In samenwerking met :  



 Inloggen
> registreren
lettergrootte: A  A  A
Het stellen van de diagnose

Bij veel ziekten is vrij eenvoudig vast te stellen om welke ziekte het gaat. Aan de hand van de klachten van de patiënt kan de arts een diagnose stellen. Er is dan geen nader onderzoek nodig. Soms wordt nog wel eens 'voor de zekerheid' een röntgenfoto gemaakt of een bloedonderzoek verricht. Die extra onderzoeken zijn alleen nodig om eventuele andere ziekten uit te sluiten.
Bij het stellen van de diagnose osteoporose ligt dat anders. Het is vaak niet gemakkelijk om vast te stellen of iemand wel of geen osteoporose heeft. Dat heeft verschillende oorzaken.
In de eerste plaats zijn er tijdens het ontstaan van osteoporose geen directe klachten. Osteoporose openbaart zich meestal pas wanneer het zover gevorderd is, dat er een breuk ontstaat in een ruggenwervel of in een arm of een been. En zelfs het inzakken van een ruggenwervel kan zonder duidelijke pijnklachten verlopen.
In de tweede plaats is osteoporose met de gebruikelijke onderzoekmethodes, zoals röntgenfoto's, pas vast te stellen wanneer de ziekte reeds vergevorderd is. Een beginnend stadium met nog maar een gering verlies aan botmineraal (osteopenie) is alleen met speciale onderzoektechnieken aan te tonen. Er moet in een bot ten minste 30 procent van het botmineraal zijn verdwenen, voordat er op een gewone röntgenfoto een verschil met 'gezond' bot is te zien.
In de derde plaats vertonen het bloed en de urine van mensen met osteoporose geen afwijkingen. De hoeveelheid calcium in het bloed is bij de meeste gevallen van osteoporose juist normaal. Ook andere onderzoekingen, die bij andere botziekten vaak afwijkende uitslagen laten zien, leveren bij osteoporose gewoonlijk geen bijzonderheden op.

Lichamelijk onderzoek
Wanneer de huisarts het gebruikelijke algemeen lichamelijk onderzoek verricht, kan de aanwezigheid van osteoporose niet worden vastgesteld of uitgesloten. Wel kan de huisarts door het onderzoek aanwijzingen krijgen dat er waarschijnlijk sprake is van osteoporose. Zo kunnen de afgenomen lichaamslengte of het krommer worden van de rug of de aanwezigheid van een uitpuilende huidplooi aan de zijkant van de buik wijzen op een inzakking van een of meerdere rugwervels door osteoporose.
Bij het lichamelijk onderzoek bij ouderen is het dus belangrijk om de lichaamslengte te meten. Deze kan dan vergeleken worden met een vroeger gemeten lengte om te zien of het lichaam korter is geworden. En verder kan het opmeten van de lichaamslengte als uitgangspunt dienen voor latere metingen.
De lichaamslengte kan ook vergeleken worden met de spanwijdte. Dat is de afstand tussen de vingertoppen van de linker- en de rechterhand wanneer men beide armen spreidt. Normaal is de lichaamslengte ongeveer gelijk aan de spanwijdte. Wanneer er als gevolg van osteoporose rugwervels inzakken neemt de lichaamslengte af, terwijl de spanwijdte gelijk blijft.

Bloedonderzoek
Bij mensen waarbij osteoporose is geconstateerd, wordt in de regel een bloedonderzoek aangevraagd. Daarmee kan worden vastgesteld of er sprake is van een ziekte die het ontstaan van de osteoporose in de hand heeft gewerkt (secundaire vormen van osteoporose). Bij dit onderzoek wordt gemeten hoeveel calcium en alkalische fosfatase het bloed bevat. Ook bij het gebruik van sommige medicijnen is het nodig om af en toe het bloed te controleren.
Osteoporose zelf leidt echter niet tot afwijkingen van het bloed. In de meeste gevallen zijn er bij osteoporose zelfs helemaal geen duidelijke veranderingen in het bloed aantoonbaar. Met een bloedonderzoek is dus niet vast te stellen of iemand nu wel of juist geen osteoporose heeft. Daarvoor zijn röntgenfoto's of moderner onderzoek (DPA en DEXA) van het bot nodig.

Calcium
Het ligt voor de hand om te denken dat het calciumgehalte in het bloed bij osteoporose te laag zal zijn. Een tekort aan calcium is immers een van de oorzaken van osteoporose, en bij de behandeling van osteoporose wordt meestal calcium voorgeschreven. Toch is deze gedachte niet juist. Bij osteoporose is het calciumgehalte van het bloed meestal geheel normaal. Het wordt juist ten koste van de botten op peil gehouden omdat het voor de werking van de spieren en vooral het hart zo belangrijk is. Het calciumgehalte van het bloed kan bij sommige vormen van osteoporose als gevolg van de toegenomen afbraak van botmineraal zelfs verhoogd zijn.

Alkalische Fosfatase (AF)
Een bloedonderzoek dat vaak wordt verricht is het meten van de hoeveelheid Alkalische Fosfatase (AF). Dit is een enzym (eiwit) dat in de lever en in het botmineraal wordt gemaakt. Wanneer de hoeveelheid AF in het bloed hoog normaal of aan de hoge kant is, zou dit kunnen betekenen, dat er in het bot een verhoogde activiteit van botcellen (osteoblasten) is. Dit kan wijzen op versterkte botaanmaak. Maar de hoeveelheid AF kan ook onder andere omstandigheden aan de hoge kant zijn, bijvoorbeeld bij leveraandoeningen, ziekten van schildklier en bijschildklier en bij sommige botziekten.

Osteocalcine-meting
Een weinig gebruikt onderzoek is de bepaling van de hoeveelheid osteocalcine in het bloed. Dit is een stof die in de osteoblasten (de botcellen die nieuw bot aanmaken) wordt gemaakt. De hoeveelheid osteocalcine in het bloed houdt verband met de botaanmaak. Bij osteoporose die wordt veroorzaakt door onvoldoende botaanmaak, is het osteocalcinegehalte in het bloed verlaagd. Bij osteoporose ten gevolge van de overgang (osteoporose type I) is de hoeveelheid osteocalcine in het bloed meestal normaal. Tijdens de overgang is de botaanmaak in de regel normaal, maar wordt de osteoporose veroorzaakt door een versnelde afbraak van botmassa. Deze is tijdens de eerste drie jaren na de laatste menstruatie het grootst.

Onderzoek van de urine
Urineonderzoek kan bij osteoporose belangrijke informatie opleveren wanneer er nieuwe medicijnen tegen osteoporose worden uitgetest. Maar ook om vast te stellen van welke vorm van osteoporose sprake is, wordt de urine onderzocht. Er wordt dan vooral naar twee bestanddelen van de urine gekeken: calcium en hydroxyproline.

Hydroxyproline
Hydroxyproline is een aminozuur (eiwit) dat zich in het botmineraal bevindt. Het komt vrij wanneer er botmineraal wordt afgebroken. Via de nieren wordt het met de urine uitgescheiden. De hoeveelheid hydroxyproline in de urine is dus een maat voor de hoeveelheid bot die per dag wordt afgebroken. Een verhoogd gehalte in de urine betekent dat er overmatig veel bot wordt afgebroken.
Door de hoeveelheid hydroxyproline in de urine te meten kan ook worden beoordeeld of een behandeling wel of geen resultaat heeft. Als het goed is daalt tijdens de behandeling de hoeveelheid hydroxyproline die met de urine wordt uitgescheiden.

Calcium-uitscheiding via de urine
In de urine kan ook de hoeveelheid calcium worden gemeten die via de nieren wordt uitgescheiden. Bij sommige vormen van osteoporose is de hoeveelheid calcium in de urine verhoogd. Wanneer dit het geval is, kan uit het urineonderzoek blijken of de behandeling die is voorgeschreven resultaat heeft. In dat geval zal de hoeveelheid calcium in de urine dalen.

Röntgenfoto's
Bij het vaststellen van een botziekte is het bekijken van een röntgenfoto van het zieke bot onmisbaar. Scheuren, breuken, holten en tumorvorming in het bot zijn op een gewone röntgenfoto zeer duidelijk zichtbaar. Ook de vorm van het bot is goed te zien. Dat komt doordat het calcium in de botten röntgenstralen tegenhoudt. Zachte weefsels zonder calcium, zoals spieren, laten juist alle röntgenstralen door. Botmineraal - op de foto wit gekleurd - laat zich daardoor goed onderscheiden van andere weefselsoorten, die nauwelijks of geen calcium bevatten en op de foto zwart gekleurd zijn.
Bovendien is botmineraal dat een optimale hoeveelheid botmassa bevat op een foto ook veel witter gekleurd, dan een bot dat al veel botmineraal is kwijtgeraakt.

Gering botverlies is niet zichtbaar
Op een gewone röntgenfoto is er geen verschil te zien tussen normaal bot en bot dat al 10 procent of 20 procent botmineraal verloren heeft. Een bot dat slechts 'licht ontkalkt' is, ziet er op een gewone röntgenfoto net zo wit uit als een normaal gezond bot. Pas wanneer een bot 30 procent tot 50 procent botmineraal heeft verloren, ziet het er op een foto wat minder intensief wit uit en ziet men op de röntgenfoto van een rugwervel een verticale streping als teken van botverlies. Daarom is een gewone röntgenfoto niet geschikt om te bepalen of er sprake is van lichte tot matige osteoporose. Er zal een speciaal op osteoporose gericht röntgenonderzoek verricht worden. Zo'n onderzoek wordt alleen aangevraagd, wanneer de arts aan de mogelijkheid van het bestaan van osteoporose denkt.

Vaak bij toeval gevonden
Zolang er niet door middel van gericht onderzoek naar vroege stadia van osteoporose wordt gezocht, zal deze meestal pas in een (te) laat stadium worden ontdekt. Dat betekent dat osteoporose vaak pas wordt ontdekt, wanneer er al een botbreuk is ontstaan.
Het is ook mogelijk dat osteoporose bij toeval wordt ontdekt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er een röntgenfoto van de longen wordt gemaakt vanwege benauwdheidsklachten of hoesten. Omdat op een 'longfoto' ook de rugwervels zijn te zien, kan een eventueel bestaande (ernstige) ontkalking van de wervels worden ontdekt.

Gericht onderzoek is nodig
Wanneer iemand klachten heeft die op osteoporose kunnen wijzen, zal er veelal een botdichtheidsmeting (DXA) worden gedaan. Dergelijke apparaten zijn tegenwoordig in de meeste ziekenhuizen voorhanden. Daarnaast worden vaak röntgen-foto's gemaakt van de wervelkolom om vast te stellen of er wervelfracturen zijn.
Gericht onderzoek is ook noodzakelijk na elke botbreuk van bovenarm, pols, rugwervel, rib, bekken en heup indien er sprake was van een gering ongeluk, zoals een val uit staande, zittende of liggende positie. Daarbij is de kracht bij het neerkomen in de regel dermate beperkt, dat het ontstaan van een botbreuk eigenlijk alleen kan optreden wanneer het bot reeds verzwakt was. Ook hier is een botdichtheidsmeting zinvol.

Foto's van de hand
Het kalkgehalte van de middenhandsbeentjes geeft een vrij goede indruk over het kalkgehalte van de botten elders in het lichaam. Men kiest voor dit onderzoek het middenhandsbeentje dat bij de wijsvinger van de 'niet-dominante' hand hoort. Dat wil dus zeggen dat men bij een rechtshandige een foto van de linkerhand neemt en bij een linkshandige de rechterhand onderzoekt. Het veel of weinig gebruiken van een hand heeft namelijk invloed op de dikte van de middenhandsbeentjes.
Op de foto wordt de dikte van de schors van het middenhandsbeentje (de 'cortex') vergeleken met de breedte van de holte binnen in het bot (de 'mergholte') en die meting geeft een betrouwbare informatie over de kwaliteit van de botten.

Foto's van de rug
Voor het opsporen van matige tot ernstige osteoporose wordt vaak gebruikgemaakt van foto's van de rugwervels. Hierbij worden alleen de borstwervels en de lendenwervels gefotografeerd. Deze wervels lopen de meeste kans om door osteoporose te worden aangetast. In de nekwervels komt osteoporose veel minder vaak voor.
Bij het onderzoek worden er van twee kanten (van voren en van opzij) foto's van de wervels gemaakt. Een afname van de hoeveelheid botmineraal is op de zijwaartse foto's het beste te zien. Ook een breuk of een inzakking van een wervel zijn erg goed te zien. Om de ernst van de eventuele breuken en inzakkingen te beoordelen, zijn er echter ook voor- en achterwaartse foto's nodig.
Tegenwoordig kan met een DEXA-onderzoek een nauwkeuriger zijwaartse afbeelding van bijna de gehele wervelkolom worden gemaakt dan met een 'gewone' röntgenfoto. Deze zogeheten 'laterale DEXA' geeft inzicht in de opbouw van de vierde borstwervel tot en met de vijfde lendenwervel. Hierdoor kunnen ook kleinere wervelbreuken worden opgespoord, die soms met een 'gewone' röntgenfoto worden gemist. Dit is belangrijk omdat bij een wervelbreuk met een behandeling tegen osteoporose moet worden begonnen, zelfs wanneer er nog geen osteoporose is vastgesteld.

Botdichtheidmeting
Met de huidige 'gewone' röntgenfoto's is osteoporose pas in een vergevorderd stadium te ontdekken, omdat minstens een derde deel van de botmineraal moet zijn verdwenen, voordat het verlies aan botmineraal op de foto duidelijk zichtbaar is geworden.
Daarom zijn er nieuwe onderzoekmethodes ontwikkeld, waarmee men in staat is om het verlies aan botmineraal in een vroeg stadium waar te nemen. Dit zijn:
- DEXA (Dual Energy X-ray Absorptiometry) en
- CT-scan (Computer Tomografie)
Hiermee kan in een bepaald bot de totale hoeveelheid mineralen (BMD: Bot Mineraal Dichtheid) of de botdichtheid heel precies worden gemeten. Een botdichtheidmeting heeft twee zeer duidelijke voordelen boven de gewone röntgenfoto's. Allereerst is osteoporose hiermee in een vroeg stadium vast te stellen. Verder is het tempo van de voortgang van osteoporose beter te volgen en is een betere schatting te maken van het risico op een botbreuk.
Op basis van nieuwe inzichten is het weinig zinvol om het resultaat van de behandeling te beoordelen op basis van het herhalen van BMD-metingen. De verandering van de botmineraaldichtheid correleert slecht met het verminderen van het aantal botbreuken.
Voor het opsporen van osteoporose kan de botdichtheid van de wervelkolom worden gemeten of die van de heup. De meting is ook geschikt om het resultaat van de behandeling van osteoporose vast te stellen; de toename van de hoeveelheid bot valt goed te meten. Er zijn aanwijzingen dat de meting van de botdichtheid van de wervelkolom om osteoporose vast te stellen bij mensen boven de zestig jaar minder betrouwbaar wordt. In dat geval kan beter gekozen worden voor een meting van de botdichtheid van de heup.

Uitslag botdichtheidmeting
Bij de botdichtheidmeting wordt niet alleen een uitslag gegeven van de hoeveelheid botmassa. De uitslag wordt ook vergeleken met de gemiddelde botdichtheid van jonge volwassenen (T-score) en de gemiddelde botdichtheid van iemand met dezelfde leeftijd als de onderzochte persoon (Z-score). Bij een T-score tussen de +1 en -1 is er sprake van een normale botdichtheid en is er dus niets aan de hand. Een T-score tussen de -1 en de -2,5 betekent dat er sprake is van osteopenie. Dat wil zeggen dat er wel een verminderde botdichtheid bestaat, maar dat de kracht van het bot hierdoor nog niet duidelijk is verminderd. Een preventieve behandeling kan nodig zijn. Bij een T-score lager dan -2,5 is er sprake van osteoporose. De afname van de botdichtheid is dermate groot geworden, dat behandeling raadzaam is omdat het risico op een botbreuk vergroot is. Als er reeds een botbreuk heeft plaatsgevonden die mede veroorzaakt is door de osteoporose, wordt van ernstige osteoporose gesproken.




Botdichtheidmeting is geen routineonderzoek
De laatste jaren is het aantal ziekenhuizen waar de moderne apparatuur beschikbaar is, toegenomen. Dat betekent dat een botdichtheidmeting in steeds meer gevallen toegepast kan worden. Omdat dit onderzoek kostbaar is, dient er uiteraard wel een duidelijke reden voor aanwezig te zijn. Te denken
valt aan de Indicatie voor BMD-meting (DXA). Daarnaast kan een botmetingsonderzoek worden gebruikt om het resultaat van de behandeling te bepalen.

DEXA (Dual Energy X-ray Absorptiometry)
De DEXA is een onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van röntgenstralen. Door de precisie waarmee wordt gewerkt, is de stralingsbelasting minder dan van een serie gewone röntgenfoto's van het bot. De straling wordt door het bot gestuurd en achter het bot weer opgevangen. Een deel van de straling wordt door het bot tegengehouden (geabsorbeerd). De hoeveelheid stralen die wordt doorgelaten, kan heel precies worden gemeten en worden omgerekend tot de hoeveelheid mineralen in het onderzochte bot.

CT-scan (Computer Tomografie)
Een CT-scan werkt ook met röntgenstralen. Hiermee kan vanuit drie richtingen worden gemeten, waardoor er door middel van een computer een driedimensionaal beeld van het bot verkregen kan worden. Alle soorten bot kunnen, ongeacht de plaats in het lichaam, gemeten worden. Een nadeel ten opzichte van de Dexa is het feit dat de stralingsbelasting voor de patiënt wat groter is dan bij de DEXA. Het onderzoek met een CT-scan van botten gebeurt ook wel onder verschillende andere namen, zoals QCT (Quantitatieve Computer Tomografie), SEQCT (Single Energy QCT) en DEQCT (Double Energy QCT).




Echografie
De echografie werkt met, voor ons oor onhoorbare, geluidstrillingen. Echografie is een populaire onderzoekmethode, die inwendige organen, zoals het hart en de organen in de buik, op een beeldscherm zichtbaar kan maken. Ook tijdens de zwangerschap wordt veelvuldig gebruikgemaakt van echografie, onder meer om de groei van het kind te beoordelen. Momenteel wordt onderzocht of echografie van het hielbot ook geschikt is om osteoporose vast te stellen.




terug verder




Broze botten

Over osteoporose of botontkalking heersen nog altijd veel misvattingen. Veel mensen denken dat het zwakker worden van de botten een normaal ouderdomsverschijnsel is. Wie wel weet dat het om een ziekte gaat, denkt dat er vaak niets aan te doen valt. Ook denken veel mensen ten onrechte dat deze ziekte alleen bij vrouwen voorkomt. Broze botten wil al deze misverstanden uit de wereld helpen.

Auteur(s) : Drs. W.J. Braam, Prof. dr. J.C. Netelenbos
Prijs : € 17,95
ISBN : 9789066118447

Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule.
Gezond eten in de overgang

Marilyn Glenville legt uit hoe voeding als een natuurlijk alternatief voor hormoonvervangende therapie kan werken, en zo de problemen die gepaard gaan met de overgang kunnen verminderen.

Auteur(s) : Marilyn Glenville en Lewis Esson
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789066119550