|
|
Oorzaken De oorzaken van de manisch-depressieve stoornis zijn niet bekend. Het is niet te voorspellen of iemand de ziekte zeker wel of zeker niet zal krijgen. Op dit moment nemen we aan dat sommige mensen wel gevoeliger voor de ziekte zijn dan anderen, maar pas onder bepaalde omstandigheden werkelijk de verschijnselen zullen gaan vertonen. Bij deze gevoeligheid spelen erfelijke factoren zeker een rol. Er zijn tal van factoren bekend die depressies of manieën kunnen uitlokken bij mensen die al een bepaalde gevoeligheid hebben.
Figuur 2. Schematische voorstelling gevoeligheidsprincipe
Erfelijkheid De erfelijkheidsleer staat binnen de psychiatrie, en zeker bij het onderzoek naar manisch-depressieve stoornissen, nog altijd in de belangstelling. De hoop dat hiermee binnen enkele jaren de grote doorbraak zou worden bereikt, is echter wat getemperd, doordat het allemaal nog veel ingewikkelder bleek te zijn dan we aanvankelijk dachten. Mendel (1822-1884) was de eerste die systematisch onderzoek verrichtte naar de manier waarop erfelijke eigenschappen van de ene generatie op de volgende generatie worden overgedragen. Hij ontdekte dat er twee erffactoren nodig zijn om een bepaalde eigenschap te bepalen. De erffactor die overheersend (dominant) is, bepaalt het uiteindelijke beeld. Chromosomen Later ontdekte men dat deze erfelijke factoren gelokaliseerd zijn in de chromosomen. Deze bestaan uit een bijna eindeloze dubbele rij van vier verschillende, in alle mogelijke combinaties gerangschikte chemische verbindingen (dna), die uiteindelijk de genetische code en dus ook de erfelijke eigenschappen bepalen. De mens heeft 46 chromosomen: 22 paar identieke en 1 paar dat bij de man uit 2 verschillende chromosomen bestaat en bij de vrouw uit 2 identieke. Dit laatste paar bepaalt dan ook het geslacht (de geslachtschromosomen). Van elk paar chromosomen is één van de twee steeds afkomstig van de vader, de ander van de moeder. De chromosomen worden van de ene generatie cellen op de volgende overgedragen en vormen de blauwdruk van het leven. In iedere cel van een mens zitten dezelfde 46 chromosomen. Via een nog grotendeels onbekend mechanisme komen in verschillende weefsels de eigenschappen van verschillende delen van de erfelijke code al dan niet tot uitdrukking. Onderzoek bij tweelingen Als bij eeneiige tweelingen de één manisch-depressief is, heeft de ander 80 procent kans de ziekte ook te krijgen. Het is opmerkelijk dat dit bij 20 procent van de eeneiige tweelingen dus niet gebeurt. Bovendien kan de ernst van de ziekte bij elk van een eeneiige tweeling onderling behoorlijk verschillen. Dit is nog een extra aanwijzing dat het niet alléén erfelijke factoren zijn die bepalen of iemand een manisch-depressieve stoornis krijgt. Immers, eeneiige tweelingen hebben dezelfde erfelijke code. Als het uitsluitend om een erfelijke kwestie ging, zou bij ziekte van de één, de andere 100 procent kans hebben de ziekte ook te krijgen. Verder zou bij beiden de ernst van de aandoening min of meer gelijk moeten zijn. Koppelingsonderzoek De diverse eigenschappen die op een chromosoom aanwezig zijn, worden niet altijd allemaal tegelijk overgeërfd. Uit proeven met de bananenvlieg bleek dat de kans dat eigenschappen toch aan elkaar gekoppeld blijven, groter is naarmate de eigenschappen op het chromosoom dichter bij elkaar liggen. Uit dit soort waarnemingen ontstond het koppelingsonderzoek, dat het mogelijk maakte op basis van kansberekening een kaart te maken van de ligging van een aantal eigenschappen op de chromosomen. De moderne moleculaire biologie voegde daaraan in de laatste jaren nog een fascinerende mogelijkheid toe. Men kan een stukje dna of genetische code identificeren, het overervingspatroon daarvan volgen en de genetische koppeling met andere factoren bepalen. Kandidaatgenen Het dna in een gen is de blauwdruk voor een eiwit dat betrokken kan zijn bij afwijkingen. Het kan dus ook nuttig zijn de hele gedachtegang om te draaien en te starten vanuit deze stoffen. Hierbij concentreren onderzoekers zich vooral op de genen die de zenuwcelsignaalstoffen programmeren. Zij zijn immers kandidaatgenen. Het zoeken naar het gen of de genen is dan iets minder het zoeken naar een speld in een hooiberg. Erfelijkheid bij manisch-depressieve stoornissen Patiënten zelf zijn zich meer dan wie ook bewust van het belang van erfelijke factoren. Vrijwel iedere patiënt heeft wel een familielid dat ook aan een manisch-depressieve stoornis lijdt. Bij een grote groep manisch-depressieve patiënten op een polikliniek blijkt een belangrijk deel twee of zelfs meer familieleden te hebben die eveneens lijden aan een manisch-depressieve stoornis. Bij eerstegraads verwanten (vader, moeder, zoon, dochter) is de kans dat men de ziekte eveneens heeft of zal krijgen 10 procent, dus tienmaal zo groot als normaal. Bij tweedegraads verwanten zakt dit percentage aanzienlijk, tot 5 procent, en bij verder verwijderde verwantschap tot de normale 1 procent. Jan, 20 (casus) Jan werd op een dag plotseling opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij liep in een grote stad bizar uitgedost over straat, was vrolijk en ontremd, strooide met geld en dacht dat hij belangrijke dingen aan de wereld te melden had. Zijn vriendin, die hem zo niet kende en volkomen ontredderd was door zijn toestand, was zelfs bang voor hem geworden. In de afgelopen twee dagen had hij al hun spaargeld er doorheen gejaagd, dat ze juist zo naarstig gespaard hadden om samen een huis te kunnen kopen. Jan was altijd gezond geweest, afgezien van een wat sombere periode ongeveer een jaar geleden, waarbij hij tot zijn schrik had bemerkt dat hij tijdelijk zelfs zelfmoord - gedachten had. Een oom van vaderskant had een manisch-depressieve stoornis gehad. De vader van zijn vader was om onduidelijke redenen in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen geweest en daar verdronken in de vijver (mogelijk suïcide). Jan wilde van een opname niets weten. Hij voelde zich immers prima; wat moest hij in een inrichting? Daar kon hij immers niet verder gaan met zijn lezingen en voordrachten. Naarmate er voorzichtig op werd aangedrongen dat hij zich zou laten opnemen, werd Jan ook prikkelbaarder en verbaal agressief. Zijn vriendin vluchtte naar haar ouders en nam iedere dag contact op met de behandelend arts, met de ietwat verwijtende vraag of Jan nu nog niet kon worden opgenomen. Hij gedroeg zich onmogelijk en hij wilde geen enkele hulp accepteren. Jan was inmiddels al twee keer voor een IBS (inbewaringstelling) beoordeeld, maar telkens kon deze door het RIAGG niet worden afgegeven, omdat de door de wet vereiste criteria ontbraken. Ondanks deze situatie bleef Jan om onduidelijke redenen wel naar de polikliniek komen. Op zekere dag lukte het daar wel om Jan over te halen zich te laten behandelen. Hij stelde daarbij wel als voorwaarde dat dit zonder opname zou gebeuren. In de polikliniek is Jan, en later ook zijn vriendin, uitvoerig geïnformeerd over de (beperkte) poliklinische mogelijkheden. Beiden wilden toch dat het poliklinisch zou worden geprobeerd. Jan accepteerde de noodzakelijke medicatie (een antipsychoticum en lithium) en werd in de loop van enkele weken een ander mens. Hoewel men dat niet had verwacht, kon dus een opname worden voorkomen. Met Jan gaat het alweer 8 jaar goed. Overigens gaat een dergelijk beleid ook geregeld mis en is dan de oorzaak van veel extra verdriet. Jolanda, 37 (casus) Jolanda was een erkend manisch-depressieve patiënte. Er was noch bij de behandelaars, noch bij patiënte zelf enige twijfel aan de diagnose. De behandeling verliep uitstekend. De patiënte gebruikte lithium, wat een volledig effect had. Helaas had ze wel wat last van het beven van haar handen en een ernstige dorst. Dit was de reden waarom ooit carbamazepine was geprobeerd. Hierna volgde echter een recidief, daarom was de carbamazepine weer snel vervangen door lithium. Tijdens een gesprek met haar kwam een nicht ter sprake, die ze kortgeleden bezocht had en over wie ze zich zorgen maakte. Zij zat namelijk al weer vele maanden apathisch en zonder aanwijsbare reden thuis. De nicht werd (na overleg met haar huisarts) uitgenodigd en bleek ernstig vitaal depressief. Zij was tuinarchitecte, maar haar laatste opdracht dateerde van vijf jaar geleden. Overigens bleek zij ook een manisch beeld in de voorgeschiedenis te hebben. Eerst werd een antidepressief geneesmiddel geprobeerd, waarop zij helaas hypomanisch werd. Daarom werd ze daarna op lithium ingesteld. Vanaf die tijd gaat het goed met haar. Erfelijkheidsonderzoek biedt nog geen zekerheid De kennis van erfelijkheid en de aanwijzingen betreffende erfelijke factoren bij de manisch-depressieve stoornis is dus nog niet zo groot dat op grond daarvan voor één individueel geval altijd een exacte voorspelling is te doen. Onze mogelijkheden zijn dus beperkt om in een individueel geval een goed genetisch advies te geven. Dat neemt niet weg dat het altijd verstandig is om met dit soort vragen te rade te gaan bij deskundigen. De verschillende afdelingen voor klinische genetica van academische ziekenhuizen kunnen hier helpen. Zij beschikken over de meest actuele informatie. Advies bij zwangerschap Het geven van een advies ten aanzien van een eventuele zwangerschap is niet eenvoudig. Hierbij gaat het immers behalve om de mate van erfelijkheid, ook over hoeveel belang de patiënt daaraan wil hechten. De vraag is dus niet alleen of we deze factoren moeten laten meewegen, maar vooral de mate waarin. De ziekte is tegenwoordig goed te behandelen. De meeste manisch-depressieve patiënten leiden nu, mits ze trouw hun medicijnen innemen, een normaal bestaan. Veel paren zullen daarom een aanleg voor deze aandoening niet zo zwaar laten meewegen. Als stemmingsstoornissen in de familie voorkomen, zullen ze extra op hun hoede zijn. De familie zal wellicht sneller hulp inroepen en door een vroegtijdige diagnose en behandeling kan psychosociale schade worden voorkomen. Bovendien blijkt dat de meeste mensen met mds goed reageren op lithium, als dat bij hun zieke familieleden ook het geval is. Dus zelfs bij de keuze van het geneesmiddel kan de erfelijkheidsleer ons helpen. Hersenen Vaak vergelijken we de hersenen, en dus ook het deel dat de stemming regelt, met een grote computer waarin grote hoeveelheden informatie worden verwerkt. Enorme hoeveelheden zenuwcellen hebben inderdaad ontelbare verbindingen met elkaar, goed voor een onvoorstelbaar aantal mogelijkheden. In tegenstelling tot computers, wordt een signaal indirect via chemische stoffen (neurotransmitters) van de ene zenuwcel op de andere zenuwcel overgebracht. Informatieoverdracht door neurotransmitters In het ene zenuwceluiteinde bevinden zich kleine blaasjes, met daarin een kleine hoeveelheid neurotransmitter. Wanneer er een impuls door de zenuwcel loopt en het zenuwceluiteinde bereikt, springen die blaasjes open en komen de neurotransmitters via de wand van het zenuwuiteinde in de spleet tussen twee zenuwcellen (synaptische spleet) terecht. Op het oppervlak van de andere zenuwcel bevinden zich de receptoren (ontvangers). Die geven een stroomstootje af, zodra ze met een bij hen passende neurotransmitter in aanraking komen. Daarna kan het signaal zijn weg vervolgen. Wanneer het signaal is doorgegeven, wordt de gebruikte neurotransmitterstof meteen weer snel afgebroken. De afbraakproducten worden gebruikt om nieuwe neurotransmitterstoffen te maken. Neurotransmitters zijn van groot belang voor de werking van de hersenen. Ze hebben ook op alle mogelijke manieren effecten op de werking van de rest van het lichaam, zowel direct via zenuwen, als indirect via signaalstoffen (hormonen). Ook de stemmingsregeling komt tot stand door een complex samenspel van zenuwactiviteit. Het enorme netwerk van zenuwcellen moet heel precies zijn afgesteld en in staat zijn tijdig te dempen of te stimuleren. Vroeger dacht men dat als het brein eenmaal was aangelegd dit niet meer kon veranderen. We denken nu dat de hersenen wel degelijk in staat zijn zich aan te passen en te ontwikkelen. Het doormaken van verscheidene depressies of manieën zou dan de toestand van de hersenen nadelig beïnvloeden. Het gebruik van medicijnen zou het netwerk weer stabieler kunnen maken.
Figuur 3. Prikkeloverdracht van de ene zenuw op een andere
in de synaps.
A: Als de elektrische impuls (2) in het zenuwuiteinde (3) aankomt, komt de neurotransmitter vrij. B: De neurotransmitter reageert met de receptoren (6) in de ontvangende zenuw (7). 1. Zenuwuitloper 2. Elektrische impuls 3. Uiteinde aanvoerende zenuw 4. Blaasje met neurotransmitter 5. Synaptische spleet 6. Receptoren 7. Ontvangende zenuw Bioritmiek In ons lichaam gebruiken de spieren en alle organen, dus ook de hersenen, energie. Je gebruikt niet continu evenveel energie, ’s nachts heb je bijvoorbeeld niet zoveel nodig. En net zoals je de thermostaat van de centrale verwarming voor het slapengaan lager zet, zo zorgt ons lichaam ervoor dat verschillende processen (bio)ritmisch meer of minder actief zijn, al naar gelang de behoefte van het moment. Ook het lichaam ‘kijkt’ daarvoor naar de klok, alleen is die klok in dit geval de ‘grote biologische regelklok’ die dag en nacht heet, en waaraan al het leven op aarde gebonden is. Ons organisme is geleidelijk gewend geraakt aan dit ritme, en dit verklaart bijvoorbeeld dat we ook zonder wekker toch vaak precies op tijd wakker worden. Wij hebben dus een inwendige klok die bioritmische processen in ons lichaam stuurt. Deze biologische klok, waarvan we zelfs de plaats in de hersenen weten, kan vooral bij stemmingsstoornissen volkomen ontregeld raken. Ontregeling van het bioritme Bij depressies betekent ontregeling van het bioritme dat processen die voorheen keurig op elkaar waren afgesteld, plotseling niet goed meer verlopen. Hierdoor raakt bijvoorbeeld het dag- en nachtritme verstoord. Patiënten zijn slaperig en gedrukt op momenten dat ze anders wakker zijn. Wanneer ze zouden moeten slapen, kunnen ze de slaap niet vatten, en als ze al slapen, slapen ze licht. Ook zijn ze vaak veel vroeger wakker dan ze gewend waren, en kunnen dan niet meer in slaap komen. Dit zijn voorbeelden van ten opzichte van elkaar niet goed afgestelde ritmen (waak/slaap versus dag/nacht). Een ander voorbeeld dat een ritmische component suggereert, is het fenomeen van de dagschommeling. Patiënten zijn ’s ochtends het meest uitgesproken depressief (ze zien telkens weer tegen de nieuwe dag op), maar naarmate de dag vordert, trekt de stemming toch geleidelijk iets bij. De theorie van de ontregelde biologische klok vormt een verklaring voor het effect van de slaapdeprivatie op een depressie. In het kort komt slaapdeprivatie erop neer dat men de patiënt een (groot deel van de) nacht wakker houdt. Op die manier probeert men het ten opzichte van elkaar uit de pas lopende slaap-waakritme en dag-nachtritme kunstmatig te verschuiven. Dit heeft zeer vaak een gunstig antidepressief effect, al is dat helaas vaak van korte duur. Bioritme en manieën Bij de manische episoden is de ontregeling van de biologische klok op het eerste gezicht minder goed vast te stellen. Die is er echter wel degelijk en is mede van belang voor het al dan niet doorzetten van de manie. Ernstige slaapstoornissen, of liever gezegd, het voortdurende gevoel geen slaap nodig te hebben, zijn de grote stuwende motor achter een aanstormende manie. Daarom is het dus van zeer groot belang om het slaappatroon (al dan niet kunstmatig) snel weer normaal te krijgen. Verder is het ook van groot belang een strikt dag- en nachtritme te handhaven, wat bijvoorbeeld ook bij een opname wordt nagestreefd. Seizoensafhankelijkheid van stemmingsstoornissen De theorie van de biologische klok is ook de basis van de verklaring van de seizoensafhankelijkheid van stemmingsstoornissen. Stoornissen in de stemming blijken zich duidelijk vaker voor te doen tijdens het voorjaar en het najaar dan in de rest van het jaar. Op basis van de bioritmiek zijn de grootste problemen immers te verwachten, wanneer de veranderingen van licht naar donker het snelst plaatsvinden, dus in het voor- en najaar. Een vergelijkbare grafiek is te maken voor het gebruik van antidepressiva, het aantal ziekenhuisopnamen in verband met stemmingsstoornissen en het aantal geslaagde zelfmoorden per maand. Ten slotte is ook de zogeheten lichttherapie ontwikkeld op basis van de bioritmiek. Een van de belangrijkste aansturende hormonen bij de functie van de biologische klok is melatonine. Deze stof staat in de belangstelling bij het onderzoek naar het ontstaan van bijvoorbeeld jetlag of stemmingsstoornissen. In sommige gevallen lijkt melatonine ook als medicijn gebruikt te kunnen worden om het ritme te herstellen.
Figuur 4. Voorkomen van stemmingsstoornissen (zowel depressies als manieën) in de loop van het jaar. |
Als je geest een vuurpijl is Een helder en informatief boek over wat er precies wordt verstaan onder een manisch-depressieve stoornis, wat de verschijnselen zijn, de behandelmogelijkheden en de gevolgen voor de patiënt en zijn omgeving.
Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule. |








