Afasie Letterlijk: geen-spraak. Taal- en/of spraakstoornis ten gevolge van een hersenbeschadiging, bijvoorbeeld na een beroerte. Hierbij onderscheidt men onder meer de motorische afasie (hierbij weet de patiënt nog wel wat hij wil zeggen, maar kan de woorden nie | |
Agonist Stof die de werking van een andere stof versterkt of imiteert. | |
Aldosteron Hormoon dat in de bijnieren wordt aangemaakt en dat door het vasthouden van natrium (zout) in de nieren bijdraagt aan de regulatie van de hoeveelheid natrium en water in het lichaam. Een teveel aan aldosteron leidt door het overmatig vasthouden van natriu | |
Aneurysma Een abnormale verwijding in een slagader of het hart. Onder invloed van hoge bloeddruk kan een aneurysma scheuren. | |
Angina pectoris Pijn op de borst of hartkramp, die ontstaat als gevolg van zuurstoftekort in de hartspier. Is meestal het gevolg van een vernauwing in de kransslagaders van het hart, waardoor er tijdens lichamelijke inspanning niet voldoende vers bloed met zuurstof de ha | |
Angiotensine Converterend Enzym (ACE) Enzym dat betrokken is bij regulatie van de bloeddruk doordat het de omzetting stimuleert van angiotensine I in angiotensine II, een stof die bloeddrukverhogend werkt. Medicijnen die de werking van dit enzym afremmen (ACE-remmers) verlagen de bloeddruk. | |
Angiotensinogeen Een voorloper van de stof angiotensine, een hormoonachtige stof die betrokken is bij de normale regulatie van de bloeddruk en, indien in te grote hoeveelheden aangemaakt, leidt tot het ontstaan van hoge bloeddruk. | |
Aorta De grote lichaamsslagader, die vanuit de linker hartkamer ontspringt. | |
Atherosclerose Slagaderverkalking of het nauwer worden van de slagaders door afzetting van vetachtige stoffen in de vaatwand. | |
Autonome zenuwstelsel Het gedeelte van het zenuwstelsel dat de onwillekeurige organen (buiten de wil om functionerende organen) verzorgt, zoals die van de spijsvertering, de bloedsomloop en de ademhaling. | |
Bypass Operatie waarbij een van elders uit het lichaam verwijderd stuk bloedvat gebruikt wordt om een afgesloten of vernauwd stuk slagader (meestal een kransslagader) te overbruggen. | |
Catecholaminen Verzamelnaam voor een aantal chemisch aan elkaar verwante stoffen die vooral activerend werken in het het deel van het zenuwstelsel dat de werking van de inwendige organen (als hart, longen, bloedvaten) regelt (het sympatische deel van het autonome zenuws | |
Centraal werkend Gebruikt om medicijnen aan te geven die inwerken op het centraal zenuwstelsel. | |
Centraal zenuwstelsel Het gedeelte van het zenuwstelsel dat centraal gelegen is: de hersenen en het ruggenmerg. De zenuwen die vanuit het centrale zenuwstelsel ontspringen vormen het perifere zenuwstelsel. Afkorting CZS. | |
Cholesterol Vetachtige stof die door het bloed circuleert Cholesterol wordt normaal in het lichaam aangemaakt en zit in onze voeding. Cholesterol vervult in het lichaam diverse belangrijke taken en is nodig voor de opbouw van de celwanden. Een teveel aan cholesterol | |
Complicatie Bijkomend verschijnsel waardoor de ziekte een ernstiger beloop krijgt. | |
CVA Afkorting van cerebrovasculair accident; een plotselinge functiestoornis van een deel van de hersenen als gevolg van een afsluiting van een bloedvat (herseninfarct) of een hersenbloeding. Wordt ook wel beroerte genoemd. | |
Diabetes mellitus Suikerziekte. Stoornis in de suikerstofwisseling waarbij er door de alvleesklier onvoldoende insuline wordt afgegeven en waardoor de hoeveelheid bloedsuiker (glucose) in het bloed te hoog is. Dit leidt tot het verlies van suiker en veel water via de niere | |
Dissectie Het ontstaan van een scheurtje in de binnenste laag van de wand van een slagader. Dissectie in een van de hals- of wervelslagaders kan de oorzaak zijn van een beroerte. | |
Dotteren Behandeling van een vernauwd gedeelte van een slagader (meestal een kransslagader van het hart) ook PTCA (percutane transluminale coronaire angioplastiek) genoemd. Bij de behandeling wordt een dunne katheter vanuit de lies via de slagaders opgeschoven naa | |
ECG Afkorting voor elektrocardiogram of hartfilm; een onderzoek waarmee de elektrische stromen die door het hart lopen op een monitor zichtbaar gemaakt kunnen worden of vastgelegd kunnen worden op papier. Is van groot belang voor het vaststellen van bepaalde | |
Eclampsie Bijzondere vorm van zwangerschapshogebloeddruk, met zeer hoge bloeddruk en verstoorde werking van tal van organen. | |
Embolie Een prop van bloedcellen of soms vetachtige stoffen of een luchtbel in de bloedbaan. Een embolie kan de oorzaak zijn van een blokkade in een slagader en veroorzaakt dan een infarct. Als een embolie via een ader in de longen terechtkomt, is er sprake van e | |
Endotheel De laag cellen die de binnenzijde van bloedvaten bekleedt. | |
Essentiële hypertensie Geeft aan dat bij een bepaalde patiënt de oorzaak van de hoge bloeddruk niet bekend is. | |
Etalagebenen Kramp in de beenspieren die ontstaat als gevolg van vernauwingen in de beenslagaders. Door de kramp moet de patiënt bij het wandelen regelmatig even stoppen. De medische benaming voor etalagebenen is claudicatio intermittens (letterlijk: intermitterend hi | |
Extrasystolie Onregelmatigheid in het hartritme, ook wel 'overslaan van het hart' genoemd. Hierbij komt er een hartslag te snel na de vorige hartslag, waardoor de hoeveelheid bloed dat wordt uitgepompt zo klein is dat deze hartslag niet wordt opgemerkt en het lijkt het | |
Familieanamnese Het nagaan of bepaalde ziekten, bijvoorbeeld hoge bloeddruk, in de familie voorkomen. | |
Feochromocytoom Meestal goedaardige tumor, uitgaande van het bijniermerg, waar adrenaline (een stimulerende stof) wordt afgescheiden en waardoor onder meer hoge bloeddruk en vaak ook hartkloppingen ontstaan. | |
Fibrilleren Snelle en ongecoördineerde samentrekking van de spiervezels in de boezem of kamer van het hart. Bij boezemfibrilleren ontstaat er een verminderde of onvoldoende pompfunctie, welke met medicijnen in de regel goed te behandelen is. Kamerfibrilleren leidt to | |
Fibromusculaire dysplasie Erfelijke afwijking met vernauwing in de slagaderen van de nieren. | |
Glucose Druivensuiker; het kleinst mogelijke koolhydraat. Circuleert in het bloed en heet daarom ook wel bloedsuiker. Glucose is van essentiëel belang voor het goed functioneren van de energievoorziening in het lichaam. | |
Glycirrhizine Stof die in drop zit en een bloeddrukverhogende werking bezit. | |
Hartinfarct Het afsterven van een deel van de hartspier als gevolg van een afsluiting van een (zijtak van een) kransslagader, waardoor een gedeelte van de hartspier geen vers bloed (en dus geen zuurstof) meer ontvangt. | |
Hartstilstand Toestand waarbij het hart niet meer kan pompen waardoor de bloedcirculatie in het lichaam stopt. | |
Hemodialyse Nierdialyse: nierfunctievervangende behandeling waarbij bloed via een slangetje in de arm van de patiënt naar een apparaat wordt geleid waar het wordt gereinigd. Het gereinigde bloed wordt daarna weer teruggeleid naar het lichaam van de patiënt. | |
Hoge bloeddruk Te hoge druk binnen in de slagaders, zoals gemeten in de bovenarm-slagader. De medische naam is hypertensie. De grenswaarde waarboven een bloeddruk als te hoog wordt beoordeeld hangt van een aantal factoren af, maar ligt voor de bovenwaarde (systolische b | |
Hypercholesterolemie Een te hoog cholesterolgehalte in het bloed. | |
Hyperhomocysteïnaemie Verhoogd homocysteïne in het bloed als gevolg van verstoorde afbraak van methionine. Is een risicofactor voor vervroegde aderverkalking. | |
Hypertensie Hoge bloeddruk; te hoge druk binnen in de slagaders, zoals gemeten in de bovenarm-slagader. De medische naam is hypertensie. De grenswaarde waarboven een bloeddruk als te hoog wordt beoordeeld hangt van een aantal factoren af, maar ligt voor de bovenwaard | |
Hypertensie Hoge bloeddruk; te hoge druk binnen in de slagaders, zoals gemeten in de bovenarm-slagader. De medische naam is hypertensie. De grenswaarde waarboven een bloeddruk als te hoog wordt beoordeeld hangt van een aantal factoren af, maar ligt voor de bovenwaard | |
Hypertrofie Toename van het volume van een orgaan zonder dat er sprake is van een toename van het aantal weefselcellen. Bij hypertrofie van het hart gaat het om een verdikking van de hartspier als gevolg van een langdurig verhoogde bloeddruk. | |
Imidazolinereceptor In de hersenen gelegen receptoren ('ontvangers'), die een onderdeel vormen van het systeem in het centraal zenuwstelsel dat de bloeddruk regelt. Bepaalde bloeddrukverlagende middelen (de zogeheten 'centraal aangrijpende middelen') ontlenen hun bloeddrukve | |
Infarct Afsluiting van een bloedvat met als gevolg het afsterven van het door dat bloedvat verzorgde weefsel. | |
Insuline Hormoon dat in de alvleesklier wordt gemaakt en ervoor zorgt dat glucose (bloedsuiker) vanuit het bloed de cellen in de weefsels in kan gaan en daar gebruikt kan worden voor de verbranding of als reservevoorraad kan worden opgeslagen. Insuline zorgt er oo | |
Insuline-resistentiesyndroom Combinatie van overgewicht, hoge bloeddruk, verhoogd vetgehalte in het bloed en een verminderde gevoeligheid voor insuline. | |
Insulineresistentie Toestand waarbij er een verminderde gevoeligheid van de lichaamscellen is voor insuline, zoals bij bepaalde vormen van suikerziekte kan voorkomen. | |
Kalium Een in het lichaam voorkomend zout dat ondermeer essentieel is voor de werking van alle spieren. Zowel een tekort als een teveel aan kalium zijn schadelijk. | |
Kransslagaders Slagaders die gedeeltelijk aan de buitenkant op de hartspier lopen en de hartspier van zuurstofrijk bloed voorzien (ook wel coronaire vaten genoemd). | |
Kreatinine Afvalstof van de eiwitstofwisseling die in het bloed voorkomt en door de nieren via de urine wordt uitgescheiden. | |
mm Hg Millimeters kwik: de waarde waarin de bloeddruk wordt aangegeven. Deze maat is afkomstig uit de tijd dat de bloeddruk werd gemeten met een bloeddrukmeter waarin een rechtopstaande buis met kwik (internationale afkorting van kwik is Hg) zat. Door tijdens d | |
mmol Afkorting van millimol, de eenheid om de hoeveelheid van een chemische of biologische stof aan te geven. De hoeveelheid in millimolen wordt opgegeven per liter (mmol/l). Op deze wijze wordt bijvoorbeeld het kaliumgehalte of de hoeveelheid van een bepaald | |
Natrium Een in het lichaam voorkomend zout, dat essentieel is voor de waterhuishouding van het lichaam. Een teveel kan hoge bloeddruk veroorzaken en aanleiding geven tot het vasthouden van water. Natrium zit ondermeer in keukenzout (als natrium-chloride). | |
Nefropathie Letterlijk: ziekte van de nieren. Deze in wezen algemene term wordt gebruikt als benaming voor de nierafwijkingen die het gevolg zijn van hoge bloeddruk of suikerziekte. Bij nefropathie is sprake van eiwitverlies via de urine. | |
Neurotransmitter Stof die voorkomt in de uiteinden van een zenuw (synaps) en die impulsen (prikkels) overbrengt van de ene naar de andere zenuw (of spiervezel). | |
Nierdialyse Nierfunctievervangende behandeling waarbij bloed via een slangetje in de arm van de patiënt naar een apparaat wordt geleid waar het wordt gereinigd. Het gereinigde bloed wordt daarna weer teruggeleid naar het lichaam van de patiënt. | |
Oedeem Vochtophoping in de weefsels. Dit kan door verschillende factoren veroorzaakt worden, onder andere een verhoogde doorlaatbaarheid van de bloedvatwand, een te hoge druk binnen een bloedvat, een tekort aan eiwit in het bloed of een slechte werking van de ni | |
Peritoneale dialyse Nierfunctievervangende behandeling waarbij met behulp van een spoelvloeistof die via een buisje in de buikholte wordt gebracht, afvalstoffen via het buikvlies weggespoeld worden. | |
Placebo Een pil, dragee of drank waarin geen werkzame stof zit en die wordt gebruikt bij het onderzoeken van een nieuw geneesmiddel om te meten of het resultaat van de behandeling met het nieuwe medicijn beter is dan die van het placebo. | |
Renine Hormoonachtige stof die in de nieren wordt gemaakt en die betrokken is bij het ontstaan van hoge bloeddruk. | |
Retinopathie Letterlijk: ziek netvlies. Verzamelnaam voor diverse afwijkingen van het netvlies van het oog, vaak veroorzaakt door ziekten die ook buiten het oog afwijkingen veroorzaken. Vaak gaat het om aantasting van de bloedvaten in het netvlies van de ogen (bijvoor | |
Risicofactor Eigenschap, kenmerk of omstandigheid die ervoor zorgt dat iemand een vergroot risico loopt op het krijgen van een bepaalde ziekte (of gebeurtenis). Roken is bijvoorbeeld een risicofactor voor het krijgen van longkanker. | |
Secundaire hypertensie Hoge bloeddruk met een duidelijk aanwijsbare oorzaak, bijvoorbeeld hoge bloeddruk als gevolg van een nierziekte. | |
Sinusknoop Groep cellen bovenin het hart die verantwoordelijk is voor het afgeven van elektrische stroompjes waardoor de hartspiercellen samentrekken en het hart kan pompen. | |
Stent Verend buisje in een bloedvat waarmee de wand van het bloedvat enigszins naar buiten wordt geduwd om een vernauwing in een bloedvat op te heffen. | |
Sympathicus Deel van het autonome zenuwstelsel. | |
Syndroom van Cushing Ziektebeeld veroorzaakt door een gezwel in de bijnieren. Hierbij wordt een overmaat aan bijnierschorshormonen gemaakt waardoor onder andere hoge bloeddruk ontstaat. | |
Systolische bloeddruk De bovenwaarde van de bloeddruk: de (hoogste) druk in de slagaders op het moment dat het hart een nieuwe hoeveelheid bloed uitpompt. | |
Therapietrouw Het op de voorgeschreven wijze innemen van medicijnen of opvolgen van andere medische adviezen. | |
TIA Afkorting voor transient ischaemic attack, een tijdelijke uitval van de functie van een deel van de hersenen als gevolg van een tijdelijke, kortdurende afsluiting van de bloedstroom in een bloedvat. Een TIA is vaak een voorbode van een permanente afsluiti | |
Toxicose Oude naam voor zwangerschapshypertensie, een abnormale bloeddrukstijging tijdens de zwangerschap. Vroeger ook aangeduid met zwangerschapsvergiftiging. | |
Triglyceriden Een bepaald type vet dat voorkomt in het bloed. Chemisch gezien bestaan triglyceriden uit glycerol veresterd met drie vetzuren. Het is de vorm waarin vet gebruikt voor energie in de vetcel wordt opgeslagen. Hoe onverzadigder de vetzuren zijn, hoe vloeibaa | |
Ureum Een afvalstof van de eiwitstofwisseling die normaal in het bloed aanwezig is en die door de nieren via de urine wordt uitgescheiden. | |
Witte-jassenhypertensie Het fenomeen dat de bloeddruk verhoogd is wanneer deze wordt gemeten door een persoon in een witte jas (een arts of verpleger) terwijl de bloeddruk lager is wanneer die thuis zelf gemeten wordt.. | |