In samenwerking met :  

Nederlandse Hartstichting


 Inloggen
> registreren
lettergrootte: A  A  A
De behandeling

Bewustwording is de eerste stap
Bij hypertensie zijn er in het begin meestal (nog) geen klachten en is de 'patiënt' absoluut geen patiënt: hij of zij is helemaal niet ziek. Maar in het lichaam is een proces aan de gang dat leidt tot vroegtijdige veroudering van en tot schade aan diverse organen en tot verhoogde sterfte op jonge leeftijd. Verzekeringsmaatschappijen weten dat maar al te goed en zijn in staat om de premie fors op te hogen als de kandidaatverzekerde hypertensie heeft!
De patiënt zal zich allereerst terdege moeten realiseren dat hij of zij een verhoogde bloeddruk heeft. Als hij eenmaal de ernst van de situatie inziet, zal hij ook sneller er zelf alles aan doen om de bloeddruk weer binnen normale waarden te krijgen. De levensstijl en het dieet moeten misschien aangepast worden, zoals minder veel eten, minder vet, zout en alcohol gebruiken, niet meer roken, etc. Ook kan het nodig zijn anders met stress - thuis of op het werk - om te gaan en, misschien nog wel het moeilijkste, gedurende vele jaren trouw de voorgeschreven hoeveelheden medicijnen in te nemen. Dit laatste noemen we patiëntentrouw of therapietrouw. Het dagelijks innemen van medicijnen vanwege hoge bloeddruk blijkt in de praktijk voor veel mensen moeilijk. Uit onderzoek is gebleken dat minder dan 50% van de patiënten trouw de hun voorgeschreven medicijnen inneemt. Dat komt wellicht doordat iemand met hypertensie aanvankelijk daar geen enkele klacht van ondervindt en kan denken dat het allemaal wel meevalt. Onvoldoende patiëntentrouw leidt echter tot onvoldoende regulatie van de bloeddruk. Het betekent ook een enorme economische verspilling: de meeste medicijnen tegen hoge bloeddruk zijn duur!

Medicijnen vaak niet meteen nodig
Als er hypertensie is vastgesteld, hoeft een behandeling meestal niet met spoed ingesteld te worden. Slechts in uitzonderingsgevallen, waarbij de bloeddruk zeer hoog is, moet er snel ingegrepen worden; meestal gebeurt dat dan in een ziekenhuis. Gelukkig is dat vaak niet het geval en kunnen de effecten van verandering van levensstijl op de hoogte van de bloeddruk gerust gedurende enkele maanden afgewacht worden.

Beïnvloeden van levensstijl
Afvallen is heel nuttig voor iedereen die te zwaar is en dat geldt zeker voor mensen met hypertensie. Alleen al door af te vallen zal de bloeddruk kunnen zakken. Bovendien zal door vermagering de algehele conditie en dikwijls ook de bloedsuikerhuishouding verbeteren. Deze twee bijkomende risicofactoren worden op die manier gunstig beïnvloed.
Als er een verstandig dieet gevolgd wordt, zal als regel ook het vetspectrum verbeteren. Wonderdiëten bestaan niet. Er is maar één goed dieet en dat is simpel gezegd: van alles wat minder eten gedurende een lange tijd. Snel vermageren door gedurende enkele weken heel weinig te eten houdt geen stand omdat dit gewoonweg niet valt vol te houden. Beter is het dan ook om te proberen tot een constante vermindering van het aantal genuttigde calorieën te komen.
Overgewicht is meestal het gevolg van te veel en te vet eten, in combinatie met te weinig bewegen. Gezond eten blijkt echter een groot probleem te zijn. 80% van de Nederlanders eet ongezond. De Nederlandse Voedingsraad heeft daarom adviezen gegeven voor een verstandige samenstelling van de voeding. De 'Richtlijnen Goede Voeding' van het Voorlichtingsbureau voor de Voeding kunnen helpen bij de behandeling van overgewicht, een te hoog cholesterolgehalte van het bloed en suikerziekte.
In ons land is sinds 1999 een medicijn op de markt dat een goed hulpmiddel kan zijn bij het afvallen. Dit medicament remt de vetopname, waardoor het mogelijk is om, in combinatie met een dieet, ongeveer 5 kg per 3 maanden af te vallen. Uw huisarts kan u er meer over vertellen.

Adviezen voor een goede voeding
1. Gevarieerd eten
Het is belangrijk te zorgen voor voldoende afwisseling in de voeding zodat alle benodigde voedingsstoffen opgenomen worden.
2. Gebruik niet te veel vet
Te veel vet, met name verzadigd (dierlijk) vet, geeft een verhoging van het cholesterolgehalte in het bloed. Wanneer meer onverzadigde vetten gebruikt worden, wordt het LDL-cholesterol lager en stijgt het HDL-cholesterol (het goede cholesterol). Daarbij komen vooral magere producten in aanmerking. Roomboter en worst kunnen beter vervangen worden door dieetmargarine of zonnebloem- en olijfolie en rosbief.
3. Gebruik zetmeel en veel voedingsvezels
Vooral brood, aardappelen en pastaproducten bevatten veel zetmeel. Zetmeel levert veel energie en is een gezondere energiebron dan vet. Voedingsvezels geven al snel een verzadigd gevoel, ze bevatten geen energie en verbeteren de darmfunctie. Groente en fruit bevatten veel vezels.
4. Neem niet te veel suiker
Frisdranken en vooral snoep bevatten veel suiker. In onze dagelijkse voeding zijn deze suikers niet nodig. Ons lichaam is zelf in staat om uit zetmeel suiker te maken. Het is dan ook beter om suiker zo veel mogelijk uit het dieet te schrappen en zeker in koffie en thee geen suiker te gebruiken. Koek, gebak e.d. bevatten behalve suiker veel verzadigde vetten.
5. Gebruik weinig zout
Bijna alle voedingsmiddelen bevatten (voldoende) zout. Extra zout is vrijwel altijd overbodig. Wees daarom ook voorzichtig met het gebruik van veel kant-en-klare producten (soepen, sauzen, ketjap, sambal etc.) want deze bevatten vaak als smaakmaker veel zout. Bij een aantal mensen kan zout de bloeddruk verhogen. In plaats van gewoon zout kan als alternatief dieetzout, dat kalium en magnesium bevat, gebruikt worden.
6. Gebruik per etmaal minimaal 1,5 liter vocht
Voldoende vocht is belangrijk voor een goede stoelgang en voldoende doorstroming van de nieren, zodat via de urineproductie afvalstoffen uit het lichaam verwijderd kunnen worden. Alcohol dient beperkt te worden.
7. Vermijd schadelijke stoffen
Spinazie, andijvie en postelein moeten niet vaker dan eenmaal per week gegeten worden, omdat ze veel (ongezonde) nitraten bevatten. Orgaanvlees (lever en nieren) en zoetwatervis bevatten vaak giftige stoffen (zware metalen, nitraten, giftige koolwaterstoffen).

Richtlijnen Goede Voeding
In de Richtlijnen Goede Voeding worden de dagelijks aanbevolen hoeveelheden aan bepaalde voedingsmiddelen gegeven. Deze richtlijnen gelden voor de meeste mensen. Sommige mensen kunnen met minder dan de aanbevolen hoeveelheden pas afvallen.





Bewegen
Regelmatig bewegen bevordert de gezondheid. In de klassieke tijd werd al gesproken over 'mens sana in corpore sano': een gezonde geest in een gezond lichaam. Deze zegswijze verwijst naar een goede lichamelijke conditie en daar kunnen we allemaal aan werken door zeer regelmatig, het liefst dagelijks gedurende minstens een halfuur, flink te wandelen of te fietsen. Overdreven sporten is helemaal niet nodig en soms zelfs ongewenst. Het is voor iemand die al 20 jaar niet meer gesport heeft en die veel te zwaar is bovendien ook levensgevaarlijk om plotseling te gaan sporten.
Door regelmatig te bewegen gebeuren er verschillende dingen in het lichaam:
* Er wordt beter omgegaan met de energie en vooral met de vetreserves.
* Het hart en het vaatstelsel worden als het ware getraind.
* In de spieren worden extra bloedvaten (zogenoemde collateralen) aangelegd, waardoor in geval van plotselinge afsluiting van een bloedvat de schade veelal beperkt blijft. Dat geldt ook voor het hart.
* Het lichaam kan beter met suiker overweg doordat de lichaamscellen gevoeliger worden voor insuline, het hormoon dat de bloedsuikerspiegel regelt. Met name voor mensen met suikerziekte geldt dan ook dat bewegen zeer goed is.

Stoppen met roken
Roken is een duidelijke risicofactor voor het krijgen van hart- en vaatziekten. Nicotine en koolmonoxide geven een verhoging van de bloeddruk en verhogen de kans op schade aan de bloedvaten. Stoppen met roken loont dus zeker de moeite, nog afgezien van het feit dat daardoor ook de kans op vele vormen van kanker afneemt.
Stoppen met roken is niet eenvoudig. Jaarlijks nemen duizenden rokers zich voor geen sigaret (of sigaar) meer op te steken maar hun pogingen houden meestal slechts kort stand. Om te beginnen is het stoppen met roken een kwestie van 'echt willen stoppen'. Het zit tussen de oren. Door de nicotine in rookartikelen kan een lichamelijke verslaving ontstaan, maar de effecten daarvan (de lichamelijke onthoudingsverschijnselen) zijn na het stoppen binnen enkele dagen tot weken verdwenen. Bovendien bestaan er hulpmiddelen zoals nicotinekauwgum en nicotinepleisters om de lichamelijke onthoudingsverschijnselen te bestrijden.
De geestelijke verslaving aan roken is veel moeilijker te bestrijden. Sinds kort is er een medicijn op de markt dat kan helpen de geestelijke verslaving te overwinnen. Uw huisarts kan u daar meer over vertellen. Daarnaast bestaan er allerlei boeken, zelfhulpgroepen, alternatieve behandelingen zoals acupunctuur en dergelijke. Maar het belangrijkste blijft echter dat degene die moet stoppen met roken dat ook echt wil. Roken is een vermijdbare risicofactor!

Beïnvloeden van andere risicofactoren
Behalve het zorgen voor een gezonde voeding en leefwijze, dienen ook eventueel aanwezige andere risicofactoren, zoals suikerziekte en een te hoog cholesterolgehalte van het bloed, behandeld te worden. Bij een stressvol bestaan moet bekeken worden in hoeverre dit te veranderen is.

Suikerziekte
Suikerziekte (diabetes mellitus) moet zeker behandeld worden. Daarbij komt een dieet op de eerste plaats. Voor het samenstellen en begeleiden van een diabetesdieet is de hulp van een diëtiste onmisbaar. Als er naast diabetes ook sprake is van overgewicht, is het van het grootste belang om ook af te vallen. Ook hier kan de diëtiste voor goede begeleiding zorgen.
Indien een dieet onvoldoende resultaat geeft, kan de suikerziekte behandeld worden met medicijnen die de alvleesklier stimuleren meer insuline te produceren of die de gevoeligheid van de lichaamscellen voor insuline verhogen. In een aantal gevallen moet de patiënt een of meerdere malen insuline toegediend krijgen via injecties, soms in combinatie met eerdergenoemde medicijnen. Diabetes is een behandelbare risicofactor!

Te hoog cholesterolgehalte
De term cholesterolgehalte doet feitelijk tekort aan het complexe vettenprobleem. Er bevinden zich namelijk verschillende typen cholesterol in ons bloed. Het HDL-cholesterol is een type cholesterol dat gunstig is voor de bloedvaten, terwijl het LDL-cholesterol een ongunstig effect heeft. LDL-cholesterol heeft een sterke neiging zich op te hopen in de wanden van de bloedvaten. Een hoog LDL-cholesterolgehalte draagt dus bij tot aderverkalking.
Het HDL-cholesterol werkt dit tegen: het zorgt ervoor dat het slechte LDL-cholesterol in het bloed opgelost blijft en niet in de wanden van de bloedvaten gaat zitten. Een te laag HDL-cholesterolgehalte geeft een vergrote kans op hart- en vaatziekten. Voor een deel worden de vetten in ons bloed aangemaakt door de lever en voor een ander gedeelte is het vetgehalte afhankelijk van wat wij eten en hoe wij leven. In onze dagelijkse voeding zitten beide typen cholesterol. De hoeveelheid HDL-cholesterol kunnen we voor een groot deel zelf beïnvloeden door verstandig te eten, niet te roken en flink te bewegen. Bij rokers is het HDL-cholesterol verlaagd. Door bewegen wordt het HDL-cholesterol verhoogd. Het HDL-cholesterolgehalte kan ook door middel van medicijnen worden verhoogd.
Naast cholesterol bestaan er nog andere vetsoorten: de triglyceriden. Een verhoogd triglyceridengehalte in het bloed is een bijzondere risicofactor die ook op zichzelf kan voorkomen en vaak erfelijk is. Als we te vet eten, of te veel alcohol nuttigen, stijgt het triglyceridengehalte. Ook bij mensen met onvoldoende, of slecht gereguleerde diabetes is het triglyceridengehalte verhoogd. Daarbij bestaat een vergroot risico op het krijgen van vaatafwijkingen. Het triglyceridengehalte wordt gunstig beïnvloed door dieet, bewegen en medicijnen.
In april 1998 is de tweede herziening Cholesterol Consensus verschenen. Hierin staan de nieuwste richtlijnen voor behandeling van cholesterolproblemen met medicijnen. In principe komt iedereen met een cholesterolgehalte hoger dan 8 mmol/l of een triglyceridengehalte hoger dan 4 mmol/l in aanmerking voor behandeling met medicijnen. Een te hoog cholesterolgehalte is een deels vermijdbare, deels behandelbare risicofactor!





Hyperhomocysteïnaemie
De laatste jaren is een nieuwe risicofactor voor hart- en vaatziekten ontdekt. Een verhoogd gehalte homocysteïne in het bloed blijkt verantwoordelijk voor beschadiging van het endotheel. Een verhoogd gehalte homocysteïne is het gevolg van een onvolledige afbraak van het aminozuur methionine. Dit is een eiwit dat in onze natuurlijke voeding voorkomt. Onvolledige afbraak van methionine kan onder andere ontstaan door een tekort aan de vitaminen foliumzuur en B12.
Vooral bij mensen die al op jonge leeftijd ernstige vaatafwijkingen hebben blijkt er nogal eens sprake te zijn van hyperhomocysteïnaemie. Een behandeling met vitaminen kan dan verdere schade helpen te voorkomen. Een hyperhomocysteïnaemie kan erfelijk zijn of het gevolg zijn van onvolwaardige voeding.

Stress
De rol van stress bij het ontstaan van hart- en vaatziekten is nog niet helemaal duidelijk. Vrijwel zeker kan het langdurig bestaan van overmatige stress leiden tot hypertensie. Gedeeltelijk wordt dit veroorzaakt door de verhoogde prikkeling van het autonome zenuwstelsel, waardoor extra hoeveelheden adrenaline worden afgescheiden. Daarnaast is de hypertensie bij stress voor een deel te wijten aan de ongezonde levenswijze die stress vaak met zich meebrengt: roken, snel en te vet eten, te veel alcohol en te weinig bewegen. Stress is in principe meestal een vermijdbare risicofactor, in de praktijk is het vermijden vaak moeilijk.

Behandeling met medicijnen
Als beïnvloeding van de levensstijl en eventueel de aanpak van bijkomende risicofactoren faalt, is bij hypertensie het gebruik van medicijnen aangewezen. De beslissing om medicijnen voor te schrijven is geen gemakkelijke. Gewoonlijk zullen medicijnen een of meerdere malen per dag gebruikt moeten worden gedurende een periode van vele jaren. Eerder is al gesproken over gebrekkige therapietrouw, dat wil zeggen het niet op de voorgeschreven wijze innemen van medicijnen.
Uit cijfers van het Rijksinstituut voor volksgezondheid blijkt dat in Nederland 750.000 mensen hypertensie hebben: bij 20- tot 69-jarigen gaat het om 27% van de mannen en 22% van de vrouwen, bij 70- tot 84-jarigen om 39% van de mannen en 45% van de vrouwen. Ongeveer 70% daarvan krijgt medicijnen voorgeschreven om de bloeddruk te verlagen. De helft hiervan gebruikt de medicijnen niet op de voorgeschreven wijze.
Eigenlijk is het onvoorstelbaar dat vele mensen bereid zijn wel 20 keer per dag een ongezonde sigaret op te steken en er dan vervolgens moeite mee hebben een of twee keer per dag een pil te slikken die hun bloeddruk verlaagt waardoor ze een grotere kans hebben op een langer en gezonder leven.

Motivatie is belangrijk
Het is ontzettend belangrijk dat u de voorgeschreven medicijnen op de juiste manier gebruikt. Daarbij speelt motivatie een grote rol. U moet ervan overtuigd zijn dat het gebruik van medicijnen echt helpt.
Uit de vele onderzoeken die bij mensen met hypertensie zijn gedaan, is het als een vaststaand feit naar voren gekomen dat verlaging van de bloeddruk leidt tot een aanzienlijke daling van het aantal complicaties van hoge bloeddruk. Dit moet toch voldoende motivatie geven om de voorgeschreven medicijnen ook daadwerkelijk in te nemen?

Eén of meer malen per dag slikken
Bij meerdere wetenschappelijke studies is vast komen te staan dat de hoogste therapietrouw wordt bereikt indien een medicament éénmaal per dag genomen moet worden. Tweemaal
per dag scoort nog redelijk maar een hogere frequentie leidt
tot vergeten en daarmee tot een afname van het beoogde
effect.

Bijwerkingen
Mensen met hypertensie hebben meestal geen klachten. Als ze dan medicijnen moeten slikken die hun wel klachten bezorgen, is het wel voor te stellen dat ze die medicijnen niet graag willen gebruiken.
Veel bloeddrukverlagende medicijnen kunnen helaas bijwerkingen veroorzaken. Een lijst met bijwerkingen staat in elke bijsluiter vermeld. Die bijwerkingen hoeven echter niet op te treden. Het is een wettelijke verplichting om alle mogelijke bijwerkingen in een bijsluiter op te nemen. Dat geldt ook voor de zeldzame bijwerkingen! In elk geval zijn de meeste bijwerkingen van dusdanige aard dat het nut van het medicament er ruimschoots tegenop weegt.
U doet er altijd goed aan er met de dokter over te praten wanneer u bijwerkingen vermoedt. Waar mogelijk kan dan voor een ander middel worden gekozen waar u hopelijk minder of geen last van hebt.

Zo min mogelijk verschillende medicijnen
Het risico op vergissingen en vergeten van medicijnen is altijd groter naarmate er meer medicijnen per dag geslikt moeten worden. Helaas zal het vaak toch nodig zijn verschillende soorten medicamenten te slikken om de bloeddruk bevredigend te verlagen. Soms is het daarom zinvol meerdere medicamenten te combineren in één tablet of capsule (combinatiepreparaten) waardoor de patiënt toch maar éénmaal per dag een tablet hoeft in te nemen.




Hoe vaak bloeddrukcontrole?
Nadat een behandeling met medicijnen is ingesteld, kan het enkele dagen tot weken duren voordat een optimaal effect is bereikt. De arts zal dan ook meestal pas na vier tot zes weken het effect door middel van bloeddrukmeting controleren. Zo nodig moet dan de dosering worden verhoogd en wordt na vier tot zes weken opnieuw de bloeddruk gecontroleerd. Indien er dan nog onvoldoende effect is opgetreden, wordt er soms een tweede middel aan de behandeling toegevoegd.
Het overschakelen van het ene op een ander medicament is in het algemeen niet nuttig daar vrijwel alle bloeddrukverlagende medicijnen ongeveer hetzelfde effect hebben. Als de bloeddruk voldoende is gezakt, wordt deze als regel twee- tot viermaal per jaar gecontroleerd.




Kunnen de medicijnen later weer verminderd worden?
Niemand slikt graag pillen en daarom is dit ook een vaak gestelde vraag. Als de bloeddruk gedurende bijvoorbeeld twee jaar goed geregeld is, kan het zeker zinvol zijn een poging te wagen om de dosis te verlagen. Als dat geen goed resultaat geeft, kan het ieder jaar opnieuw geprobeerd worden.

Is controle na stoppen van de behandeling nodig?
Indien de bloeddruk gedurende langere tijd normaal is en met de medicijnen gestopt kan worden, moet de bloeddruk toch nog minstens een- tot tweemaal per jaar gecontroleerd worden. De arts besteedt daarbij meestal ook aandacht aan de bijkomende risicofactoren.

Is verwijzing naar de specialist nodig?
Zoals al eerder is gesteld is in 90% van de gevallen de oorzaak van de bloeddrukverhoging niet bekend en spreekt men van essentiële hypertensie. De huisarts zal dan - nadat eerst de effecten van een gezonde leefstijl zijn afgewacht - een behandeling met een medicament instellen en zo nodig na enkele maanden een tweede medicijn toevoegen. Wanneer ook dit niet tot een bevredigend resultaat leidt, wordt de patiënt meestal verwezen naar een internist of cardioloog. Als er aanwijzingen zijn dat er voor de verhoogde bloeddruk een duidelijke oorzaak bestaat - we spreken dan van secundaire hypertensie - wordt de patiënt als regel direct naar een specialist verwezen. Datzelfde geldt voor die patiënten waarbij er tekenen zijn van orgaanschade en diegenen die een heel scala aan risicofactoren hebben. Ook wanneer de bloeddruk erg hoog is, is verwijzen naar een specialist nodig. Meestal echter kunnen de patiënten met hypertensie gewoon door de huisarts behandeld worden.

Bloeddrukkaart
Voor het gemak van de arts en de patiënt zijn er vele soorten zogenoemde bloeddrukkaarten in omloop waarop de waarden van de bloeddruk genoteerd kunnen worden. Soms worden daar ook andere nuttige gegevens op genoteerd zoals gewicht en laboratoriumuitslagen. Ook kunnen op deze kaart de gebruikte medicijnen genoteerd worden, wat vaak heel erg handig is omdat het voor veel mensen erg moeilijk is om de gebruikte dosering te onthouden. Het blijkt dat door het gebruik van deze bloeddrukkaarten het voor u makkelijker is om de medicijnen beter in te nemen.

Soorten medicijnen
Als medicijnen voor het verlagen van verhoogde bloeddruk nodig zijn, dient een middel gekozen te worden met de meeste kans op succes en de minste kans op bijwerkingen voor de desbetreffende patiënt. Daarbij moeten arts en patiënt geduld hebben, aangezien de optimale werking van een medicijn soms pas na zes weken optreedt. Grofweg zijn er zeven grote groepen medicijnen:
1 Diuretica (plastabletten) - verminderen de weerstand in de bloedvaten;
2 Bètablokkers - verminderen de hartfrequentie en de pompkracht;
3 Calciumantagonisten - verwijden de bloedvaten;
4 ACE-remmers - werken op het renine-angiotensinesysteem in de nieren en verwijden bloedvaten;
5 Angiotensine II-antagonisten - werken op het renine-angiotensinesysteem in de nieren en verwijden bloedvaten;
6 Alfablokkers - verwijden de bloedvaten;
7 Centraal aangrijpende antihypertensiva - zorgen via beïnvloeding van het autonome zenuwstelsel voor vaatverwijding.
Van bovenstaande groepen worden de diuretica en de bètablokkers het meest voorgeschreven. Deze twee groepen zijn het langst in gebruik en zijn ook door zeer grote groepen patiënten gebruikt. Gebruik van diuretica en bètablokkers geeft op de lange termijn een bewezen verlaging van sterfte en complicaties door hypertensie. Van de nieuwere groepen calciumantagonisten en ACE-remmers is inmiddels ook in een aantal langetermijnstudies aangetoond dat deze de sterfte en complicaties door hypertensie verlagen. Tevens is gebleken dat calcium-antagonisten en ACE-remmers andere gunstige effecten kunnen hebben, bijv. op de nier. Deze gunstige effecten zijn ook in kleine studies al aangetoond voor de nieuwste groep van Angiotensine II-antagonisten. Van de later ontwikkelde medicijnen zijn echter nog geen langetermijnstudies beschikbaar, omdat deze simpelweg nog niet zo lang op de markt zijn. Volgens de richtlijnen voor de behandeling van hypertensie kan iedere groep middelen tegen hypertensie gebruikt worden.

Combinaties van twee preparaten
Wanneer de bloeddruk met één middel niet tot een bevredigend peil verlaagd kan worden, zal de arts er meestal een tweede middel aan willen toevoegen. Soms is dat zelfs beter dan de dosis van het eerst voorgeschreven middel telkens opnieuw te verhogen. Bij het voorschrijven van combinaties zullen de beide middelen veelal elkaars werking versterken. Dat geldt echter helaas ook voor elkaars bijwerkingen. Bij de keuze van geneesmiddelencombinaties zal de arts daar rekening mee houden.

Combinatiepreparaten
Bij het combineren van twee preparaten is het uiteraard gemakkelijker voor de patiënt om die twee middelen in één preparaat samen te voegen. Dat verkleint de kans op vergissingen en bevordert de patiëntentrouw. Daarom zijn enkele veel voorgeschreven geneesmiddelcombinaties in één tablet of capsule samengevoegd: combinatiepreparaten. Hierbij gaat het om combinaties waarvan in de praktijk is gebleken dat die een gunstige werking hebben.
Toch zijn er aan combinatiepreparaten ook nadelen verbonden. Ze bevatten uiteraard een vaste combinatie van een bepaalde hoeveelheid van twee werkzame stoffen. Je kunt de dosering van de stoffen afzonderlijk dus niet meer individueel aanpassen. Dat betekent dat de arts, als het resultaat op de bloeddruk onvoldoende is, de dosering van beide afzonderlijke stoffen tegelijk moet verhogen.
Een ander nadeel van combinatiepreparaten is het risico op bijwerkingen. Bij een verhoging van de dagdosis van een combinatiepreparaat bestaat er meer kans op het optreden van bijwerkingen, omdat immers de dagdosis van beide componenten tegelijk wordt verhoogd. Dat risico is groter dan in het geval dat beide componenten afzonderlijk ingenomen worden. Want in dat geval zou de arts slechts de dosering van één van beide componenten verhogen.
Combinatiepreparaten dienen te worden gereserveerd voor de patiënten die tevoren goed waren ingesteld op de combinatie van de afzonderlijke componenten in precies dezelfde dosisverhouding.

Diuretica
Diuretica (of plaspillen) zijn middelen die er in de nieren voor zorgen dat de zoutuitscheiding, en daardoor ook de vochtuitscheiding, groter wordt. Het wordt echter betwijfeld of de bloeddrukverlagende werking van plaspillen daarop is gebaseerd. Want voor het bloeddrukverlagende effect volstaat reeds een lagere dosering, dan voor een duidelijke toename van de urineproductie nodig is. Je zal dus van diuretica niet merkbaar meer gaan plassen of vaker naar het toilet moeten. Bovendien blijken de mild werkende diuretica een gunstiger effect op de bloeddruk te hebben, dan de sterk werkende diuretica. Waarschijnlijk is de bloeddrukverlagende werking te danken aan een verlaging van de weerstand in de bloedvaten.

Gebruik
Diuretica geven een goede bloeddrukdaling die langzaam ontstaat. Het heeft pas zes weken na het begin van de behandeling zin om het resultaat te controleren.
Diuretica hoeven slechts eenmaal per dag ingenomen te worden. Bij onvoldoende resultaat heeft het in de regel geen zin om de dosering te verhogen. Beter is het dan om er een ander medicijn aan toe te voegen. Diuretica kunnen heel goed gecombineerd worden met alle andere bloeddrukverlagende medicijnen.
Naast controle van de bloeddruk zijn specifieke controles van bijvoorbeeld bloedsuiker, zouten (natrium en kalium) en nierfunctie nodig.

Bijwerkingen
Diuretica veroorzaken, zeker bij de gebruikelijke lage dosering, weinig bijwerkingen. De belangrijkste zijn:
o kaliumverlies: omdat diuretica de zoutuitscheiding bevorderen kan er in het bloed een te laag kaliumgehalte ontstaan. Daarom moet, ook bij een lage dosering, af en toe de kaliumspiegel van het bloed gecontroleerd worden. Dat is zeker van belang voor mensen die tevens met digoxine worden behandeld, omdat bij hen de kans op bijwerkingen als gevolg van een te lage kaliumspiegel groter is. Het risico op een te lage kaliumspiegel is echter, zeker bij de gebruikelijke lage diureticadoseringen, klein.
o bloedsuikerverhoging: de bij hypertensie gebruikte diuretica kunnen soms een lichte verhoging van het bloedsuikergehalte veroorzaken. Bij de gebruikelijke lage doseringen is dit risico echter te verwaarlozen. Alleen bij mensen met (aanleg voor) suikerziekte is dit een reden om bij voorkeur een ander bloeddrukverlagend middel te gebruiken, bijvoorbeeld een ACE-remmer, een alfablokker of een selectief centraal werkend middel.
o urinezuurverhoging: urinezuur is een normaal in het bloed aanwezig afbraakproduct van de eiwitstofwisseling. Bij een stoornis in de eiwitstofwisseling kan een te hoog urinezuurgehalte in het bloed ontstaan, waarbij er zich pijnlijke urinezuurkristallen in de gewrichten afzetten. Deze ziekte wordt jicht genoemd. De soms optredende lichte urinezuurverhoging bij het gebruik van diuretica is voor mensen zonder jicht geen reden tot ongerustheid.
o cholesterolverhoging: bij het gebruik van hoge doseringen diuretica zijn bij kortdurend gebruik soms lichte verhogingen van het cholesterolgehalte van het bloed gevonden. Bij langdurig gebruik van lage doseringen, zoals bij de behandeling van hypertensie, zijn deze verhogingen echter niet of in een slechts geringe omvang waargenomen, zodat diuretica veilig gebruikt kunnen worden.

Bètablokkers
Bètablokkers zijn medicijnen die de activiteit van de bètareceptoren van het sympathische zenuwstelsel afremmen. Daardoor verlagen zij de bloeddruk. Dit gebeurt op drie manieren, namelijk door het verminderen van de pompkracht van het hart en hoeveelheid bloed die het hart uitpompt, het verlagen van de weerstand in de bloedvaten en het gunstig beïnvloeden van het renine-angiotensinesysteem. Bovendien vertragen ze het hartritme enigszins. Het sympathische zenuwstelsel werkt niet alleen op de bètareceptoren in het hart en de bloedvaten, maar onder meer ook op de bètareceptoren in de spiertjes in de wanden van de luchtwegen, de huid en de darmen. Dit laatste is bij de behandeling van hypertensie minder gewenst en kan aanleiding geven tot ongewenste bijwerkingen.
De werking van bètablokkers kan verschillen. Dat komt doordat de bètareceptoren in de verschillende organen niet op dezelfde manier reageren. Grofweg kunnen er twee verschillende typen bètareceptoren worden onderscheiden: de bèta-1-receptoren en de bèta-2-receptoren. In het hart bevinden zich voornamelijk bèta-1-receptoren. De bèta-2-receptoren bevinden zich vooral in de wanden van de bloedvaten en de luchtwegen.
Een aantal bètablokkers werkt vrijwel alleen (= selectief) op de sympathische receptoren van het hart (de bèta-1 receptoren). Dit worden de selectieve bètablokkers genoemd. De andere werken op beide typen bètareceptoren en worden de niet-selectieve bètablokkers genoemd. Voor wat hun bloeddrukverlagende werking betreft, zijn alle bètablokkers even effectief.

Gebruik
Bètablokkers geven een goede bloeddrukdaling die langzaam ontstaat. Daarom heeft het pas zes weken na het begin van de behandeling zin om het resultaat te controleren.
Bètablokkers worden meestal eenmaal en soms tweemaal per dag ingenomen. Bij onvoldoende resultaat kan de dosering langzaam verhoogd worden.
Bètablokkers kunnen heel goed gecombineerd worden met andere bloeddrukverlagende medicijnen.
Omdat bètablokkers de hoeveelheid bloed die het hart uitpompt, verlagen, mogen ze niet gebruikt worden door mensen met een onvoldoende hartwerking (hartfalen). De afname van de pompkracht van het hart is bij hartfalen ongewenst.
Naast controle van de bloeddruk zijn geen specifieke controles, van bijvoorbeeld het bloed, nodig.

Bijwerkingen
Bètablokkers veroorzaken soms bijwerkingen, zoals vermoeidheid, duizeligheid en hoofdpijn, maar deze klachten zijn in de regel mild. Andere mogelijke bijwerkingen zijn:
* koude voeten en handen: doordat de doorbloeding in de kleine bloedvaten bij sommige bètablokkers wat afneemt, kunnen mensen die daarvoor gevoelig zijn last krijgen van koude voeten en handen.
* benauwdheid: de niet-selectieve bètablokkers kunnen de spiertjes in de wanden van de luchtwegen activeren, waardoor de luchtwegen zich vernauwen. Deze bètablokkers mogen daarom niet gebruikt worden door mensen met astma. Bij hoge doseringen kunnen overigens ook de selectieve bètablokkers deze bijwerkingen veroorzaken.
* bloedsuikerverlaging: bij mensen met suikerziekte kan het gebruik van bètablokkers problemen geven, doordat een te laag suikergehalte door de patiënt niet of te laat herkend wordt. Bij een te laag bloedsuikergetal treden normaalgesproken in het lichaam bepaalde stressreacties op - zoals hartkloppingen en transpireren. Deze reacties worden door bètablokkers onderdrukt.
* potentiestoornissen: bij sommige mannen blijken bètablokkers aanleiding te geven tot impotentie. Indien dit onverhoopt mocht gebeuren, zal uiteraard op een ander type bloeddrukmiddel worden overgegaan.
* slaapproblemen: een klein aantal gebruikers klaagt tijdens het gebruik van bètablokkers over slaapstoornissen door het optreden van onrustige dromen.
* risico's op diabetes: het gebruik van bètablokkers bij mensen met hypertensie verhoogt het risico op het manifest worden van diabetes type 2 met 28 procent. Dit komt doordat mensen met hypertensie sowieso een verhoogd risico hebben op diabetes. Bètablokkers verlagen de gevoeligheid voor insuline waardoor er een relatief tekort aan insuline kan ontstaan.

Calciumantagonisten
Calciumantagonisten verlagen de bloeddruk doordat ze de bloedvaten verwijden. Omdat ze ook de kransslagaders verwijden, worden ze ook voorgeschreven bij mensen met klachten ten gevolge van kransslagadervernauwing (angina pectoris).
Calcium is niet alleen nodig voor de opbouw van het botweefsel, maar ook bij de werking van de spieren. Calciumantagonisten zijn medicijnen die slechts invloed hebben op de calciumhuishouding van de spiervezels van het hart en in de wanden van de bloedvaten. Ze hebben geen invloed op de werking van de skeletspieren en de botten of op het calciumgehalte van het bloed.

Gebruik
De thans meest toegepaste calciumantagonisten worden eenmaal daags ingenomen. Dit komt omdat de huidige preparaten van zichzelf langwerkend zijn, of omdat er van de oudere kortwerkende preparaten een doseringsvorm is ontwikkeld waardoor het middel langzaam wordt afgegeven na inname. Tenslotte is er een nieuwe klasse preparaten die zich bindt aan de vetten in de celwanden en zo een langdurig effect hebben. In het verleden moesten calciumantagonisten soms wel viermaal daags worden geslikt. Dit is gelukkig tegenwoordig niet meer nodig. Naast controle van de bloeddruk zijn geen specifieke controles van bijvoorbeeld het bloed nodig.

Bijwerkingen
De bijwerkingen van de moderne eenmaal daagse langwerkende calciumantagonisten worden veroorzaakt door hun bloedvatverwijdend effect. De meest bekende zijn dikke enkels, die bij de nieuwste generatie calciumantagonisten overigens minder vaak lijken voor te komen. Ook wordt wel eens het ontstaan van een rood hoofd (blozen, opvliegers), hoofdpijn en duizeligheid gezien, hoewel dit toch voornamelijk voorkomt bij de korter werkende middelen. Ook klachten over misselijkheid en lichte hartkloppingen kunnen optreden.

ACE-remmers
ACE-remmers (Angiotensine Converterend Enzym-remmers) zijn middelen die door beïnvloeding van een aantal hormonen (het renine en het angiotensine) de bloeddruk verlagen doordat er vaatverwijding optreedt. Behalve een heel gunstige invloed op de bloeddruk, bezitten ACE-remmers ook nog een aantal gunstige neveneffecten. Door de bloedvatverwijding wordt het hart minder belast. Dit is vooral van belang voor mensen die last hebben van een onvoldoende pompfunctie van het hart (hartfalen), aangezien dit bij hen leidt tot een betere pompfunctie van het hart. Voorts bezitten ACE-remmers een remmende werking op de verslechtering van de nierfunctie en het eiwitverlies door de nieren als gevolg van suikerziekte en andere nierziekten. En ten slotte bestaat er soms ook een gunstig effect als ACE-remmers gegeven worden kort na het optreden van een hartinfarct doordat hierbij het litteken op een zeer voordelige wijze wordt 'gerepareerd'. ACE-remmers werken vaak minder goed bij mensen van het negroïde ras, omdat het reninegehalte in het bloed bij hen van nature lager is.

Gebruik
ACE-remmers kunnen reeds in het allereerste begin van de behandeling een snelle bloeddrukdaling veroorzaken. De bloeddrukcontroles zullen daarom vaak al in de eerste week plaatsvinden. ACE-remmers worden in de regel eenmaal of tweemaal per dag ingenomen. Bij het begin van de behandeling wordt een lage dosering voorgeschreven, om de kans op bijwerkingen te verkleinen. Afhankelijk van het resultaat kan de dosering later langzaam verhoogd worden.
Alle ACE-remmers kunnen goed gecombineerd worden met andere bloeddrukverlagende middelen. Ze versterken elkaars werking, maar ook elkaars bijwerkingen. Combineren is dus niet geheel zonder risico en vraagt om goede controle.
Naast controle van de bloeddruk is regelmatige controle van de zouten (natrium en kalium) en de nierfunctie nodig, met name bij verandering van de algehele conditie van de patiënt.

Bijwerkingen
Helaas hebben ACE-remmers ook bijwerkingen:
o te krachtige bloeddrukdaling: een snelle bloeddrukdaling kan tijdens het begin van de behandeling leiden tot duizeligheid en valneiging bij te snel opstaan. Soms treedt dit reeds na inname van de eerste dosis op. Hetzelfde probleem kan zich voordoen tijdens een verhoging van de dosis. Daarom wordt aanbevolen in het algemeen te beginnen met een lage dosering. Gelijktijdig gebruik van diuretica versterkt het risico op bloeddrukdaling tijdens het begin van de behandeling. Dit risico kan verkleind worden door een dag voor het beginnen met de ACE-remmer de dosis van het diureticum te verlagen (of tijdelijk te stoppen).
o kriebelhoest: dit kan bij wel 10 tot 20% van de gebruikers voorkomen. Soms helpt het om de dosis te verlagen, maar meestal zal het middel gestaakt moet worden. De kriebelhoest verdwijnt dan binnen enkele weken vanzelf. Kriebelhoest komt niet voor bij de zogenoemde A II-antagonisten. Deze nog relatief nieuwe middelen hebben verder waarschijnlijk dezelfde invloed op de bloeddruk als de ACE-remmers, maar dan zonder de hinderlijke prikkelhoest als bijwerking.
o verslechtering van de nierfunctie: hoewel ACE-remmers bij mensen met suikerziekte gunstig op de nierfunctie kunnen werken, kan dit bij andere nieraandoeningen juist een verslechtering van de nierfunctie veroorzaken, met name als er sprake is van een eenzijdige vernauwing van een van de nierslagaders.
o verhoogd kaliumgehalte: in combinatie met bepaalde diuretica kunnen ACE-remmers aanleiding geven tot een gevaarlijke stijging van het kaliumgehalte van het bloed. Regelmatige controle van het bloed is bij deze combinatie dan ook gewenst.


Werking van ACE-remmers en Angiotensine II-antagonisten.
Onder invloed van de hormonen renine en ACE wordt angiotensinogeen omgezet in angiotensine II en vervolgens in angiotensine II. ACE-remmers remmen de omzetting in angiotensine II. De Angiotensine II-antagonisten voorkomen dat angiotensine II op de werkzame plaats komt (ze blokkeren de receptor).


Angiotensine II-antagonisten
Angiotensine II-antagonisten werken evenals de ACE-remmers op het renine-angiosinesysteem in de nieren en verwijden de bloedvaten. Het effect is als bij de ACE-remmers. Een belangrijk verschil is echter dat er bij de Angiotensine II-antagonisten minder bijwerkingen optreden; met name is er minder vaak sprake van hoestklachten. Uit de studies die tot nu toe zijn verricht blijkt dat de bijwerkingen op het niveau van een placebo liggen. Een placebo is een stof die in uiterlijk en smaak geheel overeenkomt met een bepaald medicament, maar geen werkzame bestanddelen bevat. Placebo's worden gebruikt bij proefnemingen.

Alfablokkers
Alfablokkers kunnen reeds in het allereerste begin van de behandeling een snelle bloeddrukdaling veroorzaken. De bloeddrukcontroles zullen daarom vaak al in de eerste week plaatsvinden. Alfablokkers grijpen aan op alfareceptoren in de vaatwand en geven een verwijding van het vaatstelsel waardoor de bloeddruk daalt. Ze worden in de regel niet gebruikt om de behandeling van hypertensie mee te beginnen, tenzij daar speciale redenen voor zijn, zoals bij suikerziekte, astma of stoornissen in de doorbloeding in kleine vaten of de vaten van de nieren. Ze kunnen ook worden ingezet wanneer de middelen uit de voorgaande categorieën vanwege bijwerkingen gestopt moeten worden.
Alfablokkers worden ook voorgeschreven bij mannen met prostaatproblemen.

Gebruik
Alfablokkers worden in de regel een- of tweemaal per dag ingenomen. Bij het begin van de behandeling wordt een lage dosering voorgeschreven, om de kans op bijwerkingen te verkleinen. Afhankelijk van het resultaat kan de dosering later langzaam, met tussenpozen van enkele weken, verhoogd worden. Tegenwoordig bestaat er een alfablokker met vertraagde afgifte die het starten met een lage dosering overbodig maakt, en waarmee het risico van bijwerkingen sterk is verlaagd.

Bijwerkingen
De meest voorkomende bijwerkingen zijn duizeligheid en vermoeidheid. Deze zijn te wijten aan een te snelle daling van de bloeddruk. Bij te snel opstaan kan dit aanleiding geven tot valneiging. Gelukkig is het risico hiervan met een alfablokker met vertraagde afgifte minimaal en niet hoger dan met andere bloeddrukverlagers.

Centraal aangrijpende middelen
Centraal aangrijpende middelen danken hun naam aan het feit dat zij hun bloeddrukverlagende werking uitoefenen op de centraal in de hersenen gelegen hersenstam. Hier bevinden zich onder andere de imidazolinereceptoren, die een onderdeel vormen van het sympathische zenuwstelsel.
De imidazolinereceptoren ontvangen informatie over de bloeddruk en spelen een belangrijke rol bij het reguleren van de bloeddruk.
Onder de centraal werkende bloeddrukverlagers bevindt zich een nieuw middel dat selectief op de imidazolinereceptor aangrijpt. Dit selectief centraal werkende middel zorgt hierdoor voor een bloeddrukdaling met een minimum aan bijwerkingen. Stimulatie van de imidazolinereceptoren verlaagt de sympathische activiteit en leidt tot wijder worden van de bloedvaatjes, waardoor de bloeddruk daalt. Bij patiënten met een onvoldoende hartfunctie (hartfalen) is de sympathische zenuwactiviteit verhoogd. Het selectief centraal werkend middel lijkt bruikbaar te zijn bij patiënten met hartfalen. Bovendien zijn er aanwijzingen dat dit nieuwe middel ook gunstige effecten heeft op de insulineresistentie, een verschijnsel dat bij vrijwel alle dikke hypertensieve patiënten aanwezig is.

Gebruik
De centraal aangrijpende middelen kunnen reeds in het allereerste begin van de behandeling een snelle bloeddrukdaling veroorzaken. Dit geldt met name voor de oudere middelen. De behandeling begint dan ook met een lage dosering. Tijdens de bloeddrukcontroles in de eerste weken kan dan zo nodig een verhoging van de dosering plaatsvinden.
Van de centraal aangrijpende middelen is het nieuwste middel het meest interessant (selectieve imidazolinereceptoragonist). Dit middel verlaagt de bloeddruk en kan indien nodig zonder problemen worden gecombineerd met bloeddrukverlagende middelen uit andere groepen. Bij ouderen behoeft geen dosisaanpassing plaats te vinden en ook patiënten met suikerziekte, jicht of astma kunnen het gebruiken. Bloedcontroles zijn niet nodig. Bij mensen met hoge bloeddruk en overgewicht vermindert de insulineresistentie, een voorloper van de suikerziekte.

Bijwerkingen
De meeste middelen van deze categorie zijn al heel oud en kennen vele bijwerkingen. De belangrijkste hiervan zijn sufheid, vermoeidheid, droge mond, duizeligheid, hoofdpijn en impotentie. Deze bijwerkingen zijn vooral te wijten aan het feit dat de centraal aangrijpende middelen ook elders in de hersenen invloed uitoefenen. Er zijn aanwijzingen dat het nieuwere middel uit deze klasse de activiteit van de sympathische bloeddrukregulerende receptoren selectiever afremt, waardoor de bijwerkingen niet of minder vaak voorkomen.

Kiezen van een medicijn
Binnen de zeven hierboven genoemde medicijngroepen bestaat een keuze uit meer dan honderd verschillende merken medicijnen voor de behandeling van hoge bloeddruk. Dit grote aantal medicijnen, waarvan in het hoofdstuk 'Met naam en toenaam' alle merken vermeld staan, begint een redelijk oerwoud te worden. De meeste artsen zullen uit iedere groep bloeddrukverlagende middelen enkele merken kiezen waarmee ze aan het werk gaan en waarvan ze de mogelijke doseringen, het te verwachten effect en de bijwerkingen goed kennen. Soms kan door de arts van de aanbevolen dosering worden afgeweken.
Door de wetgever is het verplicht gesteld dat alle medicijnen voorzien zijn van een bijsluiter. Hierop staan naast de stof- en merknaam van het voorgeschreven medicament ook alle mogelijke bijwerkingen vermeld alsook de omstandigheden waarbij het medicijn in een aangepaste dosering gebruikt moet worden of wanneer het middel niet geslikt mag worden.

Factoren
Veel artsen kiezen als medicijnen nodig zijn in eerste instantie voor een diureticum of een bètablokker, wanneer er tenminste geen bijzondere redenen zijn om een andere keuze te maken. Vaak zijn er echter wel degelijk bijzondere omstandigheden, die tot een andere keuze voor het eerste hypertensiemiddel leiden. De beslissing voor welk medicament bij een bepaalde patiënt gekozen zal worden, hangt van een aantal factoren af. Naast de ervaring van de dokter met de medicijnen die er voorgeschreven kunnen worden, speelt een aantal kenmerken van de patiënt een rol:
* leeftijd: voor oudere mensen weegt het vaak minder zwaar als ze door bloeddrukverlagende medicijnen minder kunnen sporten. Bètablokkers geven een duidelijke vermindering van de maximale inspanning. Voor jongere mensen die graag willen sporten, is dat uiteraard heel vervelend. Daarnaast zijn oudere mensen vaak extra gevoelig voor de bloedvatvernauwende eigenschappen van bètablokkers waardoor ze meer last van koude handen en voeten hebben.
* geslacht: vrouwen die op korte termijn zwanger willen worden vormen een bijzondere groep. De meeste bloeddrukverlagende middelen zijn namelijk tijdens de zwangerschap niet toegestaan. De arts zal daar rekening mee houden en erop wijzen dat wanneer er geen voorbehoedmiddelen (meer) gebruikt worden, bepaalde bloeddrukverlagende middelen minder gewenst zijn.
* beroep: mensen met een beroep dat zware eisen stelt aan hun lichamelijk prestatievermogen kunnen beter geen bètablokkers gebruiken omdat ze beduidend minder zullen presteren. In sommige gevallen kan dat heel gevaarlijk zijn, bijvoorbeeld bij patiënten die diep onder water hun werk moeten doen.
* ras: bij personen van het negroïde ras werken ACE-remmers minder goed. Calciumantagonisten werken bij hen beter.
* suikerziekte: bij suikerziekte is het beter geen bètablokkers te gebruiken, omdat de bloedsuikers hoger kunnen worden en omdat je te lage bloedsuikers soms niet voelt aankomen. Ook diuretica verhogen de bloedsuikers.
* te hoog lichaamsgewicht: bij te zware patiënten zijn diuretica en bètablokkers geen eerste keus, door de effecten op de bloedsuikers en op de insulinegevoeligheid.
* astma: de meeste bètablokkers kunnen een vernauwing van de luchtwegen geven waardoor ze door astmapatiënten beter niet gebruikt kunnen worden. Ook ACE-remmers kunnen, zeker als ze bij de patiënt een hinderlijke kriebelhoest geven, soms beter niet bij astma gebruikt worden.
* stoornissen in de vetstofwisseling: bètablokkers moeten niet worden voorgeschreven bij patiënten met een sterk verhoogd triglyceridengehalte van het bloed, omdat ze bijdragen tot een verdere verhoging daarvan.
* angina pectoris: als er vernauwingen in de kransslagaders bestaan, zijn de bètablokkers en calciumantagonisten de eerstekeusmiddelen omdat ze de kans op het optreden van pijn op de borst verkleinen.
* eiwitverlies door de nieren: eiwitverlies door de nieren kan voorkomen als complicatie van suikerziekte, maar ook in combinatie met andere nierziekten. In zulke gevallen is het aangewezen eerstekeusmiddel bij hypertensie een ACE-remmer.

Bij zwangerschap
In geval van zwangerschap zijn de meeste bloeddrukverlagende medicijnen verboden, hetzij omdat bekend is dat ze mogelijk gevaarlijk zijn voor de moeder of het ongeboren kind, hetzij omdat er nog onvoldoende ervaring is met het middel tijdens de zwangerschap om met zekerheid gevaren voor moeder en kind uit te sluiten. Dit geldt overigens voor bijna alle medicijnen.
Tijdens de zwangerschap kan echter wel hypertensie optreden en deze kan bijzonder gevaarlijk zijn voor het ongeboren kind. Naast een absoluut gezonde levenswijze met veel rust en een zoutarm dieet is soms het gebruik van medicijnen nodig. Er zijn dan slechts enkele middelen toegestaan, namelijk labetalol en methyldopa.
Labetalol (Trandate) is een bètablokker waarvan geen schadelijke effecten op het ongeboren kind bekend zijn.
Methyldopa (Aldomet, Sembrina) is een centraal aangrijpend middel waar eveneens al lang ervaring mee bestaat, zonder dat daarbij schadelijke effecten tijdens de zwangerschap zijn geconstateerd.
Voor de overige bloeddrukverlagende medicijnen geldt: tijdens de zwangerschap liever niet gebruiken. Als een vrouw tijdens het gebruik van een bloeddrukverlagend middel toch zwanger is geworden, is op korte termijn overleg met de arts nodig en wordt er meestal overgegaan op het gebruik van een van beide bovenstaande preparaten.

Tot slot
Als u dit boek heeft doorgelezen, zult u hopelijk een hoop meer weten over hypertensie en wat de dokters er tegenwoordig aan kunnen doen. Ook heeft u kunnen lezen wat de bijkomende risicofactoren zijn en vooral wat u zelf kunt doen om uw bloeddruk te verlagen door waar mogelijk de bijkomende risicofactoren aan te pakken.
De behandeling met medicijnen staat nooit op zichzelf en is niet gemakkelijk. De patiënt is er zelf voor een groot gedeelte verantwoordelijk voor of hij/zij zich houdt aan alle adviezen om te komen tot een gezonde levenswijze en de voorgeschreven medicijnen op de juiste wijze in te nemen. Hopelijk heeft u ook begrepen dat het zinvol is er moeite voor te doen: de behandeling van hypertensie en bijkomende risicofactoren geeft absoluut resultaat!




terug




Hoge bloeddruk: wat kan ik eraan doen?

Hoge bloeddruk is een ware volksziekte. Zo’n 10 procent van de Nederlanders heeft een verhoogde bloeddruk. Een te hoge bloeddruk geeft weinig tot geen klachten. Heel bedrieglijk, want het is wel degelijk gevaarlijk! Een hoge bloeddruk vergroot namelijk – zeker in combinatie met andere risicofactoren, zoals roken en overgewicht – de kans op hart- en vaatziekten. En hart- en vaatziekten zijn in Nederland nog steeds de belangrijkste doodsoorzaak.

Auteur(s) : drs. R.J. Timmerman
Prijs : € 17,95
ISBN : 9789066113909

Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule.
Gezond eten voor je hart

Gezond eten voor je hart: Een boek met recepten die zijn ontwikkeld door een bekende chef-kok en gebaseerd op de deskundige adviezen van een diëtiste. Dit boek bevat meer dan 100 recepten die zijn ontworpen om je smaakpapillen te prikkelen en je hart gezond te houden.

Auteur(s) : Paul Gayler en Jacqui Lynas
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789066117136