Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Drs. W.J. Braam en prof. dr. J.C. Netelenbos
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Wat is osteoporose?

Osteoporose - ook wel botontkalking genoemd - is de meest voorkomende stofwisselingsziekte van de botten. Het is een traag verlopende botziekte, waarbij steeds meer botmassa (met name kalk) uit de botten verdwijnt. Uiteindelijk kan het bot hierdoor zo verzwakken, dat het niet meer bestand is tegen een grote belasting. De botten die hieronder het meest te lijden hebben, zijn de rugwervels, de ribben en de botten in de onderarm en het bovenbeen. Daardoor kan iemand met osteoporose al bij een onschuldige val een heup of een arm breken. Een wervelbreuk (wervelinzakking) kan bij oudere mensen zelfs spontaan optreden. Osteoporose is dan ook de belangrijkste oorzaak van botbreuken bij mensen boven de 65 jaar.
Een tekort aan botmineraal ontstaat niet van de ene op de andere dag. Het is een proces dat meestal vele jaren duurt, waarbij geleidelijk steeds meer kalk uit de botten verdwijnt. Vanaf het 30ste jaar neemt de hoeveelheid botmineraal heel langzaam af. Bij vrouwen verloopt het verlies aan botmineraal tijdens de overgang versneld. Gedurende ongeveer vijf jaren wordt bijvoorbeeld gemiddeld 15% aan botmassa uit de rugwervels verloren. Bij vrouwen bij wie al vóór de overgang sprake was van een duidelijk geringere hoeveelheid bot, kan dan sneller de grens bereikt worden dat een bot bij een 'gewone' val al breekt.
Over het algemeen heeft elke vrouw vanaf haar 50e jaar zeker een kans van 1 op 4 om aan een ernstige vorm van osteoporose te lijden. Op de leeftijd van 75 jaar is de hoeveelheid botmineraal bij vrouwen gemiddeld met de helft afgenomen en heeft zelfs één op elke twee vrouwen een botbreuk gehad!
Het wordt meestal pas duidelijk dat er sprake is van osteoporose, wanneer iemand iets breekt of bepaalde klachten krijgt. Er worden dan namelijk foto's van de botten gemaakt waaruit kan blijken dat de conditie van de botten niet meer optimaal is. De holten in het bot zijn dan zo groot geworden, dat ze op een röntgenfoto zichtbaar zijn. Een vroeg stadium van osteoporose komt echter alleen aan het licht bij een speciaal onderzoek van de botten, omdat de holten in het bot in het begin nog zo klein zijn, dat ze uitsluitend met speciale apparatuur te zien zijn.

Misvattingen over osteoporose
Over osteoporose heersen nogal wat misvattingen. Zo denken de meeste ouderen dat het zwakker worden van de botten en de toenemende kans op het breken van een heup een normaal verouderingsverschijnsel is. Slechts 8 procent van de 50-plussers weet dat het om een ziekte (osteoporose) gaat. Van de mensen die wel eens iets over osteoporose gehoord hebben, weet de helft niet dat er mogelijkheden zijn om deze aandoening te voorkomen. Dat betekent dat de meeste ouderen het risico op een gebroken heup of pols ten onrechte als een onvermijdelijk risico van het ouder worden beschouwen.

Osteopenie en osteoporose
Er zijn twee begrippen die beide gebruikt worden om aan te geven dat de hoeveelheid botmineraal in de botten is afgenomen: osteopenie en osteoporose.
Osteopenie is eigenlijk het voorstadium van osteoporose. Letterlijk betekent het: minder bot. Men spreekt van osteopenie als er sprake is van een verlies aan botmineraal zonder dat er daardoor echter al klachten bestaan of wanneer de stevigheid van het bot zodanig is afgenomen dat er een vergroot risico op botbreuken bestaat.
Osteoporose is het gevorderde stadium. Letterlijk betekent het: poreus bot, of bot met gaten. Wanneer dus door verlies aan botmineraal de stevigheid van het bot zo duidelijk is afgenomen, dat het risico op botbreuken snel toeneemt, spreekt men van osteoporose.
De grens tussen osteopenie en osteoporose is moeilijk te trekken. Het ontstaan van een botbreuk of het voorkomen van klachten werd vroeger wel gebruikt om de grens te trekken tussen osteopenie en osteoporose. Tegenwoordig wordt dat vrijwel niet meer gedaan. In dit boek zullen we - om verwarring te voorkomen - daarom steeds over osteoporose spreken.

Osteoporose komt veel voor
Osteoporose is beslist geen zeldzame aandoening. Ongeveer 800.000 Nederlanders lijden eraan. Het komt vooral op latere leeftijd voor en drie keer zo vaak bij vrouwen als bij mannen. Bij vrouwen begint de ontkalking van de botten eerder dan bij mannen en het ziekteproces verloopt sneller. Daardoor is bij vrouwen op 75-jarige leeftijd de hoeveelheid botmassa in de wervels gemiddeld nog slechts de helft van de hoeveelheid op 30-jarige leeftijd. Mannen hebben op dezelfde leeftijd echter nog maar 15 procent van de botmassa in hun rugwervels verloren. In de lange pijpbeenderen is het verschil in botmassa bij mannen en vrouwen van 75 jaar duidelijk kleiner. In die botten is het verlies op die leeftijd bij vrouwen 40 procent, terwijl mannen op die leeftijd ongeveer 30 procent van de botmassa in hun pijpbeenderen kwijt zijn.
Verlies van botmassa leidt tot verzwakking van de botten en dus een verhoogd risico op botbreuken. Men schat dat van alle vrouwen die ouder zijn dan 60 jaar één op de drie na de overgang een botbreuk zal oplopen. Van de vrouwen van 75 jaar en ouder zal zelfs één op de twee als gevolg van osteoporose een bot breken.



Bot leeft
Bot bestaat niet alleen uit kalk. Het bevat ook levende cellen
die nieuw botmineraal aanmaken (osteoblasten) en cellen die bot afbreken (osteoclasten). Ook zijn er cellen in het bot die druk op en trek aan het bot waarnemen en zorgen dat de botopbouw dan toeneemt.
Bot groeit tot vlak na de puberteit in de lengte. Binnenin het bot is er, net als in andere organen in ons lichaam, echter het gehele leven lang sprake van afbraak en vorming van nieuw botmineraal. Dagelijks wordt daar oud bot afgebroken en nieuw, vervangend bot opgebouwd.

Piekbotmassa
Tot ongeveer het 30ste jaar wordt er meer botmineraal gevormd dan er wordt afgebroken. Dat wil zeggen dat er tot die tijd op één en dezelfde plek meer botmineraal wordt afgezet dan er op die plek was verdwenen. De totale hoeveelheid botmineraal neemt dan dus nog steeds toe.
Rond het 30ste jaar is de hoeveelheid botmineraal maximaal. Men noemt dit het bereiken van de 'piekbotmassa'. De maximale hoeveelheid die daarbij wordt bereikt, is grotendeels erfelijk bepaald. Bij mannen is de hoeveelheid gemiddeld 15 procent groter dan die bij vrouwen. Gedurende enkele jaren is er vervolgens een evenwicht tussen botopbouw en botafbraak. Na ongeveer het 35ste jaar neemt de botopbouw langzaam af. Dan wordt het afgebroken botmineraal niet meer helemaal door nieuw weefsel vervangen. De hoeveelheid botmineraal neemt vanaf het 35ste jaar dus zeer langzaam af.

Vervanging in drie fasen
De vervanging van oude botmassa en de opbouw van nieuw botmineraal gebeurt in drie fasen. Tijdens de eerste fase wordt het versleten botdeeltje afgebroken door speciale cellen: osteoclasten. Vervolgens wordt door andere botcellen, osteoblasten, in de vrijkomende ruimte een nieuw, smal en dun wandje (botbalkje) opgetrokken. Tijdens de derde fase wordt calcium in de vorm van calciumfosfaat op en in het botbalkje afgezet, waardoor het bot zijn stevigheid krijgt.
De hoeveelheid botmineraal die per dag wordt vervangen is niet groot; maar toch wordt er per jaar in het totaal ongeveer 15 procent van het botmineraal afgebroken en door nieuw botmineraal vervangen.

Kalk wordt weer uit het botmineraal opgenomen
Het calciumfosfaat dat zich in kristallen in de botbalkjes bevindt, kan er vrij gemakkelijk weer uit worden opgenomen. Dat lijkt een nadeel, want als het calcium in de botten stevig zou blijven zitten, zou er immers geen osteoporose bestaan. Toch is het maar goed dat het calcium gemakkelijk kan worden opgenomen vanuit het bot naar het bloed. Want calcium is niet alleen belangrijk voor de stevigheid van het bot. Het is ook van belang voor een goede werking van de hartspier en van andere spieren. Als er in het bloed een calciumtekort is, kunnen er dodelijke spierkrampen ontstaan (tetanie). Daarom wordt er, zodra er in het bloed een calciumtekort dreigt te ontstaan, calcium aan de botten onttrokken en aan het bloed afgegeven. De botten vormen zo als het ware een reservoir dat bedoeld is om te voorkómen dat er een calciumtekort in het bloed ontstaat. Het handhaven van het normale calciumgehalte in het bloed is kennelijk belangrijker dan het in stand houden van de stevigheid van de botten. Dat is een van de redenen waarom het belangrijk is dat men via de voeding voldoende calcium (minstens 1000 mg per dag) binnenkrijgt.

Opbouw en afbraak
Normaal bestaat er een evenwicht tussen botafbraak en botaanmaak. Hoe dit precies geregeld wordt, is niet helemaal bekend. Duidelijk is wel, dat de dagelijkse opname van voldoende calcium uit de voeding niet genoeg is om osteoporose te voorkomen. Regelmatige actieve lichaamsbeweging, waarbij de botten belast worden, is bijna even belangrijk. Daarnaast is er nog een aantal andere stoffen nodig om te zorgen voor een evenwicht tussen opbouw en afbraak van botmineraal. Vitamine D, calcitonine en bijschildklierhormoon (parathyreoïd hormoon of PTH) zijn daarvan de belangrijkste. Bij de vrouw spelen oestrogene hormonen een belangrijke rol.
Wanneer de besturing van het groeiproces in de botten niet goed verloopt, kan het afgebroken botmineraal niet helemaal vervangen worden. Voor het 'balkjesbot' betekent dit, dat over zo'n grote afstand botbalkjes verdwijnen, dat de osteoblasten de ontstane openingen niet meer met nieuw bot kunnen overbruggen. Het verdwenen botmineraal wordt op die plaats niet meer vervangen. De ontstane holten binnen in het bot blijven bestaan, hetgeen betekent dat het bot op die plaats zwakker is geworden.

Balkjesbot en schorsbot
Er zijn twee soorten botmineraal: balkjesbot en schorsbot. Balkjesbot (trabeculair bot) bevindt zich vooral in de korte botten (zoals de rugwervels) en in de uiteinden van de lange pijpbeenderen (zoals de kop van het dijbeen). Schorsbot (corticaal bot) is het bot waaruit de schors van de lange pijpbeenderen is opgebouwd. Schorsbot is veel harder dan balkjesbot. Het 'slijt' minder en het wordt minder gemakkelijk afgebroken. In balkjesbot vindt de afbraak van versleten bot gemakkelijker plaats. Dat betekent dus dat het proces van botafbraak en botaanmaak niet in alle botten van het lichaam in hetzelfde tempo gebeurt. Opbouw en herstel verlopen in het balkjesbot drie keer zo snel. Osteoporose is meestal het gevolg van een versterkte afbraak, waarbij het lichaam niet meer in staat is om al het afgebroken botmineraal door nieuw te vervangen. Omdat het balkjesbot gemakkelijker afgebroken kan worden, is dit type bot veel gevoeliger voor het ontstaan van osteoporose dan schorsbot. Dat blijkt ook uit het feit, dat botbreuken als gevolg van osteoporose vaker in de rugwervels en in de uiteinden van de pijpbeenderen (vlak bij de gewrichten van heup of pols) voorkomen. Daar is de invloed van osteoporose immers het sterkst. Bij kinderen komen botbreuken juist vaker ergens midden in een bot van arm of been voor. In gezonde botten is namelijk de plek waar het bot het smalst is, de zwakste plek.

Osteoporotisch (links) en gezond bot (rechts) in het uiteinde van het spaakbeen (doorsnede).


Calcium, de belangrijkste bouwstof
Calcium, de belangrijkste bouwstof
Calcium is, net als ijzer en koper, een minerale stof. Het wordt in het pas gevormde zachte botmineraal afgezet, in de vorm van calciumfosfaat (kristallen). Deze kristallen geven het bot zijn stevigheid. Maar helaas is het niet zo dat eenmaal in het bot afgezet calcium daar ook altijd blijft. Er wordt dagelijks verouderd bot afgebroken en door nieuw vervangen. Bovendien moet er op elk moment calcium vanuit het bot vrijgemaakt kunnen worden wanneer er in het bloed een calciumtekort dreigt te ontstaan. Het lichaam heeft dus elke dag calcium nodig.

In de jeugd wordt de basis gelegd
Het lichaam heeft elke dag calcium nodig. Dat geldt vooral voor kinderen in de groei, als meer botmineraal wordt gevormd dan er wordt afgebroken. Maar ook na het stoppen van de lengtegroei is dit nog lang het geval. Pas rond het 30ste jaar wordt het punt bereikt, waarop de hoeveelheid botmineraal maximaal is (piekbotmassa). Hoe groot de maximale hoeveelheid botmineraal dan is, wordt in de eerste plaats bepaald door de van de ouders meegekregen erfelijke eigenschappen. Daarnaast spelen de hoeveelheid calcium in de voeding en de lichamelijke activiteit tijdens de jeugd een belangrijke rol. Bij iemand die een hoge piekbotmassa heeft opgebouwd, duurt het langer voordat de botten door osteoporose verzwakt raken.

Calciumopname tot op hoge leeftijd noodzakelijk
Ook op latere leeftijd moet er voldoende calcium in de voeding aanwezig zijn. Elke dag verliest het lichaam een hoeveelheid calcium, die weer dient te worden aangevuld om te voorkomen dat het tekort uit de botten wordt weggehaald.
Een aanzienlijk deel van het dagelijkse calciumverlies vindt plaats via de darmen. In de verteringssappen die in de darmen worden afgescheiden, bevindt zich veel calcium; tijdens de spijsvertering verliest het lichaam elke dag gemiddeld 200 mg calcium. Daarnaast wordt er via de urine dagelijks gemiddeld 160 mg calcium uitgescheiden. Ook verdwijnt er elke dag door transpiratie ook nog eens 40 mg calcium via de huid. Dat betekent dat er elke dag ongeveer 400 mg calcium uit het lichaam verdwijnt. Dit verlies dient door opname van calcium vanuit het voedsel te worden gecompenseerd.
Onze darmen zijn niet in staat om al het in de voeding aanwezige calcium op te nemen. Slechts ongeveer 40 procent van het calcium in de voeding kan in het bloed worden opgenomen. Dat betekent dat, om het dagelijkse verlies van 400 mg calcium aan te kunnen vullen, de voeding elke dag minstens 1000 mg calcium moet bevatten.

Calcium niet alleen nodig voor de botten
Calcium is niet alleen belangrijk voor de botten. Calcium is ook van groot belang voor de werking van alle spieren, vooral van de hartspier. Ook daarom mag de hoeveelheid calcium in het bloed dus niet te laag worden. Om de calciumbloedspiegel op een constant niveau te houden, maken de bijschildklieren een hormoon: het bijschildklierhormoon of parathyreoïd hormoon. Wanneer er via de voeding niet voldoende calcium wordt aangevoerd, zal het lichaam de hoeveelheid calcium in het bloed op peil houden door onder meer calcium uit de botten weg te halen. Het botmineraal fungeert dus als een soort reservoir om de hoeveelheid calcium in het bloed op peil te houden. Het handhaven van een voldoende hoeveelheid calcium in het bloed is zo belangrijk, dat de stevigheid van de botten er ondergeschikt aan is. Dit betekent, dat er voldoende calcium in de voeding aanwezig moet zijn.

Vitamine D
Vitamine D is van groot belang voor de botten. Het zorgt er (samen met het parathyreoïd hormoon) voor dat het calcium uit het voedsel door de darmwand heen in het bloed kan worden opgenomen. Zonder voldoende vitamine D blijft het grootste deel van het calcium namelijk in het voedsel zitten, zodat het ons lichaam via de ontlasting ongebruikt weer verlaat.
Vitamine D regelt (samen met het bijschildklierhormoon) de hoeveelheid calcium in het bloed. Beide zorgen ervoor dat er extra calcium naar het bloed toe gaat wanneer er te weinig calcium in het bloed zit. Zolang er in onze voeding voldoende calcium zit, wordt de dagelijkse behoefte aan calcium in de darmen uit de voeding gehaald. Maar als onze voeding te weinig calcium bevat, zal er calcium vanuit de botten worden gehaald om het calciumgehalte in het bloed op peil te houden.

Calcitriol, het actieve vitamine D
Vitamine D uit het voedsel is in het lichaam niet meteen werkzaam. Het moet eerst worden omgezet in de actieve vorm: calcitriol. Deze omzetting vindt plaats in de nieren. Calcitriol stimuleert de vorming van speciale eiwitten (enzymen) die nodig zijn bij het transport van calcium uit het voedsel via de darmwand naar het bloed. Het zorgt ervoor dat het dagelijkse verlies aan calcium via darmsappen, urine en zweet wordt gecompenseerd. Daarnaast heeft calcitriol een belangrijk stimulerend effect op de botvormende cellen (osteoblasten).
De behoefte aan vitamine D wordt slechts voor een deel gedekt door de opname vanuit het voedsel. Een zeer groot deel van de dagelijks benodigde vitamine D wordt onder invloed van de ultraviolette straling uit het zonlicht in de huid gevormd. Daarom is een regelmatige dosis zonlicht belangrijk voor het in stand houden van de botten en voor het voorkómen van osteoporose.
Tijdens de wintermaanden is door gebrek aan zonlicht de vorming van vitamine D in de huid erg gering en is men, naast de opname van vitamine D uit de voeding aangewezen op de reservevoorraden in het lichaam.
Bij mensen met een donkere huid die in Nederland wonen, wordt maar weinig vitamine D in de huid gevormd. Vaak komt bij hen daardoor een te laag vitamine D-gehalte in het bloed voor. Bij jonge kinderen met een donkere huid kan dat leiden tot rachitis ('Engelse ziekte'), waarbij botmisvormingen kunnen ontstaan. Dat is mede een reden dat elk kind in Nederland - en zeker de donkere kinderen - gedurende hun eerste vier levensjaren extra vitamine D nodig hebben.

Bijschildklierhormoon (parathyreoïd hormoon)
Het bijschildklierhormoon zorgt ervoor dat het calciumgehalte van het bloed niet te ver daalt. Dat zou gevaarlijk zijn voor het hart en kan leiden tot verkramping van alle spieren (tetanie).
Het bijschildklierhormoon wordt gemaakt in de bijschildklieren. Het zijn vier kleine hormoonvormende klieren, die zich links en rechts achter de schildklier in de hals bevinden.
Het bijschildklierhormoon (parathyreoïd hormoon, PTH) heeft een verhogende invloed op het calciumgehalte van het bloed. In de eerste plaats stimuleert het indirect de opname van calcium uit de voeding door het bloed. Dit gebeurt doordat de omzetting van vitamine D in calcitriol (de actieve vorm van vitamine D) in de nieren wordt bevorderd. Calcitriol zorgt ervoor dat calcium vanuit het voedsel in het bloed terecht kan komen.
Wanneer het voedsel onvoldoende calcium bevat en het calciumgehalte van het bloed dus niet stijgt, kan het bijschildklierhormoon ook het calciumgehalte van het bloed doen toenemen, door de opneming van calcium vanuit het bot naar het bloed te stimuleren en te zorgen dat er minder calcium met de urine verloren gaat. Wanneer er dus onvoldoende calcium uit het voedsel in het bloed kan worden opgenomen, wordt het tekort vanuit de botten aangevuld. Onvoldoende calcium in de voeding kan dus ook op indirecte manier het ontstaan van osteoporose veroorzaken.
Interessant en belangrijk is de recente vondst dat PTH, mits elke dag en per injectie toegediend, het bot niet doet afbreken, maar juist doet toenemen. De eerste onderzoeken wijzen op een toename van bot met wel 10% in twee jaar! Omdat PTH via de osteoblasten de osteoclasten en dus de botafbraak stimuleert, kan worden aangenomen dat een dagelijkse toediening van een kleine hoeveelheid PTH alleen de botaanmaak stimuleert.

Calcitonine
Calcitonine is een hormoon dat in de schildklier wordt gevormd. Het zorgt ervoor dat het calciumgehalte in het bloed afneemt wanneer dit te hoog dreigt te worden. Dit gebeurt door de activiteit van de osteoclasten (cellen die botmineraal afbreken) af te remmen. Calcitonine speelt bij vissen en vogels een belangrijke rol in de botstofwisseling. Dit is bij de mens niet het geval. Bij mensen die geen of onvoldoende calcitonine aanmaken, veroorzaakt dit absoluut geen problemen bij de botstofwisseling. Calcitonine is bij de mens namelijk een zwak werkend hormoon. Bij de behandeling van osteoporose kan dit hormoon echter wel een rol spelen, aangezien het in hoge doseringen de botafbraak remt.

Lichaamsbeweging
Voor de goede conditie van de botten is het niet genoeg om alleen te zorgen voor voldoende bouwstoffen en vitaminen. Lichaamsbeweging is bijna net zo belangrijk, omdat het de activiteit van de osteoblasten (botcellen die zorgen voor de botaanmaak) bevordert. Dit geldt vooral voor jonge mensen. Rond het 30ste jaar bereiken de botten immers hun maximale kalkdichtheid (piekbotmassa). Sporten is een uitstekende manier om de botten te gebruiken.
Ook op latere leeftijd is lichaamsbeweging belangrijk omdat het gebruiken van de botten de botopbouw stimuleert. Lichaamsbeweging is een goede manier om ervoor te zorgen dat het 'versleten' bot dat wordt afgebroken, weer wordt vervangen door nieuw botmineraal.
Langdurige bedrust is slecht voor de botten. Door onvoldoende lichaamsbeweging wordt de activiteit van de osteoblasten niet voldoende gestimuleerd, zodat niet alle afgebroken botmineraal weer door nieuw botmineraal wordt vervangen. De gevolgen hiervan kunnen zeer ernstig zijn. Iemand die volledige bedrust moet houden verliest per week ongeveer 1 procent van zijn botmassa.
Dat verlies wordt na verloop van tijd steeds minder. Na een halfjaar is het verlies ca. 30 procent, na een jaar nog maar 21 procent en na 11/2 jaar nog 15 procent. Er is dan dus nog 35 procent van de oorspronkelijke botmassa over.




verder




Broze botten

Auteur(s)
W.J. Braam en J.C. Netelenbos

Prijs: € 14,99
ISBN: 9789491549090

Broze botten breken



Auteur(s) : Dr. Harm Sleeboom en Angelique van Dam
Prijs : € 17,95
ISBN : 9789491549717