Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
dr. Frans Zoetmulder
 
In samenwerking met :  



Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie


lettergrootte: A  A  A
Complicaties

Gelukkig verlopen de meeste operaties volgens plan en genezen de gemaakte wonden zonder problemen, maar soms is dat niet zo. We spreken dan van complicaties. De meeste complicaties treden op in de eerste paar dagen na operatie. Dit is dan ook de periode waarin in het ziekenhuis de meeste controles worden uitgevoerd. Het risico op complicaties wordt enerzijds bepaald door het soort operatie en de uitvoering ervan en anderzijds door de conditie waarin een patiënt verkeert voorafgaand aan de operatie. Zo komen complicaties bij borstkankeroperaties slechts voor bij vijf tot tien procent van de patiënten, terwijl bij ingewikkelde operaties zoals die voor slokdarm- of alvleesklierkanker complicaties bij bijna de helft van de patiënten voorkomen. Leeftijd is een belangrijke factor in dezen. Bij het merendeel van de operaties neemt de kans op complicaties toe naarmate de leeftijd hoger is. De meeste complicaties zijn oplosbaar, maar soms volgt de ene complicatie op de andere en overlijdt een patiënt uiteindelijk aan een opeenstapeling van onoplosbare problemen. Ook dit is sterk afhankelijk van het soort operatie. De kans te sterven aan complicaties van borstkankeroperaties is vrijwel nihil. De sterfte na operaties aan slokdarm-, alvleesklier- of endeldarmkanker ligt zelfs in de beste ziekenhuizen tussen twee en vijf procent. Ook hier zijn leeftijd en conditie voor operatie belangrijke factoren. De sterfte na operatie aan longkanker bij patiënten ouder dan 80 jaar bedraagt bijvoorbeeld meer dan tien procent.
Een paar veelvoorkomende complicaties worden hierna besproken.

Nabloeding
De chirurg zal aan het einde van de operatie altijd de wond inspecteren en controleren of niet nog ergens een bloedvaatje bloedt. Hij kan hierbij een vaatje over het hoofd zien. Ook gebeurt het soms dat een bloedvat zich tijdens de operatie heeft samengetrokken, maar na de operatie gaat openstaan en begint te bloeden. Dat gebeurt vooral als er iets niet in orde is met de stolling. Een veelvoorkomende oorzaak hiervan is het gebruik van aspirine en soortgelijke medicijnen. Nabloedingen kunnen bij alle operaties voorkomen. Bij een nabloeding in een oppervlakkige wond, zoals na een borstoperatie, is zwelling van het wondgebied vaak het eerste verschijnsel. Als in de wond een drain werd achtergelaten, is het vollopen van het drainzakje of de drainpot een zeker teken van nabloeding. Bij buikoperaties kan zich in de buikholte veel bloed ophopen voordat de buik duidelijk dikker wordt. In dat geval is het eerste verschijnsel het sneller worden van de hartslag en daling van de bloeddruk. Als dan ook nog het gehalte aan rode kleurstof in het bloed daalt (hemoglobine; Hb), kan met zekerheid de diagnose bloeding worden gesteld. Nabloedingen worden behandeld door het verloren bloedvolume door middel van bloedtransfusie aan te vullen en door de bloeding te stoppen. Meestal betekent dit opnieuw opereren om het bloedende vat op te zoeken en af te sluiten.

Wondinfectie
Infecties van de operatiewond kunnen worden veroorzaakt door bacteriën die tijdens de operatie vanuit de omgeving in de wond terechtkomen. Ook kunnen bij operaties aan organen die veel bacteriën bevatten, gemakkelijk bacteriën van de patiënt zelf in de wond terechtkomen. Dit is vooral het geval bij operaties aan het maagdarmkanaal. Om het risico op infecties tijdens dit soort operaties te beperken, wordt meestal uit voorzorg gedurende de operatie met antibiotica behandeld. Ondanks dat komen vooral bij dikkedarm- en endeldarmoperaties vaak infecties voor. Ook bij in principe steriele operaties zijn wondinfecties echter geen zeldzaamheid
Wondinfecties uiten zich door roodheid en zwelling van de wond. De patiënt voelt zich niet lekker en er is vaak sprake van koorts. Dit zijn uitingen van de strijd die de lichaamsafweer tegen bacteriën voert. Een paar bacteriën kan het lichaam meestal wel aan. In die situatie kunnen antibiotica van nut zijn. Als er echter te veel bacteriën aanwezig zijn, vormt zich pus. Rond de pus vormt zich al snel een kapsel, we spreken dan van een abces. Antibiotica kunnen de bacteriën binnen zo'n kapsel niet meer bereiken en toediening daarvan heeft dan ook weinig nut. Opmerkelijk is dat de koorts, als eenmaal een abces gevormd is, een piekend beloop gaat krijgen. Tijdelijk is de temperatuur normaal, om daarna snel te stijgen tot rond 40 °C. Dit gaat dan vaak gepaard met koude rillingen: de patiënt heeft het koud en ligt letterlijk te rillen en te klappertanden.
In die fase zit er niets anders op dan de pus te laten weglopen. Soms kan dat eenvoudigweg door de operatiewond gedeeltelijk open te maken. De pus loopt weg en de patiënt voelt zich snel veel beter. Wel moet de wond nog een aantal dagen worden gespoeld voor hij volledig geneest. Dit kan vaak het beste onder de douche, door de wond met de douchestraal af te spoelen.
Als de pus dieper zit, moet het abces worden geleegd door er een plastic buisje (drain) in te leggen. Tegenwoordig wordt dat vaak op de röntgenafdeling gedaan. De röntgenoloog kan het abces zien bij echo-onderzoek of op een ct-scan. Geleid door dit beeld kan hij onder plaatselijke verdoving een naald door de huid tot in het abces steken. Als via de naald inderdaad pus kan worden opgezogen, wordt door de naald een flexibele metalen geleidedraad in het abces gelegd. De naald wordt over de draad teruggetrokken en verwijderd. Over de achtergelaten geleidedraad wordt vervolgens een plastic buisje tot in het abces geschoven. De draad wordt verwijderd en de pus kan via het buisje naar buiten lopen.
Als dat allemaal niet lukt, zit er soms niets anders op dan opnieuw te opereren, het abces te openen en er een drain in achter te laten.

Naadlekkage
Het probleem wordt veel groter als de infectie niet berust op bacteriën die rondom de operatie in het weefsel zijn terechtgekomen, maar op lekkage vanuit darm of urinewegen. Dit is de situatie die ontstaat als een aansluiting die tijdens de operatie is gemaakt gaat lekken. Vaak zal dit alleen op te lossen zijn door opnieuw te opereren. Vooral lekkages uit de darm kunnen levensgevaarlijk zijn omdat zeer veel bacteriën vrij in de buik terechtkomen, waardoor een buikvliesontsteking ontstaat. Voor het oplossen van dit probleem is het vaak nodig een stoma aan te leggen, ter plaatse of stroomopwaarts van het lek, om op die manier te voorkomen dat nog meer ontlasting in de buik loopt.

Longinfectie
In de longen en luchtwegen van mensen wordt altijd wat slijm geproduceerd. Dit slijm wordt door trilhaartjes op de bekleding van de luchtwegen actief naar buiten gewerkt, waardoor de luchtwegen relatief bacterievrij blijven. Bij sigarettenrokers raakt deze trilhaaractiviteit verlamd. Rokers moeten daarom veel meer hoesten om hun luchtwegen schoon te houden. Na een operatie is hoesten vaak niet zo gemakkelijk. Vooral na operatie aan de longen en in de bovenbuik is diep zuchten en hoesten vaak gevoelig. De neiging bestaat daardoor om slijm in de luchtwegen achter te houden. Bacteriën kunnen zich daarin handhaven en een longontsteking veroorzaken. Rokers wordt daarom met kracht geadviseerd om tenminste drie weken voor een operatie met roken te stoppen. Ter voorkoming van longontstekingen is goede pijnstilling erg belangrijk. Een van de voordelen van de ruggenpriktechniek bij de narcose (epidurale anesthesie) bij buikoperaties is dat patiënten minder pijn hebben en dus beter kunnen hoesten. Patiënten worden verder rondom de operatie begeleid door de fysiotherapeut om zo goed mogelijk adem te halen en te hoesten.
Een longontsteking uit zich door het ophoesten van vies sputum, koorts en benauwdheid. Op een röntgenfoto van de long is zichtbaar dat een deel van de long niet meer luchthoudend is. Behandeling bestaat uit antibiotica en het stimuleren van beter ademhalen en ophoesten.

Urineweginfectie
Na veel operaties is de patiënt tijdelijk niet in staat zelf te plassen. Daarom wordt vaak via de plasbuis een slangetje in de blaas gebracht (katheter). Zo'n slangetje kan ook direct door de buikwand in de blaas worden gelegd (suprapubische katheter). Normaal zitten er in de urine in de blaas vrijwel geen bacteriën. Via zo'n katheter kunnen bacteriën echter veel makkelijker de blaas bereiken. Dit leidt tot blaasontsteking, vaak pas nadat de katheter alweer verwijderd is. Als bacteriën verder doordringen tot in het nierbekken, ontstaat nierbekkenontsteking. Een blaasontsteking manifesteert zich door vaker plassen en pijn bij het plassen. De urine is doorgaans troebel en stinkt. Patiënten voelen zich ziek en hebben vaak koorts. Bij nierbekkenontstekingen komt daar pijn in de nierloge bij en is de koorts vaak hoog. Uit voorzorg krijgen patiënten meestal antibiotica als de katheter wordt verwijderd. Als toch een urineweginfectie optreedt, moet behandeld worden met antibiotica, bij voorkeur nadat met een kweekonderzoek is vastgesteld welke bacterie de oorzaak is en voor welke antibiotica die gevoelig is.

Infectie van voedingsinfuus
Als patiënten na een operatie langere tijd niet kunnen eten, wordt voeding soms direct in de bloedbaan toegediend. Dit gaat via een speciaal infuus, waarbij het plastic slangetje waardoor de voeding loopt tot in de bovenste holle ader wordt geschoven. Dit heet een centrale lijn. Probleem hierbij is dat via dit slangetje een directe toegang bestaat voor bacteriën van de huid naar de bloedbaan. Om te voorkomen dat bacteriën zo de bloedbaan bereiken, moet uiterst zorgvuldig met zo'n voedingsysteem worden omgegaan. Ondanks dat treden vaak infecties op, vooral als het infuus langer gebruikt wordt. Infectie van de infuuslijn uit zich door hoge koorts. Er zit dan niets anders op dan de infuuslijn eruit te halen. Meestal verdwijnt de koorts dan snel. Als dit niet wordt gedaan, kunnen bacteriën zich in de bloedbaan gaan vermenigvuldigen en zich ook vestigen op de hartkleppen. Dit kan levensbedreigend zijn.

Sepsis/bloedvergiftiging
Vanuit iedere vorm van infectie kunnen uiteindelijk bacteriën de bloedbaan bereiken en zich daar vermenigvuldigen. We noemen dit sepsis, ook wel bloedvergiftiging. De verschijnselen zijn koude rillingen, hoge koorts tot boven 40 °C, snelle hartactie en een dalende bloeddruk. De patiënt voelt zich echt doodziek en is dat ook. Als dit langer duurt, houden de nieren op met urine produceren en neemt het vermogen van de longen om zuurstof op te nemen af. Patiënten zijn dan in direct levensgevaar. Algemene ondersteuning op een intensive-careafdeling en behandeling met antibiotica kunnen levensreddend zijn. Daarnaast is het essentieel dat de bron van de infectie wordt bestreden.

Ziekenhuisbacteriën
Als bacteriën blootgesteld worden aan antibiotica zullen de meeste doodgaan. Op den duur kunnen bacteriën zich echter aanpassen en worden ze ongevoelig voor sommige of voor alle antibiotica, ze worden resistent. De ontwikkeling van resistente bacteriestammen komt vooral voor in omgevingen waarin veel antibiotica worden gegeven, zoals ziekenhuizen. Dit leidt ertoe dat in ziekenhuizen vaak resistente stammen voorkomen, die gemakkelijk van de ene patiënt naar de andere kunnen overgaan, of van ziekenhuispersoneel naar patiënt.
De enige manier om dit tegen te gaan is strikte hygiëne. Verpleegkundigen en dokters zullen daarom altijd de handen wassen na ieder direct patiëntcontact.
Als namelijk een van de bovenvermelde infecties veroorzaakt wordt door zo'n resistente ziekenhuisbacterie, is het veel moeilijker om die infectie te behandelen. Op grond van kweekonderzoek moet dan bepaald worden voor welk type antibioticum de bacterie nog gevoelig is.
Er zijn nu echter ook bacteriën bekend die voor geen enkel antibioticum meer gevoelig zijn. Bij een infectie met zo'n bacterie is de kans op een ernstig verloop van een infectie of een dodelijke afloop veel groter. De aanwezigheid van dergelijke bacteriën op een afdeling kan reden zijn om zo'n afdeling tijdelijk te sluiten.

Trombose en embolieën
Bloed dat stilstaat, heeft de neiging om te stollen. In de slagaders komt dit probleem niet voor omdat bloed daar altijd snel stroomt. De stroom in aders is echter veel trager. Vooral de stroom in de aders van de benen is langzaam. Normaal wordt deze stroom gestimuleerd door de spieractiviteit in de benen. Tijdens en na een operatie is die er niet. Daardoor bestaat rondom een operatie altijd meer risico op het ontstaan van stolsels in de benen, of in de grote aderen in het bekken. We noemen dit trombose. Dit is vooral bij kankeroperaties een probleem, omdat door kanker het bloed vaak toch al iets meer neiging heeft om te stollen. Bij trombose wordt een been dik, rood en pijnlijk. Er is vaak sprake van lichte koorts. Het grote gevaar van trombose ontstaat wanneer een stolsel loslaat van de bloedvatwand en via het hart in de longen terechtkomt. Dit heet een longembolie. Een groot stolsel kan de longslagader helemaal afsluiten en op slag tot de dood leiden. Kleinere stolsels sluiten slechts een kleiner deel van de longslagader af. Dit geeft acute pijn bij ademhalen en benauwdheid.
Voorkomen is hier beter dan genezen. Alle patiënten die aan kanker geopereerd worden, krijgen daarom een medicament ingespoten (fraxiparine) om het bloed minder stolbaar te maken, zolang ze nog niet normaal rond kunnen lopen. Als toch een trombose of embolie optreedt, wordt de patiënt langdurig behandeld met tabletten die het bloed veel minder stolbaar maken. Deze antistollingsbehandeling wordt na ontslag uit het ziekenhuis geregeld door de trombosedienst en wordt in het algemeen zes maanden voortgezet. Vaak lost zo'n stolsel door deze behandeling helemaal op. In andere gevallen wordt het in een soort litteken opgenomen, waardoor het geen gevaar meer kan opleveren.

Hartproblemen
Vooral grote operaties vragen een extra inspanning van het hart. Een normaal gezond hart zal dat meestal wel kunnen verdragen, maar een hart dat al problemen heeft kan het soms moeilijk krijgen. Als bijvoorbeeld de kransslagaders gedeeltelijk verstopt zijn, kan de belasting van een operatie voldoende zijn om een stukje van de hartspier te laten afsterven (hartinfarct). Het is belangrijk dat de anesthesioloog van tevoren goed geïnformeerd is over eventuele hartproblemen. Daar kan dan tijdens de operatie rekening mee gehouden worden. Soms is het nodig het hartprobleem op te lossen, bijvoorbeeld door te dotteren, voordat aan een kankeroperatie gedacht kan worden.

Ernstige complicaties/intensive care
Patiënten, die een groot risico lopen op complicaties in verband met een grote operatie of omdat ze oud of anderszins verzwakt zijn, worden na operatie op de intensive-careafdeling opgenomen. Ze worden daar intensief bewaakt, zodat eventuele problemen snel kunnen worden opgepikt en behandeld. Bij de behandeling van complicaties zijn tijdige diagnose en snelle behandeling essentieel. Naast intensieve bewaking is het op een intensive-careafdeling mogelijk falende lichaamsfuncties tijdelijk over te nemen. De bloeddruk kan op peil worden gehouden door een infuus en door met medicamenten het hart te stimuleren. Ook kan bij falen van de longen de patiënt aan een beademingstoestel gelegd worden, een machine die mechanisch zuurstof in de longen blaast en koolzuur afblaast. Ook tijdelijke vervanging van de nierfunctie door een kunstnier is op de meeste intensive-careafdelingen mogelijk. Zo kunnen patiënten met zeer ernstige ziekteverschijnselen een tijd lang in leven worden gehouden. Dat helpt als in die gewonnen tijd het basisprobleem van hun complicatie kan worden opgelost. Een voorbeeld is een patiënt met een buikvliesontsteking door lekkage van de darmnaad. Wanneer door een nieuwe operatie de lekkage kan worden gestopt, zullen de falende long- en nierfunctie zich wel weer herstellen, en wordt de patiënt beter. Als dat echter niet lukt, geven de organen het een voor een op. Dit heet multi-orgaanfalen. Het is vaak de eindfase die aan de dood voorafgaat.




terug verder




Gezond eten rond chemotherapie


Als je vanwege kanker chemokuren krijgt, heb je vaak weinig tot geen trek in eten en ook je smaak is geregeld heftig aangetast. Daarbij komt meestal ook nog eens een gevoelige mond en keel waardoor eten zelfs pijn kan doen. Diezelfde problemen kun je krijgen als gevolg van bestraling. Toch is het juist van essentieel belang voor het herstel – door goed te eten – je lichaam op gewicht te houden. Dit unieke kookboek – het eerste in z’n soort – helpt bij het gevecht weer beter te worden. Met allerlei praktische tips en inspirerende recepten om toch plezier in eten te houden.

Auteur(s) : José van Mil
Prijs : € 22,50
ISBN : 9789491549434