Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Drs. Martijn Engelsman
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Onderzoek en diagnose

Voor het stellen van de diagnose is het allereerst nodig de aanval zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven. Het verhaal van de persoon zelf (anamnese) is meestal niet voldoende, omdat hij tijdens de aanvallen een bewustzijnsstoornis kan hebben gehad. Het verhaal van omstanders is daarom meestal veel betrouwbaarder (heteroanamnese).
Het klinkt raar, maar het zou het handigst zijn als iemand een film- of video-opname zou maken tijdens een aanval. Door die te bestuderen kan het vermoeden van epilepsie ontstaan. De diagnose kan vervolgens worden bevestigd door een standaard EEG, dat ongeveer vijftien minuten duurt.
In veel gevallen lukt dit helaas niet. Tussen de aanvallen door hoeft iemands EEG namelijk geen afwijkingen te laten zien. Bij mensen die weinig aanvallen hebben, is een langdurig EEG met als doel een aanval te registreren, niet zinvol. Zij hebben een te kleine kans op een aanval binnen 24 uur: dat is de duur van een langdurige registratie. Toch kan de arts dan vaak wel de diagnose epilepsie stellen aan de hand van het verloop van de aanvallen en de resultaten uit andere methoden van onderzoek.

Soorten onderzoek
Er zijn verschillende methoden om de hersenactiviteit in kaart te brengen. Dit gebeurt onder meer met het EEG, waarvan verschillende varianten bestaan. Als aanvulling op dit onderzoek zijn er ook beeldvormende technieken. Daarmee is de bouw van de hersenen in kaart te brengen. Die informatie kan, als het EEG geen uitsluitsel geeft, een ondersteuning geven voor de diagnose epilepsie.




Elektro-encefalogram
Het EEG is een onderzoek waarbij met een apparaat de elektrische activiteit van de hersenschors wordt gemeten. Op de schedelhuid worden elektroden - verzilverde metalen plaatjes - geplakt op vaste plaatsen. Om een goede elektrische verbinding tot stand te brengen, wordt tussen de elektroden en de schedelhuid een zoute pasta gespoten.
Via draden zijn de elektroden verbonden met het EEG-toestel dat de spanningsverschillen tussen de elektroden meet en weergeeft in een lijn op papier: de EEG-curve. Het standaard EEG bestaat uit zestien lijnen die ieder het spanningsverschil tussen twee punten op de schedelhuid weergeven. Dit spanningsverschil is afkomstig van de hersencellen in de hersenschors. Het normale EEG laat een aantal typische ritmen zien, ieder op zijn eigen plaats op de schedel. Door de hypersynchronisatie tijdens epileptische aanvallen, gaan grote groepen hersencellen gelijktijdig opladen en ontladen. Dit levert grotere spanningsverschillen op dan normaal het geval is. Op het EEG zijn dan pieken of piekgolfcomplexen te zien met een heel typisch en goed herkenbaar patroon.
Deze EEG-afwijking kan plaatselijk zijn; dan is er sprake van partiële (plaatsgebonden) vormen van epilepsie. Bij gegeneraliseerde (niet-plaatsgebonden) vormen van epilepsie treedt de afwijking algemeen op alle EEG-kanalen tegelijkertijd op. Voor de indeling van de aanvallen is dit verschil belangrijk. Zelfs tussen de aanvallen door zijn vaak kortdurende epileptische ontladingen te zien. Als een dergelijk EEG-patroon wordt gevonden bij iemand met bijpassende aanvallen, bevestigt dit de diagnose epilepsie.

Standaard EEG
Een standaard EEG is een EEG-onderzoek dat altijd wordt uitgevoerd als het vermoeden bestaat dat iemand epilepsie heeft. Het onderzoek vindt plaats terwijl iemand zit of ligt. Het duurt ongeveer vijftien minuten. Tijdens dit EEG moet de persoon zuchten en in een flitsende lamp kijken. Dit zijn provocatiemethoden om epileptische verschijnselen op te wekken.

Slaap-EEG
Mocht een standaard EEG onvoldoende opleveren, dan kan een EEG tijdens de slaap worden gemaakt. Vooral bij mensen die in hun slaap aanvallen hebben, kan een dergelijk EEG afwijkingen laten zien die in waaktoestand niet worden gevonden.

EEG na slaaponthouding
Bij mensen die mogelijk epilepsie hebben, terwijl het standaard EEG en het slaap-EEG geen resultaten laten zien, kan een EEG na slaaponthouding worden gemaakt. Deze personen moeten een nacht wakker blijven en vallen daarna 's ochtends in een diepe slaap, terwijl een EEG wordt gemaakt. Deze provocatiemethode werkt krachtiger dan een slaappil: er kunnen zo aanvallen worden uitgelokt. Er zijn twee mogelijkheden om een dergelijk EEG te maken: thuis wakker blijven met hulp van huisgenoten of een nacht opblijven in het ziekenhuis met hulp van de verpleging.

Langdurige registratie
Soms is het nodig om een EEG tijdens een aanval te maken. In epilepsiecentra en sommige academische ziekenhuizen bestaat de mogelijkheid om langdurige EEG's te maken onder videobewaking, zodat aanvallen nauwkeurig kunnen worden onderzocht. Het EEG kan tegelijk met de video-opname worden beoordeeld. Meestal duurt zo'n registratie 24 uur, maar het is ook mogelijk - afhankelijk van de aanvalsfrequentie - deze langer of korter te laten duren. De persoon is via een lang telefoonsnoer verbonden met het EEG-toestel, zodat hij kan zitten, lopen en slapen.

Cassette-EEG
Een cassette-EEG is een vorm van langdurige registratie met behulp van een kleine bandrecorder die het EEG-signaal opvangt. Iemand kan met dit apparaatje thuis of in het ziekenhuis vrij rondlopen. Tijdens een aanval drukt de persoon zelf of iemand anders op een knopje, waardoor naderhand het EEG van dat moment goed terug te vinden is. Een nadeel van deze methode is dat slechts een klein aantal EEG-kanalen kan worden gebruikt. Bovendien is de cassette-EEG nogal storingsgevoelig.

EEG met diepte-elektroden
Ter voorbereiding op een operatie moet meer nauwkeurige informatie beschikbaar zijn. De neurochirurg brengt dan elektroden via een opening in de schedel tot vlakbij de plaats in de hersenen die mogelijk verantwoordelijk is voor de aanvallen. De aanvallen worden vervolgens geregistreerd op zowel het EEG als video in een EEG-laboratorium.

Magneto-EEG (MEG)
Het magneto-EEG is een experimentele techniek die de elektrische activiteit van de hersenen registreert. Zeer gevoelige ontvangers meten de veranderingen van het magnetisch veld rondom de hersenen. Met deze techniek leeft de hoop eveneens hersendelen te kunnen onderzoeken die bij het normale EEG niet goed bereikbaar zijn.

Beeldvormende technieken
Nadat is vastgesteld dat iemand epileptische aanvallen heeft, komt de vraag naar de oorzaak aan de orde. Soms is daar, door het soort aanval en het EEG, al een antwoord op te geven. Is dit niet het geval, dan moet er aanvullend onderzoek worden verricht.
Diverse methoden die een afbeelding geven van de bouw (anatomie) van de hersenen - en soms de werking ervan - vormen een belangrijk onderdeel van aanvullend onderzoek. Levert bijvoorbeeld het EEG geen duidelijke bevestiging van de diagnose, dan kan een anatomische afwijking op een plek die overeenkomt met de verschijnselen tijdens een aanval, alsnog een bevestiging geven.

CT-scan
De computertomografie of CT-scan is een methode die werkt met röntgenstralen. Een röntgenlamp wordt in het CT-apparaat rond het hoofd gedraaid. Tegenover deze lamp worden de röntgenstralen die door het hoofd heen gaan, weer opgevangen in speciale gevoelige cellen die de intensiteit (dichtheid) meten. Afhankelijk van de dichtheid van de weefsels en de weg die moet worden afgelegd, komt er meer of minder röntgenstraling door het hoofd. Een computer verzamelt al deze metingen en maakt er een afbeelding van. Ieder plaatje vormt een dwarsdoorsnede van hoofd en hersenen. Een serie van dit soort doorsneden geeft een goede indruk van hoe de hersenen eruitzien. Met deze methode kunnen bloedvatmisvormingen, gezwellen en bloedingen goed worden herkend.

MRI-scan
De MRI-scan (Magnetic Resonance Images) werkt niet met röntgenstralen, maar met radiogolven. De persoon ligt kortdurend in een sterk magneetveld.
Iedere atoom of molecuul in het menselijk lichaam is als een heel klein losliggend magneetje te beschouwen. Het magneetveld van het MRI brengt al deze magneetjes even in dezelfde richting, net zoals gebeurt met de naald van een kompas. Ieder soort atoom of molecuul heeft zijn eigen tijd nodig om weer terug te keren naar de oorspronkelijke positie. De grote magnetische spoel in het MRI wordt gebruikt als een antenne om dit te meten, waarna de gegevens van een groot aantal metingen worden verwerkt in een computer. Als resultaat geeft de computer een serie dwarsdoorsneden van hoofd en hersenen, net als bij de CT-scan.
Het voordeel van de MRI-scan is dat magneetgolven even gemakkelijk botten passeren als andere weefsels. Voor röntgenstralen geldt dat niet: bot houdt dit soort straling heel sterk tegen. Het gevolg is dat de CT-scan minder goede beelden geeft van hersengedeelten waar erg veel bot omheen zit - de kleine hersenen - of die er erg dicht tegenaan liggen - de slaapkwab. Voor epilepsie is een MRI-scan in vrijwel alle gevallen te verkiezen boven een CT-scan.

PET-scan
De PET-scan is een onderzoeksmethode die gebruikmaakt van positronen. Positronen zijn deeltjes die ongeveer even groot zijn als elektronen, alleen hun lading is positief in plaats van negatief. Zij komen vrij bij het uit elkaar vallen van radioactieve stoffen. Botst een positron tegen een elektron, dan vernietigen zij elkaar en blijft er alleen wat radioactieve straling over. Deze radioactieve straling kan worden gemeten. Met behulp van computers kan worden berekend welk hersendeel deze straling heeft uitgezonden.
Om een PET-scan te kunnen maken, zijn radioactief gemerkte stoffen nodig met een erg korte levensduur. Meestal wordt radioactief gemerkte glucose of zuurstof gebruikt. Deze stoffen worden, net als de niet gemerkte stoffen, opgenomen in de hersencellen. Actievere hersencellen nemen er meer van op dan minder actieve cellen. Op deze manier kan tegenwoordig een epileptische haard worden gevonden. Omdat de levensduur van de stoffen hooguit enkele uren bedraagt, kan dit onderzoek alleen worden gedaan op een plaats waar een apparaat staat dat radioactief gemerkte stoffen maakt. Deze onderzoeksmethode wordt alleen toegepast als voorbereiding op een hersenoperatie voor epilepsie.

SPECT-scan
De SPECT-scan is vergelijkbaar met de PET-scan. Hij is minder nauwkeurig, maar kan op veel meer plaatsen worden uitgevoerd. Toch wordt deze SPECT-scan slechts op beperkte schaal toegepast voor epilepsiediagnostiek.




terug verder