Auteur:
Drs. R.J. Timmerman
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Het hart en de bloedsomloop

Het hart pompt het bloed door het lichaam en is het middelpunt van de bloedsomloop. Daarbij kunnen we de grote en de kleine bloedsomloop onderscheiden. De kleine bloedsomloop bestaat uit de bloedvaten die naar de longen gaan en van daaruit weer terugkeren naar het hart. De grote bloedsomloop omvat de bloedvaten die naar alle andere organen in het lichaam gaan en weer terugkeren naar het hart.
Vanwege deze twee aparte bloedsomlopen bestaat het hart uit een linker- en een rechterhelft die door een tussenschot volledig van elkaar gescheiden zijn.
Het hart is ongeveer zo groot als een volwassen vuist en bestaat vrijwel volledig uit spierweefsel. Het is zo opgebouwd dat het vier holtes omvat: twee boezems en twee kamers. De boezems hebben een dunne spierwand. Hier komt het bloed het hart binnen. Vervolgens gaat het bloed naar de kamers. Tussen de beide boezems en de kamers van het hart zitten kleppen. Die voorkomen dat het bloed terugstroomt. De beide kamers hebben een dikke spierwand. Van hieruit wordt het bloed weer uit het hart gepompt.

Schematische voorstelling van de grote en kleine bloedsomloop.



De kleine bloedsomloop
De kleine bloedsomloop begint in de rechterboezem, waar het zuurstofarme bloed vanuit het lichaam aankomt. De rechterboezem pompt het bloed naar de rechterkamer die het bloed via de longslagaders naar de beide longen pompt. Hier vertakken de longslagaders zich in steeds kleinere slagaders en uiteindelijk in de kleine haarvaten van de longblaasjes. Via een enorm wijdvertakt net van haarvaatjes stroomt het bloed dan om de longblaasjes heen. In het bloed wordt dan de in de longblaasjes aanwezige zuurstof opgenomen. Zuurstof is overal in het lichaam nodig bij de opwekking van energie vanuit bloedsuiker. De daarbij vrijkomende afvalstof koolzuur wordt in de longen vanuit het bloed via de longblaasjes weer afgegeven aan de lucht die we uitademen. Vervolgens komen de haarvaten samen tot kleine aders en deze verenigen zich weer tot steeds dikkere aders, om uiteindelijk samen te komen in de longaders. Via de longaders komt het zuurstofrijke bloed in de linkerboezem, waar de grote bloedsomloop begint.

In de rechterboezem (1) van het hart stroomt bloed uit het lichaam binnen. Een klep (3) regelt de bloedstroom naar de rechterkamer (5). Na het passeren van een tweede klep (8) gaat het bloed via de longslagader (10) naar de longen. De longen sturen zuurstofrijk bloed weer terug naar de linkerboezem (2). Ook daar regelt een klep (4) de toevoer naar de linkerkamer (6). Na het passeren van een tweede klep (7) komt het bloed in de aorta (9) terecht en wordt het bloed naar alle delen van het lichaam gepompt.



De grote bloedsomloop
De grote bloedsomloop begint in de linkerboezem die het zuurstofrijke bloed in de linkerhartkamer pompt. De linkerkamer heeft een dikke, sterke spierwand om daarmee het bloed via de grote lichaamsslagader (de aorta) de grote bloedsomloop in te persen. Alle organen tot in de verste uithoeken van het lichaam moeten immers van zuurstofrijk bloed worden voorzien. De spierwand van de rechterkamer is wat minder dik, omdat het slechts bloed naar de dichtbijgelegen longen hoeft te pompen.
Vanuit de aorta ontspringen slagaders naar het hoofd, de armen, de borst- en buikorganen en de benen. In al deze delen van het lichaam vertakken de grote slagaders zich in steeds kleinere slagaders en uiteindelijk in kleine haarvaten. Vanuit de haarvaten worden de lichaamscellen van zuurstof en voedingsstoffen (zoals suikers, vetten en eiwitten) voorzien en worden koolzuur en andere afvalstoffen weer opgenomen. Daarnaast kunnen de verschillende inwendige organen bepaalde stoffen aan het bloed toevoegen, of juist weer uit het bloed verwijderen. Zo worden in de darmen voedingsstoffen aan het bloed toegevoegd en in de nieren afvalstoffen vanuit het bloed aan de urine afgegeven.
Vervolgens verenigen de kleine haarvaten zich weer tot steeds grotere aders, die het bloed uiteindelijk weer terugleiden naar de rechterboezem van het hart.

De kransslagaders
Het hart is een spier die zelf ook zuurstof en voeding nodig heeft. Dat betrekt de hartspier niet uit het bloed binnenin het hart, maar vanuit het bloed in de twee speciale slagaders die buiten op de hartspier lopen: de kransslagaders. De beide kransslagaders ontspringen vanuit de grote lichaamsslagader, vlak boven de plaats waar deze vanuit het hart tevoorschijn komt, en vertakken zich als een krans over het hart heen (vandaar de term kransslagaders).

Het hart als een pomp
Het hart pompt gemiddeld 70 maal per minuut. Met elke slag wordt ongeveer zeventig milliliter bloed in de grote bloedsomloop gebracht zodat er per minuut vier tot vijf liter bloed verwerkt wordt.
Indien het hart langer dan drie tot vier seconden niet pompt krijgen de hersenen als eerste zuurstofgebrek waardoor men flauwvalt. Een stilstand van de bloedsomloop kan optreden als het hart stil gaat staan, of wanneer als gevolg van een hartritmestoornis het hart zo snel gaat pompen dat de hartkamers niet meer gevuld worden. Er is dan geen sprake meer van een goede pompfunctie.





verder




Hoge bloeddruk, wat kan ik er aan doen?


e-book

Auteur(s) : R.J. Timmerman
Prijs : € 12,99
ISBN : 9789491549267