In samenwerking met :  



 Inloggen
> registreren
lettergrootte: A  A  A
De oorzaken van Osteoporose

Osteoporose is niet één ziekte met één bepaalde oorzaak. Er bestaan verschillende soorten osteoporose en een groot aantal oorzaken.
Eén van de oorzaken van botverlies is het ouder worden. Tussen het 30ste en 40ste jaar begint bij iedereen de hoeveelheid botweefsel héél langzaam af te nemen. Als we maar oud genoeg worden, krijgen we in meerdere of mindere mate osteoporose.
Hoe snel de afname van de hoeveelheid botmineraal verloopt en hoe ernstig die uiteindelijk zal zijn, hangt van een groot aantal factoren af. Er is een aantal leefgewoonten die de afname van de hoeveelheid botmineraal kunnen versnellen. Ook bepaalde ziekten en sommige medicijnen kunnen het ontstaan van osteoporose versnellen.
De belangrijkste bijdrage aan het ontstaan van osteoporose bij vrouwen is echter het wegvallen van de vorming van vrouwelijke hormonen in de overgang. Bij vrouwen zijn deze hormonen van groot belang voor het instandhouden van een goede conditie van het bot.

Verschillende oorzaken
De verschillende oorzaken voor osteoporose worden ingedeeld in twee hoofdgroepen: primaire en secundaire osteoporose. Het onderscheid tussen primair en secundair wordt gemaakt om aan te geven of de oorzaak van de osteoporose ergens binnen in het bot is gelegen (primair) of dat de oorzaak ergens anders in het lichaam of buiten het lichaam ligt (secundair). De verschillende oorzaken komen nog nader ter sprake. Daarnaast bestaan er nog bepaalde factoren (zoals erfelijkheid, verkeerde leef- en voedingsgewoonten, andere ziekten en het gebruik van sommige medicijnen), die osteoporose kunnen verergeren of het risico op het ontstaan ervan doen toenemen.

Primaire osteoporose
De belangrijkste en meest voorkomende oorzaak van primaire osteoporose bij de vrouw is de overgang. Door de afgenomen productie van oestrogene hormonen tijdens en na de overgang treedt er een versnelde botafbraak op, die niet meer door aanmaak van nieuw bot kan worden ingehaald. Men noemt dit type primaire osteoporose ook wel: osteoporose type I.
Een tweede veelvoorkomende oorzaak van primaire osteoporose is de normale veroudering van het lichaam. Ook hierbij treedt er, zij het in véél mindere mate, botverlies op: osteoporose type II.
Daarnaast bestaan er nog enkele zeldzame botziekten, die al op jeugdige leeftijd tot primaire osteoporose leiden, zoals juveniele osteoporose (osteoporose op jonge leeftijd).

Secundaire osteoporose
Secundaire osteoporose is een gevolg van andere, buiten het bot gelegen oorzaken. Het gaat hier onder meer om aandoeningen van organen die betrokken zijn bij de regulatie van de botstofwisseling, zoals de schildklier en de bijschildklieren, de nieren, de maag en de darmen. Ook sommige medicijnen kunnen invloed uitoefenen op het ontstaan van osteoporose.

Risicofactoren
Er zijn factoren waardoor osteoporose sneller verloopt, zoals bepaalde leef- en voedingsgewoonten, het lichaamsgewicht, erfelijkheid, het gebruik van bepaalde medicijnen en de aanwezigheid van bepaalde ziekten. Alle risicofactoren voor het krijgen van osteoporose komen later in dit hoofdstuk uitgebreid aan de orde.
Er is veel onderzoek verricht naar de oorzaken van osteoporose en naar de risicofactoren, om te proberen een inzicht te krijgen in de groepen mannen en vrouwen die een verhoogd risico op osteoporose hebben. Door na te gaan welke risicofactoren bij iemand aanwezig zijn, zou dan een 'risicoprofiel' kunnen ontstaan. Zo zou aan te geven zijn wie een verhoogd risico op het krijgen van osteoporose heeft en wie een preventieve behandeling tegen osteoporose nodig heeft.
De ervaring heeft echter geleerd dat met het opstellen van een individueel risicoprofiel slechts een deel van de mensen dat osteoporose blijkt te krijgen is op te sporen. Een groot aantal mensen dat later osteoporose zal ontwikkelen, wordt via het opstellen van een risicoprofiel niet ontdekt, aangezien zij geen herkenbare risicofactoren lijken te hebben. Alleen een meting van de hoeveelheid botmineraal kan voorspellen of iemand een verhoogd risico heeft op het krijgen van osteoporose. De hiervoor benodigde moderne apparatuur is tegenwoordig in de meeste ziekenhuizen aanwezig.

Osteoporose type I
Tijdens en na de overgang zal er als gevolg van het definitief stoppen van de vorming van oestrogene hormonen in de eierstokken een versterkte afbraak van botmineraal optreden. Oestrogenen hebben namelijk een remmende invloed op de botafbraak. Wanneer die remmende invloed wegvalt, wordt er zoveel botmineraal afgebroken, dat er onvoldoende nieuw botmineraal aangemaakt kan worden om de versterkte afbraak te compenseren. Zo verliest elke vrouw binnen 5 jaar gemiddeld 16 procent van de hoeveelheid botmineraal uit haar lendenwervels. Bijna de helft van het totale botverlies bij de vrouw na de overgang treedt in deze korte periode op. Ook hierna gaat de afbraak verder, zij het dan in een lager tempo van ongeveer 2 tot 3 procent per jaar. Dit is overigens nog steeds hoger dan vóór de overgang.
Sommige vrouwen lopen nog een extra risico, omdat het verlies aan botmineraal onder bepaalde omstandigheden nog groter is. Die omstandigheden of 'risicofactoren' zijn onder meer een tekort aan calcium in de voeding, een te laag lichaamsgewicht, te weinig lichaamsbeweging, te veel vlees eten, te weinig in de zon komen en te veel roken. Het is dus duidelijk dat een gezonde leefwijze niet alleen goed is voor hart- en bloedvaten, maar ook gunstig is voor de botten. Dat geldt uiteraard ook voor mannen.

Osteoporose type II
Vanaf ongeveer het 30ste levensjaar gaat er langzaam een toenemend verschil ontstaan tussen de hoeveelheid bot die dagelijks wordt afgebroken en de hoeveelheid die dagelijks weer wordt aangemaakt. Dit is een onderdeel van het normale verouderingsproces, dat zowel bij mannen als bij vrouwen optreedt. Het verlies aan botmassa is erg klein en bedraagt slechts 3 tot 5 procent per 10 jaar. Dat is ongeveer 8 keer zo weinig als de hoeveelheid botverlies bij vrouwen in de overgang.

Juveniele osteoporose
In zeldzame gevallen treedt er op jonge leeftijd om onverklaarbare redenen een dermate sterke afbraak van botmineraal op, dat er al vóór het 20ste jaar sprake is van osteoporose. Er zijn echter ook enkele zeldzaam voorkomende ziekten bekend die op jonge leeftijd osteoporose veroorzaken. Voorbeelden hiervan zijn het syndroom van Turner (bij meisjes), het syndroom van Klinefelter (bij jongens) en het syndroom van Prader-Willi. Hierbij gaat het om aangeboren afwijkingen, waarbij de eierstokken of zaadballen zich onvoldoende ontwikkeld hebben. Daardoor is de vorming van de geslachtshormonen gestoord en komt de puberteitsontwikkeling (zoals baardgroei bij jongens en groei van de borsten bij meisjes) niet of minder goed op gang. Bovendien leidt het tekort aan geslachtshormonen tot een vergroot risico op een vroegtijdig optreden van osteoporose.

Hyperthyreoïdie
Het schildklierhormoon (thyroxine) heeft een stimulerende invloed op de vervanging van oud bot door nieuw bot. Het stimuleert namelijk vooral de activiteit van de botafbrekende cellen, de osteoclasten.
Bij hyperthyreoïdie, een ziekte waarbij de schildklier te veel schildklierhormoon produceert, leidt dit tot een verstoring van het evenwicht in botafbraak en botopbouw. Er wordt zoveel bot afgebroken, dat dit niet meer geheel door nieuw bot vervangen kan worden. Zonder behandeling leidt een te sterk werkende schildklier uiteindelijk tot osteoporose.
Een te sterk werkende schildklier veroorzaakt in de regel verschillende, duidelijke klachten, zoals gewichtsverlies ondanks grote eetlust, frequente stoelgang, snelle hartslag met hartkloppingen, nervositeit, overmatige activiteit, verminderde slaapbehoefte en een vochtige huid.
Of de schildklier al dan niet te veel hormonen maakt, is op eenvoudige wijze door middel van een bloedonderzoek vast te stellen. Er kunnen dan medicijnen worden voorgeschreven die de schildklierwerking afremmen. Daarmee kunnen de klachten en de overmatige botafbraak goed worden behandeld.

Hyperparathyreoïdie
Osteoporose kan ook worden veroorzaakt door een ziekte van de bijschildklieren, waarbij in één of meer van de bijschildklieren te veel hormoon (PTH) gemaakt wordt. De ziekte komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen en openbaart zich zelden voor het 50ste levensjaar.
Een teveel aan bijschildklierhormoon leidt ertoe dat er voortdurend calcium aan het bot wordt onttrokken. De grote hoeveelheid calcium die hierdoor aan het bloed wordt afgegeven zal uiteindelijk via de nieren in de urine terechtkomen. Daardoor gaat er via de nieren ook veel vocht verloren, zodat men vaak en veel moet plassen en de hele dag dorst heeft.
Omdat de nieren niet in staat zijn het teveel aan calcium snel in voldoende mate in de urine uit te scheiden, ontstaat er een te hoog calciumgehalte in het bloed. Dit kan veel klachten veroorzaken, variërend van misselijkheid, gebrek aan eetlust en problemen met de stoelgang (obstipatie) tot een maagzweer of een ontsteking van de alvleesklier. Ook kan een teveel aan calcium in het bloed leiden tot psychische klachten, zoals problemen met de concentratie, vermoeidheid, angsten, depressies en verwardheid.
Bij mensen met een te sterk werkende bijschildklier wordt vooral schorsbot verloren. In ernstige gevallen kunnen ook holtes (cysten) in het bot ontstaan als gevolg van plaatselijke activiteit van de osteoclasten (botafbrekende cellen). Dit heet een osteoclastoom. Dit leidt bij mensen met hyperparathyreoïdie tot een vergroot risico op het breken van een arm of een been. Daarom is het belangrijk dat er bij hen regelmatig onderzoek van de botten plaatsvindt.
De ziekte is meestal gemakkelijk vast te stellen. Bij een te hoog calciumgehalte in het bloed moet aan een ziekte van de bijschildklier worden gedacht. Door de hoeveelheid bijschildklierhormoon (PTH) in het bloed te meten, kan men het bestaan van een te sterk werkende bijschildklier vaststellen of uitsluiten.
Een te sterk werkende bijschildklier is niet met medicijnen te behandelen. Meestal is het nodig om het orgaan operatief te verwijderen.

Ziekte en syndroom van Cushing
De ziekte en het syndroom van Cushing zijn twee aandoeningen waarbij er te veel bijnierschorshormonen gemaakt worden. Bij het syndroom van Cushing wordt dit veroorzaakt door een hormoonvormend tumortje in de bijnierschors. Bij de ziekte van Cushing is er sprake van een tumortje in het hersenaanhangsel (hypofyse) dat een teveel aan stimuleringshormonen afscheidt. Daardoor worden er in de bijnierschors te veel hormonen gemaakt. De ziekteverschijnselen zijn bij beide aandoeningen dezelfde.
De bijnieren zijn twee kleine organen die zich links en rechts achter in de buik bevinden en die aan de bovenkant van de nieren vast zitten. In de bijnieren worden hormonen gemaakt. De buitenkant (schors) van de bijnieren maakt een aantal verschillende hormonen, waaronder cortisol. Dit is een voor de stofwisseling uiterst belangrijk hormoon. Bij de ziekte en het syndroom van Cushing worden er in de schors van één of van beide bijnieren een overmatig grote hoeveelheid cortisol gemaakt. Dit leidt op diverse plaatsen in het lichaam tot veranderingen, zoals een toename van het lichaamsgewicht, het ontstaan van striae ('zwangerschapsstriemen'), een rood gelaat, een stijging van de bloeddruk, een versterkte haargroei over het hele lichaam en het gemakkelijk ontstaan van blauwe plekken op de huid.
Een teveel aan cortisol in het lichaam leidt op den duur tot osteoporose. Hoe dit precies gebeurt is nog niet geheel bekend. Men neemt aan dat te veel cortisol de opname van calcium in de darmen afremt. Het gevolg hiervan is dat het calciumgehalte van het bloed alleen op peil kan worden gehouden door calcium aan de botten te onttrekken, waardoor osteoporose ontstaat. De rugpijn, die bij veel mensen met de ziekte en het syndroom van Cushing optreedt, heeft dan ook te maken met de osteoporose, die inzakkingen van één of meer rugwervels veroorzaakt.
De ziekte en het syndroom van Cushing kunnen door middel van bloedonderzoek worden vastgesteld. Omdat de overmatige hormoonvorming niet goed met medicijnen valt af te remmen, zal de behandeling meestal uit een operatie bestaan.

Behandeling met bijnierschorshormonen (corticosteroïden)
Bijnierschorshormonen, zoals prednison, worden allereerst voorgeschreven aan mensen bij wie de bijnier te weinig hormonen maakt. Hierbij wordt het 'natuurlijke' cortisol gebruikt. Daarnaast worden bijnierschorshormonen gebruikt bij de behandeling van sommige andere ziekten, zoals astma en reuma. Omdat cortisol hierbij echter te zwak werkzaam is, heeft men andere stoffen ontwikkeld met een sterkere, op die van cortisol gelijkende, werking. De bekendste van deze 'synthetische' bijnierschorshormonen is prednison. Daarnaast worden ook prednisolon, betamethason, dexamethason en cortison gebruikt.
Synthetische bijnierschorshormonen zijn bij de behandeling van sommige ernstige ziekten onmisbaar en vaak levensreddend. Dat ze bij langdurig gebruik osteoporose kunnen veroorzaken, is dan ondergeschikt aan de ernst van de ziekte waartegen de bijnierschorshormonen worden voorgeschreven. Gelukkig kan men vaak volstaan met een kortdurende kuur van enkele weken en dan zijn de bijwerkingen te verwaarlozen. Maar bij maanden- tot jarenlang gebruik van bijnierschorshormonen als medicijn kunnen wel bijwerkingen ontstaan. Dat geldt niet alleen voor gebruik in tabletvorm (bij prednison meer dan 5 mg per dag), maar ook bij gebruik van hoge doses van een inhalatiepreparaat (zoals onder meer bij ernstige vormen van astma). Dan kunnen dezelfde schadelijke effecten in het bot optreden als bij de ziekte en het syndroom van Cushing.

Invaliditeit en langdurige bedrust
Ziekten waarbij iemand langdurige bedrust moet houden, vormen een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de botten. Na enkele weken volledige bedrust stagneert de aanmaak van nieuw botmineraal zozeer, dat na een halfjaar volledige bedrust reeds 30 procent van de botmassa in de wervels is verloren gegaan.

Risicofactoren
Niet alle oorzaken die voor het ontstaan van osteoporose bekend zijn, zullen bij iedereen tot dezelfde mate van osteoporose leiden. Zo zal niet iedereen die nooit melkproducten gebruikt, een ernstige mate van osteoporose krijgen. Ook zal de overgang niet bij elke vrouw tot ernstige osteoporose leiden. Dat dezelfde oorzaak niet bij iedereen tot dezelfde mate van botontkalking leidt, vindt zijn oorzaak in een aantal factoren. Erfelijkheid speelt hierbij een zeer belangrijke rol. Voorts zal het verschil uitmaken hoeveel kalk iemand in zijn botten heeft, vóórdat het proces van botontkalking begint.

Verschil tussen mannen en vrouwen
Osteoporose komt bij vrouwen driemaal zo vaak voor als bij mannen. Dat komt doordat bij vrouwen de conditie van de botten in belangrijke mate bijvoorbeeld beïnvloed wordt door vrouwelijke (oestrogene) hormonen. Zodra tijdens en na de overgang de vorming van oestrogene hormonen in de eierstokken grotendeels ophoudt, treedt er in de botten een versnelde afbraak van botmineraal op. Bij de man is er echter geen bepaalde leeftijdsfase, zoals de overgang bij de vrouw, waarin de productie van de geslachtshormonen in korte tijd tot bijna nul wordt gereduceerd. Wel is er naarmate de man ouder wordt sprake van een zeer langzame daling.

Erfelijkheid
Erfelijke factoren blijken een rol te spelen bij het al dan niet ontstaan van osteoporose. Wanneer één van beide ouders osteoporose heeft, is het risico groter dat men het zelf ook zal krijgen. Dat geldt ook wanneer een zusje of een broer osteoporose heeft.
Als één of meerdere familieleden in de eerste lijn ernstige osteoporose hebben (of hadden), is dat een goede reden om door middel van een speciaal onderzoek precies vast te laten stellen hoe de conditie van het eigen bot op dit moment is. Aan de hand van de meting kan men ook een vrij nauwkeurige schatting maken van het risico dat iemand loopt om later osteoporose te krijgen.

Te laag lichaamsgewicht (bij vrouwen)
Het lichaamsgewicht heeft bij vrouwen een grote invloed op het al dan niet ontstaan van osteoporose. Bij slanke vrouwen blijkt het risico op osteoporose beduidend groter te zijn dan bij vrouwen met een te hoog lichaamsgewicht. Dit heeft te maken met het feit dat er na de overgang in het vetweefsel kleine hoeveelheden oestrogene hormonen worden gevormd.
Als na de overgang de vorming van oestrogene hormonen in de eierstokken is gestopt, worden er nog wel kleine hoeveelheden mannelijke hormonen (androsteendion en testosteron) gemaakt. Deze mannelijke hormonen kunnen door bepaalde enzymen (eiwitten) in het vetweefsel worden omgezet in oestrogene hormonen. De hoeveelheid oestrogene hormonen die er op die manier dagelijks gemaakt wordt, hangt af van de hoeveelheid vetweefsel die een vrouw heeft. Dat betekent dat een vrouw met veel vetweefsel vaak zoveel oestrogene hormonen kan vormen, dat dit haar in redelijke mate beschermt tegen osteoporose. Slanke vrouwen in de overgang kunnen daarentegen een veel kleinere hoeveelheid mannelijk hormoon omzetten in oestrogeen. Dit verklaart ook waarom slanke vrouwen vaker last hebben van overgangsklachten zoals opvliegers en bij een val meer risico op een botbreuk lopen dan vrouwen die te zwaar zijn.

Vroeger overgang
De gemiddelde leeftijd waarop de laatste menstruatie plaatsvindt is 51 jaar. Als de laatste menstruatie al vóór het 45ste jaar heeft plaatsgevonden, spreekt men van een 'te vroeg' intreden van de overgang. Aangezien de eierstokken hierbij ook eerder dan normaal met de vorming van oestrogenen (vrouwelijke hormonen) stoppen, begint de versnelde botafbraak ook al op jongere leeftijd. De kans om uiteindelijk osteoporose te krijgen wordt dus ook groter. Dit geldt niet alleen voor vrouwen bij wie de overgang spontaan te vroeg begint. Vrouwen die door operatieve verwijdering van de beide eierstokken vervroegd in de overgang komen, lopen ook meer kans later osteoporose te krijgen.

Lage piekbotmassa
Het spreekt voor zich dat de hoogte van de piekbotmassa mede bepaalt of en in welke mate later osteoporose zal optreden. Hoe meer botmineraal iemand omstreeks zijn of haar 30ste jaar bezit, hoe meer hij later weer kan verliezen voordat het bot zover is verzwakt dat er problemen door kunnen ontstaan.
Een hoge piekbotmassa betekent daarom een kleiner risico op het krijgen van osteoporose. Een lage piekbotmassa daarentegen vormt een duidelijke risicofactor voor het krijgen van osteoporose.
Oorzaken voor een lage piekbotmassa zijn onder meer het in de kinderjaren niet drinken van melk (bijvoorbeeld vanwege allergie voor koemelk), gebrek aan lichaamsbeweging tijdens de jeugd en ondervoeding tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Langdurig uitblijven van de menstruatie
Voor het opbouwen van een hoge piekbotmassa zijn bij vrouwen de vrouwelijke hormonen (oestrogenen) onmisbaar. Dat betekent dat wanneer de eierstokken vóór het 30ste jaar gedurende lange tijd onvoldoende oestrogenen maken, de opbouw van het bot niet optimaal kan verlopen. Dit kan zich voordoen wanneer de eirijping lange tijd stagneert en dus de menstruatie langdurig wegblijft. Dit kan het geval zijn bij vrouwen die erg intensief aan sport doen (bijvoorbeeld langeafstandlopen of atletiek) of die een erg streng dieet volgen (zoals balletdanseressen). Zij bouwen tot hun 30ste jaar minder botmineraal op en hebben een lagere piekbotmassa dan hun leeftijdsgenoten met een normaal gewicht en een normale menstruatiecyclus. Marathonloopsters en balletdanseressen bij wie de menstruatie wegblijft, wordt aangeraden om de anticonceptiepil te slikken omdat het oestrogeen in de pil het botverlies afremt.
In tegenstelling tot wat lang werd aangenomen, blijkt ook het langdurig gebruik van de prikpil (waarbij de menstruatie wegblijft) wél een nadelige invloed op de botten te hebben. Reeds na een jaar gebruik kan een (geringe) afname van de hoeveelheid botmineraal worden waargenomen. De prikpil is daarom géén goede keus in het geval er reeds andere osteoporose bevorderende factoren aanwezig zijn (zoals bijvoorbeeld een te laag lichaamsgewicht).

Anorexia nervosa
Een apart te noemen oorzaak voor een sterke afname van de botopbouw vormt anorexia nervosa. Dit is een eetstoornis, waarbij het lichaam zo weinig voedingsstoffen binnenkrijgt, dat het lichaamsgewicht extreem laag kan worden en de menstruatie jarenlang kan uitblijven. Hierbij is er dus zowel sprake van een tekort aan calcium en andere elementaire voedingsstoffen, als van een tekort aan oestrogene hormonen wanneer de menstruatiecyclus wegblijft. De schade die de botten hiervan ondervinden is zeer groot. Daarom wordt ook in dit geval aangeraden om, wanneer de menstruaties wegblijven, een lage dosis anticonceptiepil te slikken omdat het oestrogeen in de pil het botverlies afremt.

'Botonvriendelijke' eet- en leefgewoonten
Een gezonde manier van leven heeft altijd een gunstige invloed op de gezondheid, ook op de botten. Gezonde voeding en leefwijze beschermen dus ook tegen osteoporose.

Te weinig melkproducten
Melk is de belangrijkste calciumbron. Mensen die geen of weinig melk of andere melkproducten gebruiken, krijgen onvoldoende calcium binnen. Er zit in de andere voedingsmiddelen ook wat calcium, maar te weinig om het calcium uit de melkproducten te vervangen. Mensen die geen melkproducten gebruiken, kunnen dus het beste een calciumpreparaat gaan gebruiken. Sojamelk kan (koe)melk op dit punt niet vervangen, omdat het vijf keer zo weinig calcium bevat.

Te veel vlees (eiwitten)
Te veel vlees is slecht voor de botten, omdat te veel eiwit de uitscheiding van calcium door de nieren bevordert. Het is niet precies aan te geven welke hoeveelheid vlees nog veilig is, omdat dat mede afhangt van de hoeveelheid melkproducten die wordt gebruikt. Wie veel melk drinkt mag meer vlees eten (kan zich een groter calciumverlies via de nieren veroorloven) dan iemand die geen melkproducten gebruikt. Maar in het algemeen kan 60 gram vlees per dag als veilige grens gelden.

Te veel koffie en cafeïnehoudende dranken
Koffie en andere dranken die cafeïne bevatten (zoals cola) stimuleren eveneens de uitscheiding van calcium in de urine. Eén kopje koffie veroorzaakt een verlies van 5 mg calcium. Dat betekent niet dat men geen koffie meer mag gebruiken, maar bij dreigende osteoporose is het beter om niet meer dan acht koppen per dag te drinken.

Te veel zemelen
De laatste jaren staan de voedingsvezels erg in de belangstelling. Ze zijn erg populair bij de natuurlijke behandeling van te trage stoelgang en blijken daarbij goede resultaten op te leveren. Voedingsvezels zijn de niet-verteerbare bestanddelen in onze voeding. Ze zitten veel in fruit en in bladgroenten ('rauwkost'). Ook de vliesjes rond het graan ('zemelen') bevatten veel voedingsvezels.
Voedingsvezels trekken vocht aan en zorgen er zo voor dat de darmspieren gestimuleerd worden en de ontlasting niet te droog wordt. Helaas kleeft aan het gebruik van te veel zemelen toch ook een bezwaar. Zemelen bevatten fytaat. Daardoor trekken zemelen niet alleen water aan, maar binden ze ook calcium aan zich. Het calcium komt daarbij zo vast te zitten, dat het niet meer in het bloed kan worden opgenomen. Dit nadeel geldt vooral voor de tarwezemelen, omdat die het rijkst aan fytaat zijn.
Mensen die vanwege de stoelgang zemelen moeten gebruiken en een verhoogd risico op osteoporose hebben, kunnen daarom het best met hun huisarts overleggen of het voor hen niet beter is om over te stappen op speciale fytaatvrije zemelen (zoals Fiberform).

Roken
Roken blijkt een slechte invloed op de botstofwisseling te hebben, omdat dit de activiteit van de osteoblasten (botopbouwende cellen) remt. Dit geldt vooral voor vrouwen, omdat bij vrouwen die roken de overgang op een jongere leeftijd begint. Door te stoppen met roken neemt het risico op een gebroken heup met 25 procent af!

Alcohol
Alcohol belemmert de opname van calcium door de darmwand. Het regelmatig drinken van alcohol tijdens de maaltijd is om die reden dus af te raden. Dat betekent overigens niet dat men bij de maaltijd nooit eens een glas wijn mag drinken. De calciumstofwisseling wordt pas schade toegebracht, wanneer er sprake is van het regelmatig tijdens de maaltijd gebruiken van alcoholische dranken.
Bij overmatig alcoholgebruik (alcoholisme) speelt bovendien nog een ander probleem mee. Alcohol remt namelijk de activiteit van de osteoblasten (botopbouwende cellen). Daarnaast is de interesse in goed en gevarieerd eten bij alcoholisten in de regel geheel verdwenen. Het lichaam krijgt dan niet alleen te weinig calcium binnen, maar er dreigen ook tekorten aan allerlei vitaminen te ontstaan.

Vitamine D-tekort
Tekorten aan vitamine D komen in ons land de laatste jaren weer steeds vaker voor. Bij kinderen is het de oorzaak van de botziekte rachitis, waarbij er een verkromming van de botten ontstaat. Bij ouderen kan het aanleiding geven tot het ontstaan van osteoporose.
Een tekort aan vitamine D leidt tot een slechte opname van calcium uit het voedsel. Hierdoor dreigt er in het bloed een tekort aan calcium te ontstaan. De bijschildklieren trachten dit te voorkomen door meer bijschildklierhormoon (PTH) te produceren. PTH zorgt ervoor dat er calcium vanuit de botten naar het bloed toe gaat. Op deze manier kan het calciumgehalte in het bloed nog geruime tijd op peil gehouden worden.
Bij langdurig bestaande of ernstige tekorten aan vitamine D kan het calciumgehalte van het bloed uiteindelijk veel te laag worden. Dit kan leiden tot spierzwakte en spierkrampen.

Dubbele verzwakking van de botten
Gebrek aan vitamine D leidt op twee manieren tot verzwakking van de botten. Allereerst is er sprake van een versterkte botafbraak, waardoor er osteoporose ontstaat. Daarnaast wordt er te weinig calcium uit het voedsel opgenomen, zodat er bij de vervanging van 'versleten' botdelen onvoldoende calcium beschikbaar is. De door de osteoclasten verwijderde stukjes bot worden wel vervangen door nieuwe botbalkjes, maar er wordt daarna te weinig calcium in afgezet. Zo ontstaan er hier en daar in het bot plaatsen met bot dat te weinig calcium bevat en dus te zwak is. Dit noemt men osteomalacie, letterlijk: weekheid van het bot.

Oorzaken vitamine D-tekort
Vitamine D is aanwezig in de voeding (vette vissoorten, boter, margarine, lever en eieren) en kan in de huid gemaakt worden onder invloed van de ultraviolette UV-stralen in het zonlicht. Tekorten komen vaak voor bij mensen die een strikt vegetarisch dieet volgen (bijv. veganisten) en bij in Nederland wonende mensen met een donkere huidskleur.
Ook bij bejaarden komen tekorten aan vitamine D vrij vaak voor. Twee van de drie bejaarden die een heup breken, blijken een tekort aan vitamine D te hebben. Zelfs bij 16 procent van de 'gezonde' bejaarden wordt een tekort aan vitamine D in het bloed gevonden. Voor een deel komt dat doordat de voeding van bejaarden vaak te weinig vitamine D bevat. De belangrijkste oorzaak voor het vitamine D-tekort bij bejaarden is echter, dat zij vaak steeds minder buiten in de zon komen. Vooral mensen in bejaardenhuizen waar allerlei voorzieningen, zoals winkels, bankfiliaal en postkantoor onder hetzelfde dak zijn, lopen het risico osteoporose te krijgen wanneer zij tenminste niet zorgen voor een dagelijkse hoeveelheid noodzakelijke zonnestralen.

Vitamine D-tekort door andere ziekten
Er bestaan enkele ziekten, die leiden tot een tekort aan vitamine D. Zo kan de opname van vitamine D vanuit het voedsel verstoord zijn. Dit komt voor bij mensen bij wie de voedselvertering in de darmen niet goed verloopt en die daardoor aan een chronische diarree lijden. Ook na de operatieve verwijdering van de maag kan de opname van vitamine D verstoord raken. Ten slotte kan langdurig gebruik van laxeermiddelen die paraffine bevatten tot een tekort leiden, doordat vitamine D door de paraffine wordt aangetrokken en dus niet meer in het bloed kan worden opgenomen.
Minder vaak voorkomende oorzaken van vitamine D-gebrek zijn langdurig gebruik van bepaalde medicijnen tegen epilepsie (vallende ziekte) en ernstige nierfunctiestoornissen.

Te weinig lichaamsbeweging
Mensen die te weinig lichaamsbeweging hebben, krijgen eerder osteoporose dan mensen die dagelijks hun lichaam op een gezonde manier belasten. Actieve lichaamsbeweging is nodig om de bij de botaanmaak betrokken cellen te stimuleren. Alleen dan kan de hoeveelheid 'versleten' botmassa die dagelijks wordt afgebroken, door nieuw bot worden vervangen. Zonder actieve lichaamsbeweging, bijvoorbeeld bij volledige bedrust, neemt de hoeveelheid botmassa snel af.
De beste manier van actief bewegen is sporten. Ook de dagelijkse activiteiten in de huishouding, bij de verzorging van kinderen en bij een niet-zittend beroep, zijn belangrijk voor de activering van de botopbouw.
Mensen met een zittend beroep die ook in hun vrije tijd onvoldoende lichaamsbeweging hebben, behoren daardoor tot de risicogroep voor het krijgen van osteoporose.

Suikerziekte (diabetes)
Bij suikerziekte is er sprake van een ziekte van de alvleesklier, waarbij deze niet genoeg insuline maakt. Insuline is een hormoon dat ervoor zorgt dat het suikergehalte van het bloed normaal blijft. Bij een tekort aan insuline stijgt de hoeveelheid suiker (glucose) in het bloed na de maaltijd tot te hoge waarden. Daardoor ontstaan onder meer klachten over veel dorst en veel plassen.
De behandeling van suikerziekte gebeurt vooral door middel van een aangepast dieet. Zo nodig worden ook tabletten of insuline-injecties gegeven. Het is erg belangrijk om ervoor te zorgen dat het suikergehalte in het bloed niet te hoog wordt, omdat er anders schade kan ontstaan aan hart, bloedvaten, ogen en zenuwen. Ook het ontstaan van osteoporose zou door een slecht gereguleerde suikerziekte in de hand worden gewerkt.

Nierziekten
Bij sommige nieraandoeningen wordt met de urine te veel calcium uitgescheiden. Daardoor zit er in de urine veel meer calcium dan normaal het geval is, waardoor nierstenen kunnen ontstaan. Om het aanzienlijke calciumverlies goed te maken is de dagelijkse behoefte aan calcium sterk vergroot. Gewoonlijk bevat de voeding hiervoor niet genoeg calcium, zodat er calcium uit de botten gehaald moet worden om het calciumgehalte in het bloed op peil te houden. Zonder behandeling zal dit tot osteoporose leiden.
Er zijn ook nierziekten, waarbij de opneming van calcium in de darmen niet goed verloopt, omdat de nier niet meer in staat is om voldoende vitamine D om te zetten in de actieve vorm: calcitriol, dat nodig is om de opname van calcium in de darmen te stimuleren.

Maag- en darmaandoeningen
Bij sommige darmziekten is de opname van calcium uit het voedsel in meerdere of mindere mate verstoord. Ook de opname van andere bouwstoffen, zoals eiwitten, kan verminderd zijn.
Dat geldt vooral voor darmaandoeningen die met langdurige diarree of stoornissen in de vertering van het voedsel (malabsorptie) gepaard gaan. Daardoor kunnen langer bestaande darmstoornissen bijdragen tot het ontstaan van osteoporose.
Maagziekten op zich veroorzaken geen osteoporose. Maar indien er een maagoperatie heeft plaatsgevonden waarbij het grootste deel van de maag is weggenomen (maagresectie), is de kans op osteoporose wel toegenomen, omdat hierna de opname van vitamine D verstoord kan raken.

Risicovergrotende medicijnen
Er bestaat een beperkt aantal medicijnen dat het risico op het ontstaan van osteoporose kan vergroten. De belangrijkste hiervan zijn de medicijnen die bijnierschorshormonen bevatten (zoals prednison).
Minder bekend is dat ook sommige middelen tegen brandend maagzuur (maagzuurbindende middelen) het ontstaan van osteoporose kunnen bevorderen. De middelen die aluminiumhydroxide bevatten, kunnen calcium uit de voeding vasthouden, zodat het niet in het bloed kan worden opgenomen.
Eveneens minder bekend is dat fenytoïne - een tegen epilepsie voorgeschreven middel - het ontstaan van osteoporose kan bevorderen. Fenytoïne heeft als bijwerking dat het op den duur een tekort aan vitamine D veroorzaakt, hetgeen tot osteoporose kan leiden. Wanneer iemand reeds osteoporose heeft, kan dit een reden zijn om over te stappen op een geneesmiddel dat daar geen invloed op heeft.




terug verder




Broze botten

Over osteoporose of botontkalking heersen nog altijd veel misvattingen. Veel mensen denken dat het zwakker worden van de botten een normaal ouderdomsverschijnsel is. Wie wel weet dat het om een ziekte gaat, denkt dat er vaak niets aan te doen valt. Ook denken veel mensen ten onrechte dat deze ziekte alleen bij vrouwen voorkomt. Broze botten wil al deze misverstanden uit de wereld helpen.

Auteur(s) : Drs. W.J. Braam, Prof. dr. J.C. Netelenbos
Prijs : € 17,95
ISBN : 9789066118447

Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule.
Gezond eten in de overgang

Marilyn Glenville legt uit hoe voeding als een natuurlijk alternatief voor hormoonvervangende therapie kan werken, en zo de problemen die gepaard gaan met de overgang kunnen verminderen.

Auteur(s) : Marilyn Glenville en Lewis Esson
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789066119550