|
|
Verschijnselen en voorkomen Zoals reeds gezegd, zijn de symptomen bij verschillende patiënten bijna nooit gelijk. Het is juist opvallend dat er tussen de patiënten zoveel verschillen bestaan, zowel wat betreft de manische als de depressieve episoden, terwijl bij één en dezelfde patiënt de episoden zo op elkaar lijken. Zowel een manie als een depressie kan worden gezien als een compositie van verschillende verschijnselen. De stijl van het uiteindelijke ‘schilderij’ hoort bij de ‘schilder’ (de patiënt) en komt bij ieder nieuw schilderij weer als zodanig terug. Familieleden zien vaak al in een zeer vroeg stadium dat het met de patiënt weer fout gaat, omdat deze nagenoeg precies die verschijnselen laat zien die bij een vorige episode ook al narigheid aankondigden. Binnen de manie en depressie treffen we natuurlijk ook nog gradaties aan. De manie kan zeer ernstig zijn, waarbij veel schade wordt berokkend en waarbij uiteindelijk een opname in een psychiatrisch ziekenhuis onvermijdelijk is. Vaak komt echter ook een zogenaamde hypomanie voor. Dit is een toestand waarbij de patiënt duidelijk drukker en onrustiger is dan in zijn gewone doen, maar er is niet duidelijk sprake van verminderd functioneren waarvoor bijvoorbeeld opname nodig is. Hetzelfde geldt voor de depressie. Deze kan zeer ernstige vormen aannemen met bijvoorbeeld gevaar voor ondervoeding of zelfmoord, maar ook beduidend mildere beelden komen veel voor. Met dit in het achterhoofd, geven we toch een beschrijving van ‘het palet’ van verschijnselen zoals dat kan voorkomen bij de duidelijke en ernstigere manische en de depressieve episoden. Ziekteverschijnselen bij manie Tijdens een manie zijn er bij de patiënt zeer duidelijk zichtbare verschijnselen merkbaar. De patiënt is opgewonden, vrolijk, maar ook wisselend en labiel, snel geïrriteerd en prikkelbaar. Hij is snel boos, veeleisend en houdt geen rekening meer met de normale gedragsregels. Hij is vrij in de mond en lichamelijk onrustig, met veel en soms overdreven gebaren. Hij is nogal eens opvallend gekleed. Meestal beseft de patiënt op dat moment niet dat hij ziek is: integendeel, hij voelt zich meestal juist prima! Hij heeft een overdreven gevoel van eigenwaarde, vaak met grootheidsgedachten: hij is beroemd en heeft bijvoorbeeld grote uitvindingen op zijn naam staan. Het lukt hem vaak niet meer zijn zaakjes netjes te ordenen en hij verkeert dan ook voortdurend in chaos. Hij gaat dan ook maar door, geeft onverstandig geld uit en is roekeloos in het verkeer. Hij is zeer spraakzaam, spreekt luid, en rijmt en grapt er vaak op los; hij breit allerlei woorden en gedachten aan elkaar en springt van de hak op de tak. Uiteindelijk is er geen touw meer aan vast te knopen. Er bestaat een sterk verhoogde activiteit, die gepaard gaat met een verminderde slaapbehoefte. Slapen wordt beschouwd als een nutteloze verspilling van tijd; de patiënt slaapt nagenoeg niet en heeft het gevoel dat ook niet nodig te hebben. Hij gaat maar door met een tomeloze energie. Ook in seksueel opzicht is hij ontremd; hij neigt ertoe zijn gunsten te verlenen aan ongeacht wie. Ziekteverschijnselen bij depressie Tijdens een depressieve episode is de patiënt zichtbaar somber, huilt soms, maar kan ook zo somber zijn dat hij zelfs dat niet meer kan. Soms is hij ernstig geremd en vertraagd in zijn motoriek, maar hij kan ook zeer onrustig en angstig zijn, en maakt dan vaak een reddeloze en radeloze indruk. Hij heeft fletse ogen, een sloffende tred en een doffe stem. Hij voelt zich somber, soms zelfs zo somber dat het pijn doet. Vaak is de somberheid ’s ochtends het diepst. In de loop van de dag gaat het dan vaak wat beter (dagschommeling). Er is een onvermogen emoties te beleven of te voelen. Soms voelt men niets meer voor partner, kinderen of kleinkinderen. Alles gaat emotieloos aan de depressieve patiënt voorbij. Hij maakt zichzelf vaak onredelijke verwijten en heeft ernstige schuldgevoelens die vaak geen grond hebben. Hij voelt zich waardeloos en heeft gedachten over de dood, soms in de vorm van gedachten aan zelfmoord of zelfs concrete zelfmoordplannen, waartegen hij zich moet verzetten. De patiënt slaapt vaak slecht in, slaapt opvallend licht en onrustig, en is vaak veel vroeger wakker dan anders. Hij valt in korte tijd af, heeft geen eetlust en moet zich dwingen iets te eten. Hij eet alleen omdat het moet, zonder iets te proeven. De depressieve patiënt heeft nergens zin in en de geringste activiteit is voor hem een niet te overziene onderneming. De meest elementaire handelingen worden slechts met de grootste moeite verricht. Hij kan zich zeer moeilijk concentreren. Seksuele gevoelens zijn vaak verdwenen en contacten met de buitenwereld nemen sterk af, soms zelfs zo sterk dat men bekenden gaat ontlopen. Piet, 30 (casus) Piet was vrij plotseling ziek van zijn werk weggebleven. In de jaren dat men hem kende was hij eigenlijk nooit ziek geweest, afgezien van een paar dagen per jaar griep. Hij werkte altijd als een paard, was aanspreekbaar en behulpzaam voor iedereen en bij eenieder zeer geliefd. De mensen die hem beter kenden wisten van hem dat hij een aantal maanden ‘overspannen’ opgenomen was geweest op een PAAZ toen hij 25 jaar oud was. Men noemde zijn toestand toen manisch. Nu viel het zijn collega’s alweer een aantal maanden op dat Piet zich minder goed kon concentreren en ook dat zijn bekende mopjes achterwege bleven. Piet was geleidelijk ook somber geworden, zo somber dat het hem zelfs pijn deed. Aanvankelijk had hij er vooral ’s ochtends last van en verbeterde zijn stemming in de loop van de dag langzaam (dagschommelingen), maar later bleven deze dagelijkse oplevingen weg. Hij sliep zeer slecht en zijn eetlust was geheel verdwenen. Zelfs tot de kleinste activiteit moest hij zich dwingen en hij voelde zich meer dood dan levend. Hij dacht vaak aan de dood en hij overwoog regelmatig om maar een eind aan zijn leven te maken. Tegen dit soort gedachten moest hij zich voortdurend verzetten. De collega’s op het werk besloten om dagelijks contact met Piet te onderhouden, om hem te steunen, maar toch ook uit een soort onbewuste bezorgdheid. Piet weigerde (uit angst voor opname?) contact met een arts op te nemen. Op een dag reageerde Piet niet op het dagelijkse telefoontje. Op zijn adres bleef de deur dicht. Bezorgd belden de collega’s het alarmnummer en wat later werd Piet diepbewusteloos gevonden en naar het ziekenhuis gebracht. Nadat hij een aantal dagen later was bijgekomen, werd hij overgebracht naar de psychiatrische afdeling. Hij kreeg daar eerst een antidepressivum, wat later in combinatie met lithium. In de loop van enkele maanden knapte hij op. Piet is nu al weer jaren in een stabiele toestand. Hij is nooit vergeten dat zijn collega’s zijn leven hebben gered. Ziekteverschijnselen bij een gemengde episode Soms hebben patiënten tegelijkertijd verschijnselen van een manie en een depressie. Dit noemen we dan een gemengde episode. Hoewel dit in strikte zin (een patiënt die aan alle criteria voor een depressie en aan alle criteria voor een manie voldoet) weinig voorkomt, komt het wel vaak voor dat tijdens een depressie ook enkele manische verschijnselen zich voordoen, bijvoorbeeld onrustige gedachten en veel bewegen. Ook andersom komt het geregeld voor dat tijdens een manie enkele depressieve verschijnselen optreden, zoals gevoelens van onvrede en teleurstelling. Psychose Wanneer de depressie of manie zeer ernstige vormen aanneemt, kan uiteindelijk de realiteit geheel uit het oog worden verloren. Er kan dan sprake zijn van een psychose. Bij een manisch-depressieve stoornis blijft de inhoud van de gedachten vaak wel passen bij de stemming. Dat wil zeggen dat bij een psychotische depressie men de irreële overtuiging kan hebben ten onder te gaan of bijvoorbeeld financieel aan de grond te zitten. In een manie met psychotische kenmerken kan de patiënt bijvoorbeeld aan het waandenkbeeld lijden dat hij een bijzondere relatie met een beroemde persoonlijkheid of met God heeft, of dat hij steenrijk is en dus ook veel geld kan uitgeven. Klaas, 40 (casus) Klaas was volledig anders dan men van hem gewend was toen hij werd opgenomen. Zijn vrouw kende hem niet meer terug; hij was altijd een sterke persoonlijkheid geweest en een toeverlaat voor mensen met problemen. Hij zat in allerlei commissies, van een aantal was hij zelfs voorzitter. Nu jammerde hij voortdurend, gaf uiting aan zijn wanhoop, en klampte iedereen aan met de mededeling dat hij een ernstige ziekte, waarschijnlijk kanker, onder de leden had. Volgens zijn echtgenote was hij nooit zo geweest. Desgevraagd bleek hij wel ooit een tijdlang wat overdreven vrolijk geweest te zijn, maar omdat hij toen juist zoveel presteerde, zowel thuis (verbouwing) als op het werk (promotie en overwerk) zat niemand daar echt mee en viel het toen niet echt op als afwijkend gedrag. Nu was de toestand zo verslechterd dat Klaas werd opgenomen. Hij werd eerst met gesprekstherapie behandeld, helaas zonder resultaat. Van het antidepressief medicijn dat hij daarna kreeg werd hij manisch. Uiteindelijk kreeg hij lithium en nu is hij al weer 7 jaar stabiel, afgezien van een korte licht depressieve periode, waarvoor hij een antidepressief medicijn kreeg. Tussen de episoden door Tussen de episoden door is men meestal volkomen normaal. Er zijn dan geen manische of depressieve verschijnselen meer aanwezig. Overigens is men wel vaak bezig met het ‘puinruimen’ van eerdere episoden. Ook spelen er nog vaak allerlei psychosociale problemen. Steeds meer wordt duidelijk dat ook bij manisch-depressieve patiënten tussen de episoden door toch sprake kan zijn van zogenaamde cognitieve symptomen. Zo kan de concentratie net iets minder zijn dan men gewend is en heeft men net iets minder aandacht of motivatie om activiteiten te ondernemen. Niet altijd kan duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen cognitieve symptomen die passen bij de manisch-depressieve stoornis en bijwerkingen van medicijnen. Begin Alhoewel er nogal wat variatie bestaat, is de manisch-depressieve stoornis toch vooral een aandoening die begint op de jongvolwassen leeftijd, in het overgrote deel van de gevallen tussen de 20 en 30 jaar. Een begin op oudere leeftijd is relatief zeldzaam. In zo’n geval is er vaker sprake van een lichamelijke ziekte als oorzaak en ontbreekt vaak een duidelijk erfelijk patroon. Beloop Veel gebruikt wordt het onderscheid tussen zogenaamd type I en type II bipolaire stoornis. Een beloop dat gekenmerkt wordt door uitgesproken, ‘klassieke’ manieën, doorgaans naast depressieve episoden, wordt dan type I genoemd. Als behalve depressieve perioden vooral hypomanische perioden voorkomen, die bijvoorbeeld niet gepaard gaan met een opname in een psychiatrisch ziekenhuis, spreken we van type II. Dit onderscheid is slechts beperkt relevant. Het kan bijvoorbeeld leiden tot een keuze voor iets andere medicijnen, maar grofweg is de behandeling van beide typen hetzelfde. Een volledig spontaan beloop komt nog slechts zelden voor, omdat de meeste patiënten op een bepaald moment toch behandeld moeten worden. Zonder behandeling, zo weten we uit de periode van vóór de ontdekking van de huidige medicijnen, komt het bijna nooit voor dat de ontregelingen achterwege blijven en de ziekte dus als het ware geneest. Dat betekent dat, als men eenmaal een aantal episoden heeft doorgemaakt, de kans klein is dat het daarbij blijft. Meestal volgen er (zonder behandeling) dan nog meer episoden. Hieruit blijkt duidelijk dat het zeer verstandig is om, wanneer de diagnose manisch-depressieve stoornis eenmaal is gesteld, zich blijvend te laten begeleiden door een psychiater, bij voorkeur in samenwerking met een gespecialiseerde psychiatrisch verpleegkundige. Als een dreigende episode snel wordt behandeld, kan verdere verslechtering vaak worden voorkomen. De manisch-depressieve stoornis komt veel voor Stemmingsstoornissen zijn echte volksziekten. De kans om ergens in het leven de diagnose manisch-depressief te krijgen is 1 à 2%. Uit een groot Nederlands onderzoek kwam een getal van 1,9% naar voren. Dat betekent dat zeker 300.000 mensen in Nederland in één of andere mate aan deze stoornis lijden. Het geven van precieze cijfers is echter moeilijk, omdat bij het vaststellen van dit soort getallen allerlei fouten mogelijk zijn. Alle getallen moeten dus met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, maar ze geven wel een zekere indruk. Belangrijk probleem bij dit soort onderzoeken is het gebruik van verschillende definities. Het spreekt voor zich dat als de criteria voor de diagnose manisch-depressief ruimer worden genomen, de percentages hoger zullen uitvallen. Beperkt men zich tot alleen de zeer uitgesproken manisch-depressieve ziektebeelden dan zal dat minder vaak voorkomen. Cijfers voor mannen en vrouwen verschillen In hun totaliteit komen stemmingsstoornissen onmiskenbaar meer voor bij vrouwen dan bij mannen. Meestal komt het erop neer dat het aantal vrouwen dat aan een stemmingsstoornis lijdt, ongeveer het dubbele is van het aantal mannen. Bij manisch-depressieve patiënten lijkt dit verschil veel minder uitgesproken. Hoe duidelijker manisch-depressief, hoe sterker het aantal van de mannen dat van de vrouwen benadert. Gelet op de omvang van het probleem, behoren stemmingsstoornissen tot de belangrijkste volksziekten. Afgezien van al het leed dat ze veroorzaken, kosten ze de samenleving een nauwelijks te becijferen geldbedrag door onder meer ziekteverzuim en ziekenhuisopnamen. Verder wordt aangenomen dat een (meestal onbehandelde) stemmingsziekte ten grondslag ligt aan een groot aantal zelfdodingen. Stemmingsziekten zijn dus ook, weliswaar indirect, levensbedreigende ziekten. Vroeger, toen er nog geen effectieve medicijnen bestonden, kwam het bovendien regelmatig voor dat mensen overleden aan totale verzwakking als gevolg van een depressie, of aan totale uitputting als gevolg van een manie. |
Als je geest een vuurpijl is Een helder en informatief boek over wat er precies wordt verstaan onder een manisch-depressieve stoornis, wat de verschijnselen zijn, de behandelmogelijkheden en de gevolgen voor de patiënt en zijn omgeving.
Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule. |








