|
|
De gang van zaken bij bestraling Als u voor de eerste keer op de afdeling radiotherapie komt, meldt u zich bij de receptie. De mensen van de administratie kunnen nog naar aanvullende gegevens vragen om uw medisch dossier klaar te maken (de status, uw ponsplaatje). Intakegesprek Bij het intakegesprek heeft u een gesprek met de radiotherapeut (bestralingsarts). Op sommige radiotherapie-afdelingen is het gebruikelijk dat hierna ook nog een gesprek volgt met een laborant. Bij het gesprek mag een voor u vertrouwd iemand aanwezig zijn, bijvoorbeeld uw partner of een familielid. De radiotherapeut zal een persoonlijk behandelplan voor u maken. Daarbij maakt hij gebruik van de gegevens die de verwijzende specialist (bijv. de chirurg, de internist of de KNO-arts) heeft vastgesteld. Omdat het enige tijd duurt voor de radiotherapeut alle gegevens heeft, kan er enige tijd zitten tussen de verwijzing en de oproep van de afdeling radiotherapie. De benodigde gegevens staan in de verwijsbrief en, mocht u geopereerd zijn, in het operatieverslag, het PA-verslag en de fotomap. Tegenwoordig zijn de gegevens van de foto's vaak digitaal (dus in de computer) opgeslagen en zichtbaar te maken via het beeldscherm van de computer met behulp van een cd of dvd. Ondanks dat de radiotherapeut veel informatie heeft, zal hij u toch opnieuw vragen stellen over uw ziekte. Een patiënt in levenden lijve is immers anders dan een mens op papier. Meestal zal hij ook een gericht lichamelijk onderzoek doen om een indruk te krijgen van uw lichamelijke gesteldheid. Hij zal het gebied dat bestraald moet worden nauwkeurig onderzoeken. Daarna bepaalt hij welke bestralingsmethode voor u de beste is. Hij vertelt u hoe vaak u bestraald gaat worden, legt u uit hoe de bestraling in zijn werk gaat, wat de bijwerkingen kunnen zijn en welke hulpmiddelen of aanvullende onderzoeken nog nodig zijn. Hij kan u direct een schema meegeven waarop alle afspraken staan of u krijgt een oproep toegestuurd. Op sommige afdelingen zal de laborant u ook nog apart informatie geven over de bestraling. Hulpmiddelen Soms zijn voor een bestraling hulpmiddelen nodig. Die worden gemaakt in de moulagekamer. Het gaat te ver om in te gaan op alle verschillende hulpmiddelen die er zijn, maar als voorbeeld geven we een masker dat gebruikt wordt bij de bestraling van een tumor in het hoofd-/halsgebied. Dit masker voorkomt dat het hoofd beweegt tijdens de bestraling. In het masker zitten openingen waardoor u gewoon door uw mond en neus kunt blijven ademen. Het bestralingsmasker krijgt u elke keer tijdens een bestraling op. ![]() Gelaatsmasker, dat voorkomt dat het hoofd beweegt tijdens de bestraling. Het masker is gemaakt van een soort plastic dat fotonenstraling doorlaat. Het voordeel van een masker is dat er tekeningen op gemaakt kunnen worden die de bestralingsvelden nauwkeurig afbakenen. Met het masker hoeft er niet op uw gezicht getekend te worden. De medewerker van de moulagekamer zal u, voordat hij aan de slag gaat, uitleggen wat hij gaat doen. Hij legt uw hoofd precies in de stand waarin het bestraald gaat worden. Daarna maakt hij het masker. Nadat u weg bent, werkt hij dit verder af. Vaak zult u nog een keer moeten passen voor het masker af is. Dit gebeurt meestal direct voor het aftekenen van de bestralingsvelden. Aanvullende onderzoeken CT-, MRI- en PET-scan Het kan nodig zijn een CT-scan of MRI-scan in bestralingshouding te maken. Dit gebeurt dan voorafgaand aan de serie bestralingen. Indien u met een masker op zult worden bestraald, krijgt u dat tijdens deze scan ook op. Meestal worden er ook stipjes met slecht afwasbare inkt op uw huid gezet. Dat gebeurt om de bestralingsvelden elke dag op precies dezelfde manier te kunnen instellen. Zowel met de CT-scan als met de MRI-scan wordt een soort dwarsdoorsnede van uw lichaam gemaakt. Het is alsof u vanaf de onderkant van uw voeten door uw lichaam in de richting van uw hoofd kijkt. Op een computerscherm zijn op de plaats van de dwarsdoorsnede alle inwendige organen te zien. Maar ook alle zijden van de tumor en de aangrenzende weefsels. De scan geeft een goed overzicht van het te bestralen gebied. De radiotherapeut en de planningslaborant tekenen na afloop op de scan het te bestralen gebied af en de gezonde weefsels die zo min mogelijk straling mogen ontvangen. De scan wordt vervolgens in de planningscomputer ingelezen. De planningslaborant maakt in samenspraak met de radiotherapeut en de klinisch fysicus een zo goed mogelijk bestralingsplan. Hierbij is het uitgangspunt steeds dat de tumor, of het gebied waar de tumor gezeten heeft, de voorgeschreven stralingsdosis krijgt en de omliggende gezonde weefsels en organen zo veel mogelijk worden gespaard. Een nieuwe ontwikkeling is de PET-(positron emissie tomografie) scan. Met de PET worden afbeeldingen gemaakt van de stofwisseling van weefsels of organen. Met de CT en MRI worden alleen afbeeldingen gemaakt van zichtbare structuren (geen functie-onderzoek) in het lichaam. Bij de patiënt wordt eerst een geringe hoeveelheid radioactief materiaal (bijvoorbeeld radioactief gemaakt glucose) ingespoten in de bloedbaan. Daarna worden de PET-afbeeldingen gemaakt. Met de PET-scan kan worden nagegaan of en waar zich tumorcellen bevinden, namelijk op die plekken waar het radioactieve materiaal vooral zichtbaar is. Aanvullende informatie kan worden verkregen door de afbeeldingen van de CT te combineren (te matchen) met die van het PET-onderzoek: de PET-CT. Dit biedt de mogelijkheid het bestralingsplan aan te passen aan deze nieuwe bevindingen. Echo Afhankelijk van de plaats die bestraald zal gaan worden, kan het nodig zijn om bijvoorbeeld een echo van de nieren te maken. Dit gebeurt op de afdeling radiologie. Hierbij wordt er met een apparaatje, dat niet-hoorbare geluidsgolven uitzendt en ontvangt, over uw huid gewreven. Zo wordt een afbeelding gemaakt van het onderliggende gebied waar in dit geval de nier ligt. Meestal wordt een echo aangevraagd om te bepalen hoe diep een orgaan of tumor onder uw huid ligt. De simulator of lokalisator Als er geen hulpmiddelen of aanvullende onderzoeken nodig zijn, komt u na het eerste bezoek aan de radiotherapeut direct op het aftekenapparaat. Dit apparaat wordt ook wel de lokalisator of simulator genoemd. Het kan precies alle bewegingen van de bestralingsapparatuur nadoen, een lichtbundel op u projecteren, u doorlichten en röntgenfoto's maken. De laborant en de radiotherapeut stellen met behulp van alle over u bekende gegevens de bestralingsvelden in. Zij leggen u uit wat er gaat gebeuren. Daarna wordt, afhankelijk van de plaats die bestraald moet worden, u op uw rug of buik op de tafel gelegd. Deze tafel is hard omdat de manier van liggen van de patiënt exact moet overeenkomen met die op het bestralingstoestel. Het kan zijn dat onder uw benen en hoofd kussentjes worden gelegd om u zo comfortabel mogelijk te laten liggen. Dat wordt gedaan omdat uw houding bij het begin van de echte bestraling elke dag precies hetzelfde moet zijn. Dit wordt reproduceerbaarheid genoemd. Daarom worden alle kussentjes, maar ook alle andere benodigdheden opgeschreven op uw stralenkaart. En ook krijgt u tijdens de simulatie eventuele eerder gemaakte hulpmiddelen voor uw bestraling op of aan. Als u ligt - zo comfortabel als voor de behandeling mogelijk is - wordt met slecht afwasbare inkt een tekening van de stralingsvelden op uw huid gemaakt. De stralingsvelden worden ook op een röntgenfoto vastgelegd. Tijdens de lokalisatie moet u heel stil blijven liggen. De technische termen die u hoort zijn voor u van minder belang. Het belangrijkste op dit moment is om de bestralingsvelden zo goed mogelijk vast te leggen. Ook al is er van u een CT-scan, MRI-scan of PET-scan gemaakt, toch kunt u nog een oproep krijgen om onder de simulator te gaan. Dat gebeurt om het plan dat voor u op de planningsafdeling is gemaakt op technische uitvoerbaarheid te testen en vast te leggen. Planning Combineren van gegevens Alle gegevens die op de simulator zijn vastgelegd en de gegevens van de CT-scan, MRI-scan of PET-scan worden doorgegeven aan de planningsafdeling. Hier staan computers waarin alle mogelijkheden van de verschillende bestralingsapparaten zijn opgeslagen. Uw gegevens worden gecombineerd met de mogelijkheden die de apparatuur heeft om voor u het beste behandelingsplan op te stellen. Dit gebeurt in nauwe samenwerking tussen planningslaborant, radiotherapeut en klinisch fysicus. De laatste is ook verantwoordelijk voor het goed functioneren van alle apparatuur. Meerzijdige bestraling Vaak vinden mensen het gek dat bijvoorbeeld hun long zowel van de vóór- als van de achterkant wordt bestraald. Dat wordt gedaan om de gezonde weefsels zo min mogelijk te belasten. U kunt dit het best vergelijken met belichting voor een televisieopname: soms kan met één spot het beeld goed belicht worden, maar soms moet er vanuit meerdere kanten worden belicht. Er zijn meerdere factoren waarmee men bij de bestraling rekening moet houden. - Het volume van het te bestralen gebied en een zekere marge rond dit gebied. Men houdt daarbij rekening met bewegingen als gevolg van ademhalen, maar ook met een kleine verplaatsing tijdens de bestraling. Tegenwoordig wordt veel onderzoek gedaan om het mogelijk te maken tijdens elke bestraling (van bijvoorbeeld een patiënt met longkanker) de tumor, ondanks de adembewegingen, steeds goed te bestralen en tegelijkertijd het normale weefsel zo weinig mogelijk met stralen te belasten (ook wel 4D-Gated bestraling genoemd). - Uiteraard moet ook rekening gehouden worden met de plaats van het te bestralen gebied ten opzichte van gezonde weefsels en organen. Tijdens het plannen kan besloten worden een deel van het bestralingsveld af te schermen met behulp van blokken waar geen straling doorheen kan. Zo kunnen weefsels of organen worden gespaard. De blokken worden op de röntgenfoto's overgetekend. Die foto's gaan de moulagekamer in, waar de blokken in vloeibaar metaal worden gegoten. Daarna wordt gecontroleerd of de blokken goed zijn gemaakt. Een enkele keer moet u daarvoor terug naar de simulator. Het is nu gebruikelijk "multileaf-collimatoren" (afgekort mlc) in plaats van gegoten blokken te gebruiken. Zo'n collimator zit in het bestralingsapparaat. Het bestaat uit een veertigtal afzonderlijk aan te sturen loodbladen. Hiermee kan een bestralingsveld, dat rechthoekig is, in elke gewenste vorm worden veranderd. Het is nu ook mogelijk binnen een (in principe rechthoekig) bestralingsveld gebieden te kiezen waar bij voorkeur een hogere (de tumor) of een lagere (het normale weefsel) dosis wordt gegeven. We noemen deze methode van bestraling "Intensity Modulated RadioTherapy" of kortweg IMRT. ![]() Met IMRT-techniek kan een hogere tumordosis worden gegeven terwijl het omringende weefsel (o.a. de endeldarm) meer gespaard dan wanneer de drie-velden techniek wordt toegepast. Figuur links: Dosisverdeling van de bestraling van prostaatkanker (aangegeven met de blauwe contour). Het rode gebied geeft het gebied aan dat de hoogste dosis (bv. 70 Gy) krijgt. Bij deze drie-velden techniek (bestraling van drie kanten, aangegeven met de cijfers 1, 2, en 3) krijgt ook een gedeelte van de endeldarm (aangegeven met de groene contour) een dosis van 70 Gy. Het groene gebied krijgt een dosis van maximaal 35 Gy. Figuur rechts: Dosisverdeling van de bestraling van prostaatkanker met de IMRT-techniek. Hier wordt een vijf-velden techniek toegepast (1 t/m 5). De te bestralen prostaat is aangegeven met de lichtblauwe contour. In het rode gebied bedraagt de dosis maximaal 76 Gy, het groene gebied maximaal 35 Gy. De endeldarm krijgt nu een veel lagere dosering dan met de drie-velden-techniek. - Ook het type gezond weefsel is van belang. De gevoeligheid voor bestraling is per weefsel verschillend. De nieren zijn bijvoorbeeld heel erg gevoelig voor bestraling, de huid daarentegen veel minder. - Ten slotte is de diepte van het te bestralen gebied ten opzichte van de huid van belang voor de keuze van de stralingssoort en de energie daarvan. Dosering De uiteindelijke planning voor een bestraling ziet eruit als een dwarsdoorsnede door een lichaam. Daarop is dan de plek aangegeven die bestraald moet worden, de marge rond die plek en de organen die extra gevoelig zijn voor bestraling. De planningscomputer heeft berekend op welke plaats hoeveel straling komt (de dosisverdeling). De punten die een gelijke dosis straling krijgen, zijn met elkaar verbonden. Als de radiotherapeut de dosisverdeling goed vindt, schrijft hij de uiteindelijk totale dosis voor in gray (Gy)-eenheden en in hoeveel porties die moet worden toegediend. Voor een stembandtumor schrijft hij bijvoorbeeld 66 Gy voor: 2 Gy per dag, in totaal 33 keer bestralen, 5 dagen per week. ![]() Dwarsdoorsnede van het lichaam met afgebeeld de prostaat met de niet zichtbare tumor. Om een zo goed mogelijke dosisverdeling in de prostaattumor te verkrijgen, wordt van drie kanten bestraald (nr. 1, 2 en 3). De getallen bij de lijnen geven de dosis in procenten weer (prostaattumor 100, rand prostaat 95, enz.). Bepaling van behandelingsplan U begrijpt dat het maken van een goed individueel afgestemd behandelingsplan moeilijk en tijdrovend is. En dat er dus enige tijd zal zitten tussen het eerste gesprek en het starten van de bestraling. Het uiteindelijke plan met de dosering, de gegevens over uw ziekte, de röntgenfoto's waarop de bestralingsgebieden zijn aangegeven en eventueel de CT-scan worden meestal nog met alle radiotherapeuten van de betreffende afdeling besproken. Vaak zijn daar ook laboranten en een klinisch fysicus bij aanwezig. Soms vindt er nog een aanpassing van het behandelingsplan plaats. Eenmaal goedgekeurd, gaan de gegevens naar het bestralingstoestel en kan uw behandeling beginnen. Bestraling Als u voor de bestraling wordt opgeroepen, mag u gerust iemand meenemen. De laboranten wijzen u een kleedkamer toe. Als u klaar bent, halen ze u op om naar het toestel te gaan. U wordt precies in dezelfde stand op de bestralingstafel gelegd als op de simulator. De lichtbundel die uit het bestralingsapparaat (de versneller) komt, wordt op u geprojecteerd. De laborant kijkt of de geprojecteerde lichtbundel precies past op de tekening op uw huid. De kop van het bestralingsapparaat kan om u heen draaien, zodat u zich tijdens de bestraling niet hoeft om te draaien. Soms zal er een rooster met dikke metalen blokken boven u geplaatst worden. Dit zal echter steeds minder vaak gebeuren omdat steeds meer gebruik gemaakt wordt van "multileaf collimatoren" (MLC). Als u goed ligt en het bestralingsveld is ingesteld, verlaten de laboranten en degene die met u meegekomen is de ruimte en gaat de deur dicht. De laboranten houden u via camera's en microfoons in de gaten, zodat zij direct het apparaat kunnen stoppen en naar u toe kunnen komen als er iets aan de hand is. Zij zullen met u afspreken of ze voor het instellen van een volgend veld naar binnen komen of dat dit instellen automatisch gebeurt. Het is goed om te weten dat de dosis straling door twee afzonderlijke meters in de kop van het apparaat wordt gecontroleerd. Als er dus één stuk zou gaan, slaat het apparaat toch op tijd af. Ook worden alle gegevens die tijdens de bestraling zijn verkregen, opgeslagen en later gecontroleerd. Wat merkt u van de bestraling? Van de straling zelf voelt of ziet u niets. Soms stopt het apparaat even. U hoeft hier niet van te schrikken. De bestraling is te vergelijken met een lamp die u thuis aan doet en vervolgens weer uit doet. Met dit verschil dat deze straling onzichtbaar is. Wel hoort u tijdens de bestraling een brommend geluid. Per bestralingsveld duurt de bestraling een paar minuten. De dosis wordt echter niet in minuten uitgedrukt, onder andere omdat de afgifte van elektriciteit niet helemaal constant is. De dosismeter in de kop van het bestralingsapparaat slaat af als de voor u ingestelde dagdosis bereikt is. Tijdens de bestraling worden ook röntgen- of digitale afbeeldingen van uw ligging op het toestel gemaakt. Soms volgt direct een correctie van uw positie, soms de volgende bestralingskeer. Als de bestraling klaar is, komen de laboranten u vertellen dat u zich weer kunt aankleden. Meestal worden met u afspraken voor de hele week gemaakt. Het kan voorkomen dat u een week een keer minder bestraald wordt omdat er technisch onderhoud plaatsvindt aan het toestel. In uw bestralingsschema wordt daarvoor gecompenseerd. Aan u zal een kaart worden meegegeven waarop staat wanneer u tijdens uw behandeling bij de radiotherapeut op controle moet komen. Controle tijdens de behandeling U mag natuurlijk iemand meenemen naar deze controles. Tijdens zo'n controle zal de radiotherapeut u vragen hoe het met u gaat en zal hij naar het bestraalde gebied kijken. Tijdens de controle kunt u vragen of bijkomende problemen bespreken. Als u last heeft van bijwerkingen kan de specialist u iets voorschrijven. Probeer nooit zonder overleg zelf iets uit. U weet immers niet welke middelen goed samengaan met bestraling en welke niet. Het kan zijn dat de radiotherapeut beslist dat er bijvoorbeeld nog bloed geprikt moet worden. Ook kan hij u naar de diëtiste verwijzen als u bijvoorbeeld door de bestraling moeilijker kunt slikken. Als u tijdens de bestraling klachten heeft, kunt u die ook altijd melden aan de laboranten. Zij zullen dan de radiotherapeut waarschuwen. Hij zal u dan, afhankelijk van de klachten, meteen willen zien of uw afspraak met hem vervroegen. Controle na de bestraling Na de allerlaatste behandeling krijgt u meestal een afspraak voor het poliklinisch spreekuur van uw radiotherapeut mee. Aarzel niet om eerder te bellen als de klachten van de bestraling meer toe- dan afnemen. Natuurlijk kunt u ook nu iemand uit uw naaste omgeving meenemen naar het spreekuur. De radiotherapeut zal u weer vragen hoe het met u is. Vervolgens stelt hij aanvullende vragen over problemen die met uw ziekte kunnen samenhangen en zal hij u onderzoeken. Soms zal er bloed worden geprikt of een röntgenfoto worden gemaakt. U zult de komende tijd om en om op controle moeten komen bij uw verwijzend specialist en uw radiotherapeut. De eerste jaren zult u regelmatig op controle moeten komen, gemiddeld eenmaal in de drie maanden. Daarna zult u nog maar één keer per jaar bij beide specialisten op controle moeten komen. Aarzelt u niet, indien u zich ongerust over iets maakt, dit eerder te melden. |
Gezond eten rond chemotherapie Als je vanwege kanker chemokuren krijgt, heb je vaak weinig tot geen trek in eten en ook je smaak is geregeld heftig aangetast. Daarbij komt meestal ook nog eens een gevoelige mond en keel waardoor eten zelfs pijn kan doen. Diezelfde problemen kun je krijgen als gevolg van bestraling. Toch is het juist van essentieel belang voor het herstel – door goed te eten – je lichaam op gewicht te houden. Dit unieke kookboek – het eerste in z’n soort – helpt bij het gevecht weer beter te worden. Met allerlei praktische tips en inspirerende recepten om toch plezier in eten te houden. Bestraling: wat betekent dat voor mij? Wat is kanker? Hoeveel mensen lijden in Nederland aan hanker? Hoe is kanker te voorkomen? Hoe wordt het in Nederland behandeld? Wat gebeurt er op de afdeling radiotherapie en waarom wordt iets gedaan? Welke manesn komt u op deze afdeling tegen en wat doen zij? Op al deze vragen krijgt u in dit boek antwoord.
Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule. |











