoofd. Tot de hersenzenuwen behoren onder andere de reukzenuw, de oogzenuw en de gehoorzenuw. Via het ruggenmerg komt de informatie binnen vanuit de rest van het lichaam.

Hoe werken de hersenen
De hersenen bestaan uit een netwerk van verbindingen tussen miljarden hersencellen. Hersencellen (neuronen) hebben één grote uitloper (axon) en vele kleine uitlopers (dendrieten). De grote uitloper is lang, de kleinere uitlopers zijn veel korter. De plaats waar een uitloper van de ene zenuwcel de andere raakt, wordt synaps genoemd. Iedere zenuwcel met uitlopers is bezaaid met synapsen.

Prikkeloverdracht in de synaps: 1. Neuriet; 2. Impuls; 3. Eindplaat; 4. Blaasje met neurotransmitter; 5. Synapsspleet; 6. Receptoren; 7. Ontvangende zenuw; 8. Nieuwe impuls; 9. Vrijkomende neurotransmitter.


Het overbrengen van informatie van de ene zenuw op de andere gebeurt door middel van afgifte van chemische boodschappers (neurotransmitters, ofwel zenuwoverbrengers) in de synaps. In het zendende zenuwuiteinde bevinden zich kleine blaasjes, met daarin een kleine hoeveelheid neurotransmitter. Er zijn prikkelende en remmende neurotransmitters.
Wanneer er een zenuwimpuls door de zenuw loopt en het uiteinde bereikt, springen die blaasjes open en komen de neurotransmitters via de wand van het zenuwuiteinde in de synaptische spleet terecht. Op het oppervlak van de andere zenuw bevinden zich de zogeheten receptoren ofwel ontvangers.
Wanneer een zenuwcel veel prikkelende signalen en weinig remmende signalen ontvangt, komt er een moment dat hij gaat ontladen. De elektrische spanning van het celoppervlak verandert dan van negatief naar positief. Deze verandering verspreidt zich snel over de zenuwcel en al zijn uitlopers (in duizendsten van een seconde) en herstelt zich ook weer snel.
Aan de uiteinden van de uitlopers van de zenuwcel worden door de elektrische ontlading in de synapsspleten neurotransmitters uitgestoten. Voor iedere zenuwcel is dat één soort neurotransmitter. Er zijn dus zenuwcellen die andere zenuwcellen stimuleren, maar er zijn ook zenuwcellen die andere zenuwcellen juist remmen om te gaan ontladen. Het gaat om een ingewikkeld evenwicht tussen de prikkelende en remmende invloeden waaraan iedere zenuwcel blootstaat. Verstoring van dit evenwicht kan leiden tot epilepsie.
Enkele belangrijke stimulerende (prikkelende) neurotransmitters zijn noradrenaline en dopamine.
Enkele belangrijke inhiberende (remmende) neurotransmitters zijn serotonine en gamma-aminoboterzuur (GABA).
Veel geneesmiddelen tegen epilepsie hebben invloed op de neurotransmitters. Het zijn stoffen die erg veel lijken op neurotransmitters, een soortgelijke werking hebben of de productie dan wel afbraak ervan beïnvloeden. Er zijn ook anti-epileptica die niet werken via de neurotransmitters, maar langs een andere weg invloed uitoefenen op de celmembraan van de zenuwcel.




terug verder