In samenwerking met :  

Nederlandse Hartstichting


 Inloggen
> registreren
lettergrootte: A  A  A
Het stellen van de diagnose

De meting van de bloeddruk
De meest gebruikelijke manier om de bloeddruk te meten is het meten met een kwikbloeddrukmeter of een veermanometer. Deze is door middel van een rubberen slangetje aangesloten op een manchet die om de bovenarm van de te onderzoeken persoon wordt gedaan. De manchet wordt dan via het slangetje opgepompt totdat door de druk in de manchet de slagaders onder de manchet volledig dichtgedrukt zijn. De polsslag kan dan niet meer gevoeld worden.
Met behulp van de stethoscoop in de elleboogplooi wordt geluisterd naar de zogenoemde Korotkow-tonen. Dat zijn de tonen die ontstaan als het bloed door de slagaders wordt gepompt. Met behulp van de stethoscoop kan dan een kloppend geluid gehoord worden. Korotkow was een Russische arts die dit fenomeen voor het eerst ontdekte.
Op het moment dat de druk in de manchet hoger is dan de bovendruk in de slagaders kan er geen bloed door de armslagaders stromen. Er zijn op dat moment dus geen Korotkow-tonen hoorbaar. Dat verandert als de onderzoeker heel langzaam wat lucht uit de manchet laat weglopen, waardoor de druk in de manchet langzaam afneemt. Zodra de druk in de manchet iets lager is geworden dan de bovendruk in de slagaders, kan er een beetje bloed door de vernauwing in de armslagaders gaan stromen. Op dat moment worden de Korotkow-tonen met de stethoscoop hoorbaar. De druk waarbij de Korotkow-tonen voor het eerst gehoord worden, staat gelijk aan de bovendruk (de systolische waarde), deze wordt afgelezen en genoteerd.
Zolang de druk in de manchet hoger blijft dan de onderdruk blijven de Korotkow-tonen hoorbaar. Pas wanneer er zoveel lucht uit de manchet is weggelopen dat de druk lager wordt dan de onderdruk in de armslagaders, kan het bloed er weer vrij doorheen stromen en zijn er dus geen Korotkow-tonen meer hoorbaar. Het moment dat de tonen verdwijnen, noteren we als de onderdruk (de diastolische waarde). De meting van de bloeddruk levert dus altijd twee waarden op: de boven- en de onderdruk. Beide worden achterelkaar, met een plat of schuin streepje ertussen, opgeschreven, bijvoorbeeld 140-75 of 140/75 mm (millimeters) Hg (kwikdruk).

Bij een bloeddrukmeting wordt om de arm of het been een manchet aangebracht. Als het bloed langzaam door het manchet stroomt, kan aan de hand van de eerste Korotkow-tonen de bovendruk gemeten worden. Als deze tonen weer verdwijnen kan de onderdruk worden gemeten.



Links of rechts
De bloeddruk kan zowel aan de linker- als de rechterarm worden gemeten. In uitzonderingsgevallen kan de bloeddruk ook
wel aan de benen worden opgemeten. In het laatste geval is dan wel een extra brede en ook lange manchet nodig. Dat geldt overigens ook indien de bloeddruk aan de armen wordt gemeten bij erg dikke mensen. Bij hen kan de bloeddruk schijnbaar verhoogd zijn als er een gewone smalle manchet wordt gebruikt. Bij gebruik van een brede manchet blijkt de bloeddruk dan normaal. Voor jonge kinderen en erg magere mensen zijn er speciale smalle manchetten beschikbaar. De bloeddruk kan bij meting aan de beide armen soms verschillen. Een verschil tot 10 mm Hg is acceptabel, hogere verschillen duiden vaak op het bestaan van afwijkingen (vernauwingen) aan de bloedvaten en maken nader specialistisch onderzoek nodig. Bij bloeddrukcontroles dient altijd aan dezelfde kant gemeten te worden.

Hoe vaak meten?
Er is al eerder gezegd dat er na een eenmalig gevonden hoge bloeddruk niet gesproken mag worden van hypertensie. Er is afgesproken dat daar meerdere metingen over een bepaalde tijd voor nodig zijn. Als regel zijn er drie tot vijf metingen nodig over een periode van enkele weken en liefst onder vergelijkbare omstandigheden. Daarbij is het ook belangrijk dat de patiënt echt uitgerust en op zijn gemak is.
Wanneer de bloeddruk bij drie verschillende metingen ernstig verhoogd blijkt te zijn, mag van hypertensie gesproken worden. Worden licht of matig verhoogde bloeddrukwaarden gevonden, dan moet dit bij vijf verschillende metingen het geval zijn voordat van hypertensie gesproken mag worden.

Twijfel aan betrouwbaarheid van de meting
Soms wordt er door de dokter of de patiënt aan getwijfeld of er echt sprake is van hypertensie. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de patiënt nerveus is omdat hij of zij bij de dokter zit en dat dit op zich de reden is dat de bloeddruk omhooggaat. Dit wordt witte-jassenhypertensie genoemd. In zulke gevallen van twijfel zijn er een paar trucjes. De bloeddrukmeting kan door iemand anders dan de arts plaatsvinden; sommige huisartsenpraktijken hebben een speciaal hypertensiespreekuur waarin de doktersassistente de bloeddruk meet. Ook kan de patiënt de bloeddruk thuis meten. Soms is het mogelijk een bloeddrukmeter voor thuis te lenen. Als de patiënt zich meer op zijn gemak voelt, kan het zijn dat zo een lagere bloeddruk wordt gevonden. Ook kan er een 24-uursbloeddrukmeting worden gedaan.

Wat is witte-jassenhypertensie?
Letterlijk betekent witte-jassenhypertensie dat de patiënt een hoge bloeddruk krijgt als er een witte jas, een dokter of een verpleegkundige, in de buurt is. Kennelijk voelt de patiënt zich dan zeer ongemakkelijk. Als de patiënt zelf de bloeddruk opmeet, of wanneer een ander vertrouwd persoon dat doet, dan blijkt de bloeddruk ineens normaal te zijn.
Lange tijd is gedacht dat witte-jassenhypertensie onschuldig was. De laatste tijd is echter duidelijk geworden dat een deel van de mensen met witte-jassenhypertensie later een echt verhoogde bloeddruk krijgt of dat zich wel degelijk complicaties van hoge bloeddruk ontwikkelen. Mogelijk zijn deze mensen zeer stressgevoelig en reageren ze heel vaak, dus niet alleen bij de dokter, met een bloeddrukverhoging op emotionele situaties.

Zelf de bloeddruk meten
Zelf de bloeddruk meten is de laatste jaren erg in zwang gekomen. De patiënt krijgt dan een elektronische bloeddrukmeter mee die in digitale cijfers de bloeddruk weergeeft. De patiënt kan zo zonder de intimiderende invloed van dokter of doktersassistente zelf op verschillende tijdstippen gedurende enkele achtereenvolgende etmalen de bloeddruk meten.
Tegenwoordig zijn er gemakkelijk te bedienen apparaten in de handel waar je je bloeddruk mee kunt meten. Ze bestaan uit een bloeddrukmanchet dat om de bovenarm wordt gedaan en met klittenband vastgemaakt wordt. Daarbij zit een elektrisch aangedreven luchtpompje dat de manchet oppompt. In de manchet zit een apparaatje dat de tonen uit de bloedvaten (Korotkow-tonen) opvangt en de daarbijbehorende bloeddrukwaarden in digitale cijfers weergeeft op een venstertje.
De meeste apparaten voor zelfdiagnose kosten tussen de 90 en 140 euro en zijn betrouwbaar. Zo kan meerdere malen per dag de bloeddruk onder verschillende omstandigheden gemeten worden, zonder het witte-jasseneffect. Een toenemend aantal artsen geeft zo'n elektronische bloeddrukmeter aan de patiënt mee of adviseert ze een betrouwbare bloeddrukmeter te kopen. Op het eerstvolgende spreekuur worden de gevonden waarden dan besproken.

24-uursbloeddrukregistratie
De 24-uursbloeddrukregistratie wordt de laatste tijd vaak toegepast omdat men dan in korte tijd kan zien hoe het verloop van de bloeddruk is.
Met een apparaat - dat bestaat uit een manchet, een door batterijen aangedreven luchtpompje en een elektronisch geheugen - kan iedere 10 tot 30 minuten de bloeddruk gemeten worden terwijl de patiënt zit, slaapt of met zijn/haar gewone bezigheden bezig is.
Een typisch voorbeeld van een 24-uursbloeddrukregistratie bij een patiënt met witte-jassenhypertensie kan zijn dat de bloeddruk bij meting door de huisarts steeds flink verhoogd is, terwijl deze bij de 24-uursmeting weliswaar hoog is, maar niet in ernstige mate.

Voorbeeld van een 24-uursbloeddrukmeting bij een stressgevoelige patiënt die met bloeddrukverhoging reageert op spanningen. Bij de eerste meting - toch een spannend moment - is de bloeddruk aan de hoge kant. Na een dag vol drukke bezigheden is er vroeg in de avond weer een piek. Ook daarna zijn er enkele hoge waarden, die onder meer worden veroorzaakt door het kijken naar een spannende voetbalwedstrijd op de televisie. Als de patiënt eenmaal slaapt, heeft hij een prachtige, lage bloeddruk. Aan het eind van de grafiek is de normale stijging van de bloeddruk in de ochtenduren te zien.



Bij twijfelgevallen
Als er twijfel blijft bestaan of er wel echt een verhoogde bloeddruk is, kan de arts ook nagaan of er tekenen van orgaanschade zijn. Daarbij kan een hartfilmpje (een elektrocardiogram of ECG) uitkomst bieden. Ook het bestuderen van de vaten in het netvlies kan extra informatie bieden. Zelfs bij milde hypertensie kunnen er al afwijkingen gezien worden aan de bloedvaten die over het netvlies lopen. We noemen dit het oogspiegelen. Daarbij kan de arts met een speciaal apparaatje door de pupil heen naar het netvlies kijken. De afwijkingen aan de vaten op het netvlies corresponderen heel goed met de afwijkingen aan de vaten in de rest van het lichaam.
De meest gebruikelijke manier om de bloeddruk te meten is het meten met een kwikbloeddrukmeter of een veermanometer. Deze is door middel van een rubberen slangetje aangesloten op een manchet die om de bovenarm van de te onderzoeken persoon wordt gedaan. De manchet wordt dan via het slangetje opgepompt totdat door de druk in de manchet de slagaders onder de manchet volledig dichtgedrukt zijn. De polsslag kan dan niet meer gevoeld worden.
Met behulp van de stethoscoop in de elleboogplooi wordt geluisterd naar de zogenoemde Korotkow-tonen. Dat zijn de tonen die ontstaan als het bloed door de slagaders wordt gepompt. Met behulp van de stethoscoop kan dan een kloppend geluid gehoord worden. Korotkow was een Russische arts die dit fenomeen voor het eerst ontdekte.
Op het moment dat de druk in de manchet hoger is dan de bovendruk in de slagaders kan er geen bloed door de armslagaders stromen. Er zijn op dat moment dus geen Korotkow-tonen hoorbaar. Dat verandert als de onderzoeker heel langzaam wat lucht uit de manchet laat weglopen, waardoor de druk in de manchet langzaam afneemt. Zodra de druk in de manchet iets lager is geworden dan de bovendruk in de slagaders, kan er een beetje bloed door de vernauwing in de armslagaders gaan stromen. Op dat moment worden de Korotkow-tonen met de stethoscoop hoorbaar. De druk waarbij de Korotkow-tonen voor het eerst gehoord worden, staat gelijk aan de bovendruk (de systolische waarde), deze wordt afgelezen en genoteerd.
Zolang de druk in de manchet hoger blijft dan de onderdruk blijven de Korotkow-tonen hoorbaar. Pas wanneer er zoveel lucht uit de manchet is weggelopen dat de druk lager wordt dan de onderdruk in de armslagaders, kan het bloed er weer vrij doorheen stromen en zijn er dus geen Korotkow-tonen meer hoorbaar. Het moment dat de tonen verdwijnen, noteren we als de onderdruk (de diastolische waarde). De meting van de bloeddruk levert dus altijd twee waarden op: de boven- en de onderdruk. Beide worden achterelkaar, met een plat of schuin streepje ertussen, opgeschreven, bijvoorbeeld 140-75 of 140/75 mm (millimeters) Hg (kwikdruk).


Als er eenmaal hypertensie is vastgesteld
Als na een flink aantal metingen duidelijk is geworden dat er een verhoogde bloeddruk bestaat, moeten er een aantal dingen gebeuren.
Allereerst zal de patiënt zich terdege moeten realiseren dat hij of zij een verhoogde bloeddruk heeft. Ook al bestaan er in de regel nog geen klachten, het probleem hoge bloeddruk zal serieus genomen moeten worden.

Eerst aanvullend onderzoek nodig
Voordat de arts een behandeling instelt, zal er als regel enig aanvullend onderzoek gedaan worden, zoals onderzoek van bloed en urine, een ECG (hartfilmpje) en een röntgenfoto van hart en longen. Dit onderzoek kan door de huisarts worden aangevraagd.
Het aanvullende onderzoek is nodig om secundaire vormen van hypertensie te identificeren en om de eventueel reeds door hypertensie aangerichte schade vast te stellen. Ook kunnen op deze wijze bijkomende risicofactoren - zoals een te hoog vetgehalte in het bloed en suikerziekte - worden opgespoord. Het is namelijk aangetoond dat hypertensie en de bijkomende risicofactoren elkaar versterken.

Bloedonderzoek
Bij het bloedonderzoek wordt het gehalte gemeten van een groot aantal stoffen die normaal aanwezig zijn in ons bloed. Gekeken wordt of de hoeveelheid van deze stoffen niet te hoog of te laag is. De arts geeft op het laboratoriumbriefje aan welke stoffen er onderzocht moeten worden. Het volgende kan onderzocht worden:
o Hemoglobine: deze in de rode bloedcellen aanwezige stof houdt zuurstof vast, zodat het vanuit de longen naar de weefsels vervoerd kan worden. Als er te weinig hemoglobine is, is er sprake van bloedarmoede. Als er te veel hemoglobine is, zijn er te veel rode bloedcellen, en wordt het bloed 'te dik' (minder goed vloeibaar). Als gevolg hiervan kan het vaatstelsel overvol raken waardoor het hart meer werk moet verzetten.
o Kalium: een te laag kaliumgehalte kan wijzen op secundaire vormen van hypertensie - zoals gezwellen van de bijnieren - of op overmatig dropgebruik.
o Kreatinine en ureum: deze afvalstoffen van onder meer de eiwitstofwisseling worden door de nieren in de urine uitgescheiden. Een te hoog gehalte in het bloed wijst op een gestoorde functie van de nieren.
o Vetten: om een stoornis in de vetstofwisseling op het spoor te komen, wordt een volledig vetspectrum bepaald (totaalcholesterol-, HDL-cholesterol- en triglyceridengehalte).
o Urinezuur: urinezuur is een afvalstof van (vooral) vleesproducten in de voeding. Wanneer het urinezuurgehalte in het bloed verhoogd is, bestaat er een verhoogde kans op het krijgen van jicht. Dit is een ontsteking van de gewrichten die ontstaat door de ophoping van urinezuurkristallen in de kapsels van gewrichten. Daarnaast is gebleken dat mensen met een te hoog urinezuurgehalte in het bloed een verhoogde kans hebben op het krijgen van hart- en vaatziekten. Het mechanisme hiervan is nog niet opgehelderd.
o Glucose: de hoeveelheid glucose (bloedsuiker) wordt bepaald om uit te sluiten dat er sprake is van suikerziekte ofwel diabetes. Diabetes is een grote risicofactor voor het krijgen van vaatafwijkingen.
o Schildklierfunctie: schildklieraandoeningen kunnen leiden tot een bloeddrukverhoging of tot een verhoogd cholesterolgehalte van het bloed. Bij vermoeden van een schildklieraandoening, zal de dokter ook de schildklierfunctie laten onderzoeken. Als er sprake is van een te snelle schildklierfunctie wordt er een teveel aan schildklierhormoon (thyroxine) gemaakt waardoor het hart ook te snel werkt. Soms is de bloeddruk daarbij ook verhoogd. Bij een te langzame schildklierwerking kan er een sterke verhoging van het cholesterolgehalte optreden. Ook kunnen er afwijkingen in de spieren, waaronder de hartspier, ontstaan. Bij een te langzame schildklierwerking klaagt de patiënt vaak over vermoeidheid en kouwelijkheid. Wanneer de schildklier te snel werkt, is er meestal sprake van een onrustig gevoel, neiging tot trillende handen, hartkloppingen en vermoeidheid.

Urineonderzoek
De urine wordt onderzocht op aanwezigheid van eiwit, suiker en bloedcellen. Suiker in de urine kan duiden op het bestaan van suikerziekte. De aanwezigheid van eiwit en bloedcellen kan wijzen op een nierziekte of op beschadiging van de nieren door hoge bloeddruk.

Het elektrocardiogram
Met een elektrocardiogram (ECG of 'hartfilmpje') kunnen verscheidene afwijkingen van het hart aan het licht worden gebracht. Met name wordt er gekeken naar afwijkingen die passen bij hypertrofie (een verdikking van de hartspier) en naar zogenoemde geleidingsstoornissen die kunnen wijzen op ernstige hypertensie of zuurstofgebrek in het hart. Een elektrocardiogram dat een 'normaal' beeld geeft, sluit het bestaan van afwijkingen overigens absoluut niet uit.
Een elektrocardiogram kan bij de huisarts of in het ziekenhuis gemaakt worden. Het is een pijnloos en ongevaarlijk onderzoek waarbij er metalen plaatjes (elektroden) op de borstkas en de ledematen geplakt worden. Hiermee kunnen de elektrische stroompjes die door het hart lopen zichtbaar gemaakt worden.

Een hart-longfoto
Een hart-longfoto (een foto van de borstkas waarop de longen, het hart en de grote bloedvaten zichtbaar zijn) wordt gemaakt om te zien of er sprake is van een vergroting van het hart of vocht achter de longen. Dit laatste kan een uiting zijn van een verminderde hartfunctie.

Bijzonder onderzoek
Door de specialist - cardioloog of internist - kan soms bijzonder onderzoek aangevraagd worden. Dit varieert van bijzonder bloed- en urineonderzoek, waarbij naar bloeddrukverhogende hormonen wordt gekeken, tot een echografisch onderzoek van de hartspier waarbij zeer nauwkeurig de dikte van de hartspier kan worden vastgesteld, samen met de werking van de hartkleppen. Soms moet de patiënt naar de oogarts om de schade aan de bloedvaten van het netvlies te evalueren of wordt er een echo van de buikaorta gemaakt om een aneurysma (een verwijding) vast te stellen. Als er een gerede verdenking bestaat op een vernauwing in een of beide nierslagaders, moet er een scan met radioactieve stoffen gemaakt worden. Soms is dit nog niet voldoende en wordt overgegaan tot een zogenoemde angiografie waarbij door een slangetje door de liesslagader de afwijkingen van de zijtakken van de aorta met behulp van een contraststof zichtbaar gemaakt kunnen worden.




terug verder




Hoge bloeddruk: wat kan ik eraan doen?

Hoge bloeddruk is een ware volksziekte. Zo’n 10 procent van de Nederlanders heeft een verhoogde bloeddruk. Een te hoge bloeddruk geeft weinig tot geen klachten. Heel bedrieglijk, want het is wel degelijk gevaarlijk! Een hoge bloeddruk vergroot namelijk – zeker in combinatie met andere risicofactoren, zoals roken en overgewicht – de kans op hart- en vaatziekten. En hart- en vaatziekten zijn in Nederland nog steeds de belangrijkste doodsoorzaak.

Auteur(s) : drs. R.J. Timmerman
Prijs : € 17,95
ISBN : 9789066113909

Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule.
Gezond eten voor je hart

Gezond eten voor je hart: Een boek met recepten die zijn ontwikkeld door een bekende chef-kok en gebaseerd op de deskundige adviezen van een diëtiste. Dit boek bevat meer dan 100 recepten die zijn ontworpen om je smaakpapillen te prikkelen en je hart gezond te houden.

Auteur(s) : Paul Gayler en Jacqui Lynas
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789066117136