|
|
Behandeling van kanker met radiotherapie Borstkanker Patiënten met borstkanker worden eerst behandeld door de chirurg. Daarna worden zij meestal behandeld door de radiotherapeut en de internist. Het is gebruikelijk dat de chirurg niet alleen een operatie verricht aan de borst, maar dat ook de lymfeklieren uit de oksel worden verwijderd. In Nederland wordt de diagnose borstkanker jaarlijks bij meer dan 11.000 vrouwen vastgesteld. Bij 50-75% komt een borstsparende ingreep in aanmerking. De chirurg verwijdert het kwaadaardige gezwel uit de borst. Vervolgens wordt nagegaan of de lymfeklieren van de oksel tumorcellen bevatten. Eerst zal worden nagegaan of de schildwachtklierprocedure (ook wel sentinel node procedure genoemd) op verantwoorde wijze kan worden toegepast. Met deze methode kan op betrouwbare wijze worden nagegaan of er tumorcellen in lymfeklieren van de oksel aanwezig zijn. Alleen indien dit het geval is wordt er een okseloperatie gedaan. Vervolgens bespreken de chirurg, de patholoog, de radiotherapeut en de internist de ziektegeschiedenis van de patiënt. Tijdens deze oncologiebespreking wordt besloten of er aanvullende behandelingen nodig zijn. De behandelaars zullen altijd adviseren de geopereerde borst te bestralen. Uit studies is namelijk gebleken dat de kans op hernieuwde tumorgroei in de borst zonder bestraling groot is. Na bestraling is de kans op hernieuwde tumorgroei in de borst klein. Na een borstsparende operatie zijn vaak kleine hoeveelheden tumorcellen in de borst achtergebleven, die met gewoon onderzoek niet aan te tonen zijn. De kans dat u uw borst kunt behouden als bij u een tumor in uw borst wordt geconstateerd, is erg groot. De behandeling bestaat uit uitwendige bestraling, soms gecombineerd met inwendige bestraling. Het doel van deze behandeling is de onopgemerkte tumorcellen in de borst te doden en het cosmetisch resultaat zo goed mogelijk te laten zijn. Deze doelen worden het best bereikt door per keer een kleine hoeveelheid straling te geven. De hele borst zal in 5 weken 25 keer bestraald worden. Daarna volgen nog 7 tot 10 bestralingen die gericht zijn op de plaats waar de tumor in de borst zat. Dit wordt de boosterdosis genoemd. Deze extra hoeveelheid straling kan ook door middel van inwendige bestraling (brachytherapie) worden gegeven. De radiotherapeut zal u bestraling van de omringende lymfeklieren adviseren als de kans op de aanwezigheid van achtergebleven tumorcellen in de lymfeklieren groot is. Bestraling van lymfeklieren wordt gelijktijdig met de bestraling van de borst uitgevoerd. Het doel van deze behandeling is dus onopgemerkte tumorcellen in de lymfeklieren te doden. Zo wordt bovendien het risico verkleind dat tumorcellen alsnog via de lymfeklieren de bloedbaan kunnen bereiken en zich elders in het lichaam nestelen. Na bestraling is het risico op hernieuwde tumorgroei in de lymfeklierstations erg klein. Als de artsen vermoeden dat tumorcellen via uw bloed elders in uw lichaam terecht zijn gekomen, zal ook chemotherapie of hormoonbehandeling gegeven worden. Het is niet altijd verantwoord om een borstsparende behandeling uit te voeren. Soms geeft de patiënt de voorkeur aan een niet-borstsparende operatie (al of niet gecombineerd met een directe borstreconstructie operatie). In bovengenoemde situaties wordt al het borstklierweefsel verwijderd en wordt (op dezelfde wijze als boven beschreven) nagegaan of een okseloperatie nodig is. Na onderzoek van het verwijderde weefsel bespreekt de chirurg uw ziektegeschiedenis met de patholoog, de radiotherapeut en de internist. Afhankelijk van de kenmerken van de tumor in de borst en de aanwezigheid van tumorcellen in de lymfeklieren van de oksel gaan ze na of de kans op achtergebleven tumorcellen groot of klein is. Wanneer het risico op achtergebleven tumorcellen na een operatie groot is, krijgt u het advies bestralen. Als de borstwand moet worden bestraald om onopgemerkte tumorcellen in het operatiegebied te doden, wordt u uitwendig bestraald. Die behandeling duurt ongeveer vijf weken. Wekelijks moet u meestal vijf dagen naar de afdeling radiotherapie komen. Na bestraling is de kans op hernieuwde tumorgroei in het littekengebied van de borstamputatie erg klein. Bestraling van de lymfeklieren wordt geadviseerd wanneer het risico op tumorcellen in de lymfeklieren groot is. Ook nu zult u uitwendig bestraald worden. Doel van de behandeling is onopgemerkte tumorcellen in de lymfeklieren te doden. De behandeling vindt gelijktijdig plaats met de bestraling van de borstwand. Het risico op hernieuwde tumorgroei in de lymfeklieren is na behandeling erg klein. Als de dokters vermoeden dat tumorcellen via uw bloed elders in uw lichaam terecht zijn gekomen, krijgt u ook chemotherapie of hormoonbehandeling. Soms is er sprake van een grote in de huid of spier gegroeide borstkanker. Opereren is dan niet mogelijk. Wel wordt een klein stukje van de tumor verwijderd. Dit wordt gedaan om definitief vast te stellen of het om borstkanker gaat. Tijdens de oncologiebespreking nemen uw chirurg, de patholoog, de radiotherapeut en de internist uw ziektegeschiedenis door en maken zij een behandelingsplan. Over het algemeen krijgt u eerst chemotherapie. Afhankelijk van het effect van de chemotherapie wordt u daarna bestraald of geopereerd of beide. De bestraling is uitwendig. Zowel de door tumor aangetaste borst als de omringende lymfeklieren worden bestraald. De behandeling duurt ongeveer vijf weken. Wekelijks moet u meestal vijf dagen naar de afdeling radiotherapie komen. Doorgaans wordt gedurende maximaal twee weken daarna nog een extra hoeveelheid straling gegeven. Helaas blijkt dat de tumor bij veel patiënten toch weer terugkomt. Bij deze patiënten is de kans ook groot dat er elders in het lichaam (bijvoorbeeld in de botten, de longen) tumorcellen aanwezig zijn. De levensverwachting voor deze patiënten is in het algemeen niet zo goed. Maar desalniettemin kunnen ziekteverschijnselen, dankzij de behandelingen, geruime tijd wegblijven. De kansen op genezing van borstkankerpatiënten in Nederland en andere landen zijn in de afgelopen 20 tot 30 jaar duidelijk verbeterd. Dit wordt zowel verklaard door het gegeven dat de ziekte op een eerder tijdstip wordt ontdekt (door het bevolkingsonderzoek op borstkanker) als ook door de verbeterde behandelingsmogelijkheden van de chirurg, de internist en de radiotherapeut. Baarmoederkanker Als bij u baarmoederkanker wordt geconstateerd, wordt u geopereerd. Zowel de baarmoeder (met een deel van de schede) als de eierstokken worden verwijderd. Al het verwijderde weefsel gaat voor microscopisch onderzoek naar de patholoog. Als blijkt dat het risico op achtergebleven tumorcellen groot is, zullen het operatiegebied en de omringende lymfeklieren worden bestraald. U wordt bestraald (en dus niet geopereerd) als de kansen op het ontstaan van een complicatie tijdens of direct na afloop van de operatie te hoog lijken te zijn. Na een operatie wordt u soms uitwendig, soms inwendig bestraald. Inwendige bestraling moet voorkomen dat in het achtergebleven deel van de schede (vaginastomp) een nieuwe tumor gaat groeien. Met uitwendige bestraling kan zowel hernieuwde tumorgroei in de schede als tumorgroei in de lymfeklieren worden voorkomen. Deze behandeling duurt meestal vijf weken. Het doel van de bestralingen is het doden van onopgemerkte kankercellen in of nabij het operatiegebied. Na bestraling heeft u een goede kans dat de tumor wegblijft. Bestraling zonder operatie vindt plaats wanneer de tumor uitgebreid in de nabije omgeving van de baarmoeder is doorgegroeid. Een andere reden om niet te opereren kan zijn dat het risico op levensbedreigende complicaties tijdens een operatie te groot is. Het risico neemt toe met de leeftijd en als er bijkomende ziekten zijn zoals suikerziekte, een ernstige hartziekte of een longziekte. In deze situaties wordt gekozen voor bestraling. U zult eerst vijf weken uitwendig bestraald worden. Daarna volgt vaak inwendige bestraling. Hiervoor moet u kort in het ziekenhuis worden opgenomen. Uw behandelend radiotherapeut zal proberen de twee behandelingen zo snel mogelijk op elkaar te laten volgen. Het gezonde weefsel moet natuurlijk wel voldoende tijd voor herstel krijgen. Daarom is een tijdsinterval van twee weken gebruikelijk. Na plaatselijke of algehele verdoving worden de bronhouders aangebracht in de vaginastomp. Ook krijgt u een blaaskatheter. Daarna begint de inwendige bestraling, die enkele dagen duurt. Na bestraling is de kans groot dat de tumor niet meer terugkeert. Baarmoederhalskanker De behandeling van baarmoederhalskanker bestaat uit een operatie, bestraling of uit een combinatie van beide behandelingen. Tijdens een inwendig onderzoek dat meestal uitgevoerd wordt onder algehele narcose, wordt nagegaan hoe groot de tumor is. Daarna wordt besloten wat de beste behandeling voor u is: een operatie (eventueel gevolgd door bestraling) of alleen bestraling. Onderzoek heeft aangetoond dat de combinatie van bestraling en het gelijktijdig geven van chemotherapie de kans op genezing voor sommige patiënten vergroot. In Nederland is aangetoond dat warmtebehandeling (hyperthermie) in combinatie met bestraling ook betere resultaten geeft. Dit laatste lijkt vooral van toepassing voor de iets grotere tumoren. De gynaecoloog verwijdert tijdens de operatie de baarmoeder, de baarmoederhals (inclusief de tumor), de eierstokken en de omringende lymfeklieren. Het is een zware operatie. Al het verwijderde weefsel gaat voor onderzoek naar de patholoog. Vervolgens bespreken de gynaecoloog, de patholoog, de internist en de radiotherapeut tijdens een oncologiebespreking uw ziektegeschiedenis. Afhankelijk van de kenmerken van de tumor en afhankelijk van de aanwezigheid van de tumorcellen in de lymfeklieren bepalen ze of het risico op achtergebleven tumorcellen groot of klein is. Als het risico op achtergebleven tumorcellen in het operatiegebied en de omringende lymfeklieren groot is, zal bestraling worden geadviseerd. Deze bestraling is uitwendig en duurt meestal vijf weken. Als een deel van de tumor is achtergebleven, zult u daarna een extra portie inwendige of uitwendige bestraling krijgen. Na bestraling is de kans erg groot dat de tumor in het behandelde gebied niet meer terugkeert. Er zijn twee redenen om patiënten met baarmoederhalskanker alleen te bestralen. Dat gebeurt in de eerste plaats als het risico op ernstige, levensbedreigende complicaties door een operatie groot is. Het risico op complicaties tijdens een dergelijke zware operatie neemt toe met de leeftijd en als de patiënt een ernstige ziekte heeft zoals een hartziekte, een longziekte of suikerziekte. Uit studies blijkt dat de kans op genezing na operatie of bestraling even groot is. Omdat het risico op ernstige complicaties na bestraling duidelijk kleiner is, wordt in deze situaties gekozen voor bestraling. Een andere reden om te kiezen voor bestraling is dat de tumor te groot is voor een operatie. Wanneer u in aanmerking komt voor bestraling moet u er wel rekening mee houden dat u zowel uitwendig als inwendig bestraald moet worden. Meestal duurt de uitwendige behandeling vijf weken. Soms wordt u maar één keer inwendig bestraald, soms twee keer. Uiteraard wordt u voor deze bestralingen opgenomen in het ziekenhuis. Na bestraling is de kans groot dat de tumor in het behandelde gebied niet meer terugkeert. Urologische tumoren Prostaatkanker Prostaatkanker komt vaak voor. Elk jaar worden 7.900 mannen met deze diagnose geconfronteerd. Veel mannen van 80 jaar en ouder dragen deze ziekte bij zich. Zij hoeven daar echter niet altijd weet van te hebben omdat de ziekte niet altijd klachten veroorzaakt. De drie meest gebruikte behandelingen bij prostaatkanker zijn operatie, bestraling of het toedienen van hormonen. De behandeling wordt bepaald op grond van de plaatselijke uitbreiding van de tumor en de aan- of afwezigheid van uitzaaiingen. Jongere mannen met een goede algemene conditie kunnen in aanmerking komen voor een operatie. Dit is een zware ingreep. Andere patiënten krijgen een bestraling, al dan niet gecombineerd met een hormonale behandeling. De bestraling kan uitwendig of inwendig zijn. Als de tumor erg klein is en er onder de microscoop weinig kwaadaardige kenmerken te zien zijn, is soms behandeling niet nodig. Wanneer u in verband met prostaatkanker bestraald moet worden, moet u er rekening mee houden dat uw behandeling zes à zeven weken zal gaan duren. De behandeling duurt zo lang omdat per keer maar een kleine dosis straling wordt toegediend. Hierdoor worden de klachten die veroorzaakt worden door bestraling van normale cellen van de darm en de urineblaas zo veel mogelijk beperkt. Meestal worden 30 tot 35 bestralingen gegeven. Om ervoor te zorgen dat zo min mogelijk gezond weefsel bestraald wordt, maakt men een CT-scan. Daarop is de precieze plek van de tumor en het omringende normale weefsel (zoals darm, blaas) duidelijk zichtbaar. Het bestralingsveld kan daardoor heel nauwkeurig worden aangegeven. De plaats van de prostaat kan elke dag enkele millimeters verschillen. Ook tijdens de bestraling kan de plaats van de prostaat veranderen. Mede daarom wordt het te bestralen gebied altijd iets ruimer gekozen (de marge) rond de prostaattumor. En vervolgens worden (in principe elke week) controlefoto's op het bestralingstoestel gemaakt om na te gaan of de prostaattumor goed wordt bestraald. De prostaat is niet zichtbaar te maken met deze foto's en daarom worden deze foto's onderling vergeleken op basis van de wel zichtbare (bot)structuren van het bekken. Inmiddels is een nieuwe methode ontwikkeld. Eerst worden een vijftal kleine stukjes goud (deze zijn wel goed te zien op de controlefoto's) in de prostaat aangebracht. Hiermee is de plaats van de prostaat beter te controleren. Deze methode wordt nu steeds meer toegepast. Na bestraling is de kans erg groot dat de tumor in het behandelde gebied niet meer terugkeert. Inwendige bestraling wordt bij prostaatkanker steeds vaker toegepast. Over het algemeen wordt deze behandeling alleen toegepast bij de kleinere prostaattumoren. U zult voor deze behandeling kort in het ziekenhuis moeten worden opgenomen. De radiotherapeut plaatst, na plaatselijke verdoving, een groot aantal zaadjes (60-80) met radioactief jodium in de prostaat. In principe blijven deze radioactieve zaadjes in de prostaat zitten. De radioactiviteit neemt echter snel af. Na de behandeling wordt met behulp van röntgenfoto's gecontroleerd of alle ingebrachte zaadjes nog in de prostaat zitten. De behandeling wordt goed verdragen. De kans op genezing is groot. Het voordeel van deze behandeling is dat die maar enkele uren duurt. Een tweede voordeel is dat het omringende gezonde weefsel nauwelijks wordt bestraald. De kans op impotentie bij deze vorm van bestraling is ook kleiner vergeleken met de kans op impotentie na een operatie. Blaaskanker In het geval van blaaskanker neemt uw uroloog tijdens de oncologiebespreking met de patholoog en de radiotherapeut uw ziektegeschiedenis door en bepaalt wat de beste behandeling is. De keuze van de behandeling is afhankelijk van de grootte van de tumor. Als u blaaskanker heeft, wordt u in principe geopereerd. De hele urineblaas wordt verwijderd en er wordt een kunstmatige uitgang voor de afvoer van de urine gemaakt. Als een operatie niet mogelijk is, is bestraling een goed alternatief. Soms kan verwijdering van de blaas voorkomen worden door inwendige bestraling. De bestraling bij blaaskanker is uitwendig. Er wordt voor bestraling gekozen wanneer de blaastumor te groot is om operatief verwijderd te kunnen worden of wanneer de algemene conditie van de patiënt een operatie niet toelaat. U moet er rekening mee houden dat de behandeling zes à zeven weken duurt. Dat komt omdat per keer de bestraling slechts uit een kleine dosis bestaat. Zo worden de klachten, die veroorzaakt worden door bestraling van normale cellen van de darm en de urineblaas, zo veel mogelijk beperkt. Om gezond weefsel zo min mogelijk te bestralen, wordt voorafgaand aan de bestraling een CT-scan gemaakt waardoor de juiste ligging van de tumor goed kan worden bepaald. Meestal zult u in totaal 30 tot 35 maal bestraald worden. Na 20 à 25 bestralingen zal een kleiner veld bestraald worden. Na bestraling is de kans erg groot dat de tumor in het behandelde gebied niet meer terugkeert. In sommige gevallen kan een blaastumor die op een gunstige plaats in de urineblaas ligt, inwendig worden bestraald. Het voordeel van deze behandeling is dat niet de hele urineblaas verwijderd hoeft te worden. Voor deze behandeling moet u worden opgenomen. De operatie wordt uitgevoerd door de uroloog. Daarna plaatst de radiotherapeut, als u nog onder narcose bent, een aantal plastic bronhouders in de blaas in de directe omgeving van de kankercellen. Deze steken door een gaatje in de huid naar buiten. Ook wordt tijdelijk een urinekatheter aangebracht. De bronhouders worden vervolgens gevuld met de radioactieve bronnen. De totale behandeling duurt ongeveer vijf dagen. De slangetjes worden daarna zonder verdoving verwijderd. De resultaten van deze behandeling zijn goed. Testiskanker De zieke zaadbal wordt operatief via de lies verwijderd. De patholoog stelt daarna definitief vast of er sprake is van testiskanker. Er zijn twee soorten testiskanker: seminoom en non-seminoom. Uitzaaiingen van het seminoom verplaatsen zich meestal via de lymfeklieren. Uitzaaiingen van het non-seminoom verplaatsen zich meestal via de bloedbaan. Het non-seminoom wordt behandeld door operatie en chemotherapie. Bestraling speelt bij de behandeling geen belangrijke rol. Bij het seminoom kan in een vroeg stadium bestraling worden toegepast. In een meer gevorderd stadium bestaat de behandeling uit chemotherapie of radiotherapie. In het algemeen reageert het seminoom heel erg goed op bestraling. Als het seminoom in een vroeg stadium wordt ontdekt, wordt uitwendige bestraling toegepast. De behandeling duurt ongeveer drie weken. Meestal wordt in totaal 15 keer bestraald. Door de grote stralingsgevoeligheid hoeft maar een lage dosis straling te worden gegeven. De klachten, die veroorzaakt worden door bestraling van normale cellen van de darm en de urineblaas, zullen daardoor beperkt zijn. Na bestraling is het risico klein dat de tumor terugkeert in het behandelde gebied. Bovendien kunt u, wanneer de tumor toch zou terugkomen, nog genezen door middel van chemotherapie. Longkanker Bij de behandeling van longkanker maakt men onderscheid tussen het kleincellige type en het niet-kleincellige type longkanker. Het kleincellige type wordt in principe eerst behandeld met chemotherapie. Voor het behandelingsadvies zijn naast het type longkanker natuurlijk ook de conditie van de patiënt en de mate van uitgebreidheid van de kanker van belang. De meest toegepaste behandelingen van het niet-kleincellige type longkanker zijn operatie of bestraling. Ook chemotherapie wordt toegepast: soms voorafgaand aan de operatie of bestraling, soms gelijktijding met de bestraling. Operatie komt in aanmerking bij kleine tumoren en wanneer er voor de operatie geen uitzaaiingen zijn aangetoond. Uiteindelijk komt slechts een klein deel van de patiënten in aanmerking voor een operatie. Het niet-kleincellige type longkanker Patiënten met een geringe tumoruitbreiding worden in beginsel geopereerd. Laat hun algemene conditie dat echter niet toe, dan kunnen ze worden bestraald. Het risico op ernstige complicaties tijdens een zware operatieve ingreep neemt toe met de leeftijd en bij de aanwezigheid van een andere ziekte zoals een hartziekte, longziekte of suikerziekte. Tijdens bestraling is het risico op deze complicaties verwaarloosbaar klein. De behandeling duurt zes à zeven weken; per keer wordt een kleine hoeveelheid straling toegediend. Door gebruik te maken van een CT-scan, wordt het mogelijk om normaal weefsel zo min mogelijk te bestralen. Op de CT-scan is de plek van de longtumor en het omringende normale weefsel (zoals long, hart, slokdarm, ruggenmerg) goed zichtbaar. Hierdoor zijn de klachten die veroorzaakt worden door bestraling van gezonde cellen van de slokdarm en de long beperkt. Meestal wordt in totaal 30 tot 35 keer bestraald. In eerste instantie is het bestralingsveld groot. Nadat u 20 tot 25 keer bent bestraald, wordt een kleiner veld bestraald. Na bestraling is het risico klein dat de tumor in het behandelde gebied opnieuw groeit. Patiënten met een goede algemene conditie, die gezien de uitbreiding van de tumor niet in aanmerking komen voor operatie, kunnen wel in aanmerking komen voor bestraling. Het doel van de bestraling is het voorkomen van ernstige klachten die veroorzaakt worden door het groter worden van de tumor. Sommige patiënten zullen bovendien dankzij de bestraling langer leven. Onderzocht wordt wat de waarde is van chemotherapie voorafgaand aan bestraling of operatie en wat de waarde is van het gelijktijdig toedienen van chemotherapie en bestraling. Ook wordt veel aandacht besteed aan de vraag hoe de wijze van bestraling het best aangepast kan worden, rekening houdend met de beweeglijkheid van de tumor in de long tijdens de ademhaling (de zgn. "4-D Gated" bestraling). Als de operatie wel mogelijk is, wordt tijdens de operatie de longtumor met de omringende lymfeklieren verwijderd. Soms wordt daarbij een hele long verwijderd. Het is een zware operatie. Al het verwijderde weefsel gaat naar de patholoog. Uw longarts, de patholoog, de thoraxchirurg en de radiotherapeut bespreken uw ziektegeschiedenis. Zij zullen uitwendige bestraling van het operatiegebied en de omringende lymfeklieren adviseren wanneer het risico groot is dat er tumorcellen zijn achtergebleven. De behandeling duurt vijf tot zeven weken. Na bestraling is het risico klein dat de tumor in het behandelde gebied terugkeert. Algemeen geldt dat de vooruitzichten van een patiënt met het niet-kleincellige type longkanker matig zijn. Er is dan ook veel onderzoek gedaan om na te gaan of de behandelingsresultaten kunnen worden verbeterd. Gebleken is dat, naast chirurgie of radiotherapie, chemotherapie voor een aantal patiënten een gunstig effect kan hebben. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat de beste volgorde van deze behandelingen zal zijn. Het kleincellige type longkanker Voor de behandeling van het kleincellige type longkanker is het belangrijk te weten of de tumor alleen in de borstholte zit. Als dat zo is, spreken we van een limited disease. Bij voorkeur wordt gestart met het gelijktijdig toedienen van bestraling en chemotherapie. Na de gecombineerde behandeling is het risico op teruggroei van de tumor aanzienlijk afgenomen. De kans op uitzaaiingen naar de hersenen is bij dit type longkanker vrij groot. Omdat chemotherapie niet goed doordringt in het hersenweefsel, worden de hersenen uit voorzorg bestraald. De kans op genezing neemt toe na de gecombineerde behandeling. U moet er rekening mee houden dat de bestraling vier à vijf weken kan duren. Dat komt omdat per keer maar een kleine hoeveelheid straling wordt toegediend. Hierdoor zullen de klachten die veroorzaakt worden door bestraling van normale cellen van de slokdarm, de long en de hersenen gering zijn. Als de tumor ook buiten de borstholte te zien is, spreken we van een extensive disease. In dit geval bestaat de behandeling alleen uit chemotherapie. Bestraling kan in aanmerking komen om klachten te bestrijden of om klachten te voorkomen. Tumoren in de keel, de mondholte en de neusbijholtes In het hoofd-/halsgebied kunnen op veel plaatsen tumoren voorkomen. Drie specifieke plaatsen worden hier besproken. Strottenhoofdkanker De behandeling van strottenhoofdkanker bestaat uit een operatie, bestraling of een combinatie van beide. Over het algemeen worden kleine tumoren bestraald. Daarvoor wordt meestal gekozen om de functie van de stembanden te behouden. Tijdens en na afloop van de bestralingsperiode kunt u hees zijn en problemen hebben met slikken. U kunt op een vrijwel normale manier praten nadat de acute bijwerkingen zijn verdwenen. Het geluid van uw stem zal in de loop van de jaren na de behandeling verbeteren. U wordt gedurende zeven weken ongeveer 35 maal uitwendig bestraald. Vaak wordt na 20 tot 25 bestralingen het bestralingsveld verkleind. Recente onderzoeken tonen aan dat bij grotere tumoren het geven van de stralingsdosis in minder dan zeven weken een grotere kans op genezing geeft. Dat kan bijvoorbeeld door gedurende een bepaalde periode twee fracties op een dag te geven. Bij een grote tumor wordt vaak gekozen voor het volledig weghalen van het strottenhoofd. U kunt daarna niet meer op een normale manier praten. Tijdens de operatie kan een stemknopje worden aangebracht waarmee u redelijk goed kunt praten. Een andere methode omvat het aanleren van zogenaamde slokdarmspraak. De logopediste helpt u in beide gevallen bij het weer leren spreken. Afhankelijk van bevindingen van de patholoog kan na de operatie alsnog besloten worden tot bestraling. Het gelijktijdig toedienen van chemotherapie en bestraling lijkt een goed alternatief voor deze ingrijpende operatieve ingreep. Het bestralen van het operatiegebied (eventueel uitgebreid met het gebied van de omringende lymfeklieren) is nodig wanneer de kans op achtergebleven tumorcellen groot is. Deze behandeling wordt uitgevoerd met uitwendige bestralingsapparatuur. Meestal duurt de behandeling 5 tot 7 weken. Er worden dan 25 tot maximaal 35 bestralingen gegeven. Kanker van de tong De behandeling van een tumor in de tong bestaat uit een operatie, uit bestraling of uit een combinatie van beide. Kleine tumoren worden meestal bestraald. De functies van de tong (praten, slikken, smaak) blijven meestal behouden. De bestraling is bij voorkeur inwendig. Zo wordt bestraling van normaal weefsel beperkt. Voor het ondergaan van deze behandeling moet u korte tijd in het ziekenhuis verblijven. De radiotherapeut plaatst, na algehele verdoving, een aantal plastic bronhouders in uw tong op de plaats van de tumor. Daarna wordt een voedingssonde ingebracht. De bronhouders worden gevuld met radioactieve bronnen. Het grote voordeel van inwendige bestraling ten opzichte van uitwendige bestraling is dat de kans kleiner is dat u een droge mond en geïrriteerde slijmvliezen krijgt. U zult ongeveer vijf dagen in het ziekenhuis moeten blijven. De behandelingsresultaten zijn in het algemeen goed. Grotere tumoren in de tong worden meestal operatief verwijderd. Wanneer na de operatie blijkt dat de kans op achtergebleven tumorcellen in de tong groot is, wordt gekozen voor inwendige bestraling. Het ongewenst bestralen van normaal weefsel kan hierdoor in sterke mate worden beperkt. Wel moet u voor deze behandeling korte tijd in het ziekenhuis verblijven. De radiotherapeut plaatst, na algehele verdoving, een aantal plastic bronhouders in de tong. Deze worden gevuld met de radioactieve bronnen. De behandeling duurt een aantal dagen. De behandelingsresultaten zijn over het algemeen goed. Er wordt voor uitwendige bestraling gekozen als het risico groot is dat er tumorcellen in de lymfeklieren van de hals zijn achtergebleven. Deze behandeling duurt meestal vijf tot zeven weken. Soms wordt een combinatie van zowel uitwendige als inwendige bestraling gegeven. Kanker van de nasopharynx Bij de behandeling van kanker in het gebied boven de keelholte (de nasopharynx) wordt gekozen voor uitwendige bestraling. Vaak wordt gekozen voor een combinatie met inwendige bestraling en chemotherapie. Daarbij wordt geprobeerd zo min mogelijk normaal weefsel te bestralen. Door een CT-scan of MRI-scan te maken, is de precieze plek van de tumor en het omringende normale weefsel zoals de ogen, de neusbijholten en de hersenen goed te zien. Zo kan het bestralingsveld heel nauwkeurig worden bepaald en op uw masker worden aangegeven. Vaak wordt het toedienen van inwendige bestraling (na de uitwendige bestraling) overwogen. Meestal wordt in totaal 30 tot 35 keer bestraald. Daarbij start men met een groot bestralingsveld; ook de lymfeklieren van de hals worden behandeld. Na 20-25 bestralingen wordt dit veld verkleind tot het gebied waar de tumor heeft gezeten. Na bestraling is het risico klein dat de tumor in het behandelde gebied opnieuw groeit. Lymfomen Ook in lymfeklierweefsel kunnen normale cellen veranderen in kwaadaardige cellen. We noemen deze kwaadaardige ziektebeelden geen kanker maar lymfomen. We onderscheiden de ziekte van Hodgkin en de non-Hodgkin lymfomen. Voor beide is, teneinde een goed behandelingsadvies te kunnen geven, het van groot belang om te weten waar de ziekte wel of niet aanwezig (zichtbaar) is: in één lymfeklierstation (stadium I); op meerdere plekken aan één kant van het middenrif (stadium II); aan twee zijden van het middenrif (stadium III) en niet alleen in de lymfeklieren maar ook bijvoorbeeld in het beenmerg of in organen (stadium IV). De ziekte van Hodgkin Patiënten met de ziekte van Hodgkin werden in het nabije verleden bestraald als de ziekte zich niet of in beperkte mate had verspreid (stadium I en II). Praktisch alle lymfeklierstations boven het middenrif werden bestraald. We noemen deze behandeling een mantelveldbestraling als de ziekte boven het middenrif is ontstaan. De vorm van het te bestralen gebied lijkt op een jas of mantel. Het zijn grote bestralingsvelden en een dergelijke behandeling kost veel voorbereidingstijd. Uiteraard probeert men om zo veel mogelijk normaal weefsel (longen, hart, mond, keel, speekselklieren) te ontzien. Er werd, wanneer de ziekte van Hodgkin in de lymfeklieren die onder het middenrif liggen was ontstaan, gekozen voor eenzelfde type behandeling. Dit werd een omgekeerde Y-bestraling genoemd. De vorm van het bestralingsveld lijkt namelijk op een omgekeerde Y. De behandeling duurde vier tot vijf weken. De laatste jaren begint men in de vroege stadia vaak met chemotherapie. Dit om bijwerkingen, zowel op lange als op korte termijn, te verminderen. Vaak volgt daarna bestraling van kleinere velden (dit noemen we 'involved field'-bestraling). Alleen de aanvankelijk duidelijk aangetaste lymfeklierstations worden dan bestraald. In de stadia III en IV wordt altijd eerst chemotherapie gegeven. Van bestraling kan worden afgezien als er na de chemotherapie geen afwijkingen meer aanwezig (zichtbaar) zijn. Non-Hodgkin lymfoom Het is belangrijk om te weten of er wel of niet sprake is van non-Hodgkin lymfomen van lage maligniteitsgraad. De maligniteitsgraad wordt vastgesteld door de patholoog. Non-Hodgkin lymfomen van lage maligniteitsgraad kunnen met succes worden bestraald met een lage dosis straling (geldt ook voor stadium III/IV). Soms kan het jaren duren voordat deze ziekte weer actief wordt en daarom wordt soms zelfs het advies gegeven om (tijdelijk) in het geheel geen behandeling toe passen. Chemotherapie wordt ook vaak toegepast bij het stadium III en IV. Chemotherapie is de behandeling van keuze wanneer er geen sprake is van een lage maligniteitsgraad. Daarna wordt beoordeeld of aanvullende bestraling zinvol zou kunnen zijn. Sommigen krijgen eerst hoge doseringen chemotherapie. Voor deze intensieve behandeling moet u een aantal weken in het ziekenhuis worden opgenomen. Naast chemotherapie krijgt u één- of tweemaal een totale lichaamsbestraling die ongeveer één uur duurt. Deze bestraling heeft onder meer tot gevolg dat de productie van bloedcellen (bijvoorbeeld witte en rode bloedlichamen, bloedplaatjes) sterk zal afnemen. Hierdoor loopt u een verhoogd risico op infecties of bloedingen en voelt u zich vaak moe. Ter voorkoming van infecties wordt u geïsoleerd, dat wil zeggen afgezonderd, verpleegd. Voor de aanmaak van bloedcellen is beenmerg nodig. U zult dan ook een beenmergtransplantatie krijgen. Soms wordt daarvoor uw eigen beenmerg gebruikt, soms dat van een familielid. Onderzoek wijst uit dat deze zeer intensieve behandeling, vergeleken met de gewone behandeling, tot betere resultaten leidt. Dikkedarmkanker Wanneer endeldarmkanker alleen met een operatie wordt behandeld is (in het algemeen) de kans groot dat de ziekte plaatselijk weer de kop opsteekt. Er is ter plaatse namelijk heel weinig ruimte beschikbaar voor de chirurg waardoor het moeilijk is om de tumor in zijn geheel te verwijderen. Als na operatie de kans op teruggroei van de tumor op de oorspronkelijke plaats of in de omringende lymfeklieren groot is, kan uitwendige bestraling worden geadviseerd. Tegenwoordig worden patiënten met endeldarmkanker voorafgaand aan de operatie kortdurend bestraald. De techniek van opereren is in de afgelopen jaren ook aangepast en verbeterd. We noemen dit de TME (Total Mesorectal Excision) operatie. Door deze twee aanpassingen in de behandeling is de kans op het opnieuw aangroeien van achtergebleven tumorcellen duidelijk kleiner geworden. Helaas zijn de wondgenezingsproblemen wel toegenomen, vooral in die situaties waarin een kunstmatige uitgang (ap, anus praeternaturalis) moest worden gemaakt. In die situaties waarin de aanleg van een ap niet nodig was zijn er meer problemen met de stoelgang en de sexualiteit (dit lijkt vooral te gelden voor mannen). Het is niet duidelijk of chemotherapie voor patiënten met kanker van de endeldarm (na de bestraling en de tme-operatie) zinvol is. Hersentumoren Patiënten met een tumor die in de hersenen is ontstaan, worden vaak geopereerd. De neurochirurg zal zo veel mogelijk tumorweefsel verwijderen. Klachten of verschijnselen die veroorzaakt worden door de tumor, verminderen daarna vaak. De neurochirurg kan bijna nooit alle tumorcellen wegnemen, omdat hij het normale hersenweefsel anders zou beschadigen. Het verwijderde weefsel gaat voor onderzoek naar de patholoog. De behandelend neurochirurg bespreekt met de patholoog, de neuroloog, de internist en de radiotherapeut de ziektegeschiedenis tijdens de oncologiebespreking. Wanneer de hersentumor, naar het oordeel van de patholoog, duidelijk kwaadaardige kenmerken heeft, wordt uitwendige bestraling toegepast. Doel van de uitwendige bestraling is voorkomen dat de tumor groter wordt. De behandeling duurt vijf tot zeven weken. Er wordt altijd een masker gemaakt. Hierop geeft de radiotherapeut de grenzen van de bestralingsvelden aan. Helaas bestaat het risico dat de tumor na de bestraling terugkomt. Dit geldt in het bijzonder voor de veelvoorkomende kwaadaardige astrocytomen en oligodendrogliomen. De bestraling leidt vaak wel tot een verbeterde kwaliteit van leven. Een aantal bestralingsinstituten in Nederland hebben de beschikking over bestralingsapparatuur waarmee op zeer precieze manier kan worden bestraald. Hierdoor is het mogelijk grillig gevormde afwijkingen toch goed te bestralen zonder dat het omringende normale hersenweefsel teveel met stralen wordt belast. Tumoren in de weke delen Ook in spieren, in vetweefsel en in bindweefsel kunnen kwaadaardige tumoren ontstaan. In medische kringen noemen we dit sarcomen. Met behulp van een CT- en een MRI-scan wordt nagegaan waar de tumor zit en hoe groot die is. In ieder geval wordt een stukje van de tumor voor onderzoek door de patholoog weggenomen. Hij stelt vast of de tumor kwaadaardig is. Daarna wordt besloten of de patiënt in aanmerking komt voor een operatie. Tijdens een operatie wordt geprobeerd al het tumorweefsel te verwijderen. Ook dit tumorweefsel wordt naar het laboratorium van de patholoog gebracht. Afhankelijk van zijn bevindingen wordt besloten of bestraling nodig is. De bestraling van weke-delentumoren gebeurt uitwendig. In het algemeen gaat het om grote bestralingsvelden. Doel is te voorkomen dat de tumor teruggroeit. De bijwerkingen, zowel op korte als lange termijn, moeten zo veel mogelijk worden beperkt. Dit gebeurt door per keer een kleine hoeveelheid straling te geven. Meestal duurt de hele bestraling zes tot zeven weken. In een enkele situatie kan ook inwendige bestraling worden toegepast. Hiervoor moet u uiteraard een korte tijd in het ziekenhuis blijven. Soms wordt een groot deel van een arm of been bestraald. Het is dan verstandig om vooraf, tijdens en een lange tijd na de bestralingsperiode oefentherapie te volgen. Zo voorkomt u zoveel mogelijk het ontstaan van bindweefsel in de spieren. Huidtumoren Huidkanker kan op verschillende manieren worden behandeld. Operatie, bestraling, bevriezing en wegbranden zijn de belangrijkste behandelingsmethoden. Voor welke behandeling gekozen wordt, hangt af van de kankersoort, de plaats en de grootte van de tumor. Uiteraard speelt de algemene conditie van de patiënt hierbij ook een belangrijke rol. Het melanoom wordt meestal in eerste instantie operatief behandeld. Na een operatie volgt soms bestraling. Bestraling wordt vooral toegepast bij huidkanker van de lip, het ooglid of de neus. Voor deze behandeling wordt gekozen omdat anders een groot deel van de lip, het ooglid of de neus verwijderd moet worden. Dit is ongewenst en vaak niet nodig. Voor huidtumoren gebruikt men straling die heel oppervlakkig werkt. Dit om te voorkomen dat dieper gelegen delen van het lichaam worden bestraald. De totale behandeling beslaat 10 tot 20 bestralingen. Soms wordt inwendige bestraling toegepast. Het ongewenst bestralen van normaal weefsel kan zo nog meer worden beperkt. Wel moet u voor het ondergaan van de inwendige behandeling een korte tijd in het ziekenhuis blijven. De radiotherapeut plaatst, na plaatselijke of algehele verdoving, een aantal bronhouders. Die worden vervolgens gevuld met de radioactieve bronnen. De totale behandeling duurt een aantal dagen. Zowel na uitwendige als na inwendige bestraling is de kans dat de tumor op dezelfde plaats terugkomt heel erg klein. Uitzaaiingen Uitzaaiingen komen veel voor in de longen, lever, hersenen en botten. Hoewel uitzaaiingen in de longen en de lever levensbedreigend zijn, kunnen de klachten van deze uitzaaiingen vaak niet goed door bestraling worden verholpen. Bestraling wordt wel veel toegepast bij uitzaaiingen in botten, hersenen en lymfeklieren. Uitzaaiingen in de botten geven vaak veel ongemak. Patiënten hebben vaak pijn. Patiënten met uitzaaiingen in de lange pijpbeenderen (zoals in de benen en in de armen) lopen makkelijker botbreuken op. Uitzaaiingen in de ruggenwervels kunnen, doordat het ruggenmerg wordt beschadigd door de steeds maar groter wordende uitzaaiing, leiden tot pijn en uitvalsverschijnselen. Uitzaaiingen in de wervelkolom kunnen leiden tot ernstige beschadiging van het ruggenmerg. Voorbodes kunnen zijn: (uitstralende) rugpijn en krachtverlies of gevoelsverlies in armen of benen. Het is daarom noodzakelijk dat u, als u bovengenoemde klachten krijgt, zo snel mogelijk contact opneemt met uw behandelend kankerspecialist (de chirurg, de internist of de radiotherapeut). Dan kan snel onderzoek worden ingezet. Als alleen pijnbestrijding de reden is van de bestraling, wordt meestal gekozen voor het geven van een eenmalige dosis. Pijnklachten verbeteren of verdwijnen dan in 80% van de patiënten. Het is hierna alsnog mogelijk (na verloop van tijd) dezelfde plek opnieuw te bestralen. In andere situaties (bv. een dreigende botbreuk, beschadiging van het ruggenmerg etc.) wordt er meestal voor gekozen een aantal bestralingen te geven (meestal 4 tot 6). Uitzaaiingen in de hersenen kunnen leiden tot klachten als hoofdpijn, spraakstoornissen, loopstoornissen, misselijkheid en braken. Ook hier kan bestraling verlichting geven. Ondanks alle verbeterde inzichten in de kankergeneeskunde komen uitzaaiingen veel voor. Het behandelen van de klachten is een belangrijk onderdeel van de kankergeneeskunde. Bestraling speelt hierin een belangrijke rol. In Nederland worden jaarlijks ongeveer 27.000 patiënten bestraald wegens uitzaaiingen die tot klachten leiden. |
Gezond eten rond chemotherapie Als je vanwege kanker chemokuren krijgt, heb je vaak weinig tot geen trek in eten en ook je smaak is geregeld heftig aangetast. Daarbij komt meestal ook nog eens een gevoelige mond en keel waardoor eten zelfs pijn kan doen. Diezelfde problemen kun je krijgen als gevolg van bestraling. Toch is het juist van essentieel belang voor het herstel – door goed te eten – je lichaam op gewicht te houden. Dit unieke kookboek – het eerste in z’n soort – helpt bij het gevecht weer beter te worden. Met allerlei praktische tips en inspirerende recepten om toch plezier in eten te houden. Bestraling: wat betekent dat voor mij? Wat is kanker? Hoeveel mensen lijden in Nederland aan hanker? Hoe is kanker te voorkomen? Hoe wordt het in Nederland behandeld? Wat gebeurt er op de afdeling radiotherapie en waarom wordt iets gedaan? Welke manesn komt u op deze afdeling tegen en wat doen zij? Op al deze vragen krijgt u in dit boek antwoord.
Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule. |








