|
|
Cluster C: angstig, introvert en dwangmatig Het centrale kenmerk van de cluster C-persoonlijkheidsstoornissen is angst die steeds op een verschillende manier wordt gehanteerd. Mensen met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis geven toe aan hun angst en vermijden contacten met anderen; mensen met een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis dempen hun angst door zich vast te klampen aan een ander, en mensen met een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis compenseren hun angst door alles onder controle proberen te houden. Mensen met een Cluster C-persoonlijkheidsstoornis, waarbij angst op de voorgrond staat, vallen vaak niet erg op. Ze vertonen geen excentriek, aandachttrekkend of afstotend gedrag, ze zijn niet gewelddadig en doen op het eerste gezicht geen overdreven beroep op anderen. Toch zijn het mensen die wel degelijk lijden onder hun stoornis, en ook hun nabije omgeving kan er veel last van hebben. Soms zijn het harde werkers, zelfs ideale werknemers (mensen met een vermijdende of een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis) tot ze na een reorganisatie een nieuwe baas krijgen of totdat ze zich over de kop werken en uitvallen met een langdurige burn-out. Soms zijn het ideale echtgenotes (de vrouw met een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis) die instort als haar hardwerkende man voor wie zij altijd klaarstond, plotseling overlijdt. Mensen uit dit cluster zoeken vaak de oorzaak van hun problemen bij zichzelf; dit betekent overigens niet per se dat ze gemakkelijker te behandelen zijn. Vaak nestelen ze zich in de rol van slachtoffer en nemen ze daarmee weinig eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun leven. De ontwijkende persoonlijkheidsstoornis Kern van de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis is een patroon van sociale geremdheid, een gevoel van minderwaardigheid en overgevoeligheid voor de kritiek van anderen. Mensen met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis zijn voortdurend op hun hoede, bang voor kritiek, afkeuring en afwijzing. Daarom vermijden ze activiteiten op hun werk waarbij ze veel contacten met anderen hebben. Hierdoor lopen ze vaak een promotie mis of kunnen ze zelfs ontslagen worden. Ze willen niet bij mensen betrokken raken, tenzij ze er zeker van zijn dat de ander hen aardig vindt. Ze houden zich op de vlakte in intieme relaties, uit angst om vernederd of uitgelachen te worden. Ze zijn er in hun gedachten voortdurend mee bezig dat ze door anderen bekritiseerd of afgewezen kunnen worden. In een situatie met nieuwe mensen voelen ze zich geremd, uit angst om tekort te schieten. Ze zien zichzelf als sociaal onbeholpen en voor anderen onaantrekkelijk of minderwaardig. Ze nemen het liefst geen enkel risico, en willen niet betrokken raken bij nieuwe activiteiten omdat deze hen in verlegenheid zouden kunnen brengen. Mensen met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis verwachten dat anderen hen zullen afwijzen, bekritiseren of belachelijk maken. Met veel aanmoediging en steun zijn ze soms over te halen om zich bij een groep aan te sluiten, maar de kwetsbaarheid voor afwijzing blijft op de loer liggen. Ze zijn zó overgevoelig voor afwijzing dat ze soms achterdochtig worden en als ze zich dan afgewezen voelen, zijn ze enorm gekwetst. Regelmatig gedragen ze zich verlegen, geremd en teruggetrokken, vooral bij vreemden. Ze hebben de neiging de gevaren van alledaagse situaties te overdrijven en leiden een heel ingeperkt leven vanuit hun behoefte aan zekerheid en voorspelbaarheid. Ze gaan bijvoorbeeld zelden of nooit op vakantie, met een onverwacht, spontaan bezoek of uitstapje kun je ze geen plezier doen, integendeel, de kans op een boze reactie is groot omdat hun veilige wereldje verstoord wordt. Relatie (casus) Christa was altijd het muurbloempje op feestjes. Als kind had ze een bril en een beugel, wat in haar geval veel pesterijen uitlokte in de klas. Ze ging zich steeds meer terugtrekken en verschool zich achter een boek; in de pauzes zat ze liever te lezen in een stil hoekje dan met haar klasgenoten in de aula haar lunch op te eten. Ze ging werken in een bibliotheek en had het daar eigenlijk goed naar haar zin. Dan krijgt ze een relatie met de beste vriend van haar broer, maar ze twijfelt aan zijn liefde: wie zou er nu op haar verliefd kunnen worden? Haar vriend gaat zich ergeren aan haar voortdurende twijfels of hij wel van haar houdt, maar als hij dat laat merken wordt het alleen maar erger. Hij stelt haar voor de keuze: of je gaat wat doen aan je onzekerheid, of ik stop met de relatie. Ze meldt zich aan voor behandeling en wordt verwezen voor groepspsychotherapie. Dat vindt ze vreselijk; ze wil helemaal niet in een groep over haar problemen praten. Maar omdat haar angst om haar vriend te verliezen nog groter is, zet ze de stap en merkt ze tot haar verrassing dat meer mensen in de groep vergelijkbare problemen hebben. Als ze vertelt over haar angst om uitgelachen te worden, over hoe ze tegen allerlei situaties opziet, al is het maar het inwerken van een nieuwe collega of samen met haar vriend een uitstapje maken, merkt ze dat anderen dat niet gek vinden. Langzamerhand kan ze zich meer gaan ontspannen en durft ze meer contact en intimiteit aan te gaan. Verlangen naar liefde en acceptatie Doordat ze zo gespannen zijn en angst hebben om belachelijk gemaakt te worden, lokken ze de afwijzing soms juist uit, wat hun angsten dan weer bevestigt. Ze doen bijvoorbeeld heel erg hun best om op een feestje goed voor de dag te komen, maar dan blijkt dat ze zich veel te netjes gekleed hebben. Als daar dan een grapje over gemaakt wordt, voelen ze zich vreselijk gekwetst en besluiten ze nooit meer naar een dergelijk feestje te gaan. Ondanks het feit dat ze vaak een eenzaam, geïsoleerd leven leiden, verlangen ze naar liefde en acceptatie, en fantaseren ze over een ideale relatie met een partner. Vooral in crisissituaties blijkt de beperktheid van hun sociale netwerk en kunnen ze instorten. Vaak waren mensen met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis als kind verlegen en bang voor vreemden. Dit gedrag werd soms versterkt door de houding van de ouders, bijvoorbeeld doordat deze overbeschermend reageerden of het kind dwongen om contact te maken. Vaak is er sprake van een onveilige hechting. In sommige culturen is ontwijkend gedrag veel meer geaccepteerd of normaler. Soms kan het ontwijkende gedrag dan ook een gevolg zijn van problemen met inburgering. Met het ouder worden, zie je vaak dat mensen erin slagen om enkele vertrouwde, interpersoonlijke relaties te krijgen en werk te vinden waarin ze niet al te veel met anderen te maken hebben. Dan wordt de last van de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis vaak minder. De ontwijkende persoonlijkheidsstoornis komt bij ongeveer 1-2% van de mensen in de bevolking voor, en bij ongeveer 15% van de psychiatrische patiënten. De afhankelijke persoonlijkheidsstoornis Kern van de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis is een enorme angst voor verlating en eenzaamheid waardoor zij vastklampend en onderworpen gedrag vertonen. Mensen met een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis kunnen moeilijk alledaagse beslissingen nemen en hebben daar overdreven veel advies en geruststelling van anderen bij nodig. Ze doen een beroep op anderen om hen te verzorgen en de verantwoordelijkheid over te nemen voor de meeste gebieden van zijn of haar leven. Ze laten het bijvoorbeeld aan de ander over waar ze heen gaan op vakantie en in wat voor huis ze gaan wonen, maar laten anderen ook bepalen wat voor kleren hen mooi staan of wat hun lievelingseten is. Ze hebben veel moeite met ruziemaken, zijn bang om de steun of goedkeuring van anderen te verliezen. Het is bijna onverdraaglijk voor hen om ruzie te hebben met anderen, ze zullen nog eerder instemmen met iets waar ze het eigenlijk niet mee eens zijn, dan het risico lopen de steun van de ander te verliezen. Vaak is de onderliggende reden hiervan dat ze een groot minderwaardigheidsgevoel hebben en ervan overtuigd zijn dat anderen dingen beter kunnen of weten dan zijzelf. Tegelijk houden ze deze situatie in stand omdat ze geen nieuwe vaardigheden aanleren die hen onafhankelijker zouden maken, stiekem zijn ze bang voor die onafhankelijkheid. Vaak leidt dit tot ongelijkwaardige relaties waarbij de afhankelijke partner zichzelf opoffert en zich soms zelfs laat uitschelden of mishandelen, liever nog dan verlaten te worden. Ze vinden het moeilijk ergens alleen aan te beginnen of dingen alleen te doen, niet omdat ze daarvoor ongemotiveerd zijn of te weinig energie hebben, maar omdat ze te weinig vertrouwen op hun eigen oordeel of mogelijkheden. Ze gaan tot het uiterste om verzorging en steun van anderen te krijgen, kunnen zelfs aanbieden vrijwillig dingen te doen die onplezierig zijn. Het kan dan gaan om hulp aanbieden bij karweitjes waar ze eigenlijk zelf een hekel aan hebben zoals klussen of verhuizen, of in huis altijd de rommel van iedereen opruimen. Ze voelen zich onbehaaglijk of hulpeloos wanneer zij alleen zijn, omdat ze erg bang zijn dat ze niet voor zichzelf kunnen zorgen. Als een intieme relatie tot een einde komt, zoeken ze dan ook heel snel en gedreven naar een nieuwe relatie als een bron van verzorging en steun, want ze kunnen slecht voor langere tijd alleen zijn. Ze zijn er overdreven angstig voor om aan zichzelf te worden overgelaten. Rollen omgedraaid (casus) Claudia is dertig jaar getrouwd met Herbert. Ze hebben het goed: Herbert heeft een eigen reclamebureau waarin zij de administratie doet; ze hebben een volwassen zoon en dochter die inmiddels hun eigen leven hebben. Dan vindt er een tragedie plaats: Herbert krijgt een hersenbloeding en raakt halfzijdig verlamd, hij kan niet meer praten en komt in een rolstoel terecht. Tot ieders verbazing lukt het Herbert redelijk om zich aan te passen; hij gaat een paar dagen per week naar een dagbehandeling waar hij een aantal activiteiten kan doen en vertrouwde begeleidsters ontmoet. Claudia stort echter helemaal in. Ze huilt alleen maar, voelt zich volkomen hulpeloos en machteloos. Ze is ook boos: over het feit dat ze hun reclamebureau van de hand moeten doen, en hun huis in Frankrijk, waar ze graag hun oude dag hadden willen doorbrengen, moeten verkopen. En ze is boos dat Herbert niet langer voor haar kan zorgen, en dat de rollen nu omgedraaid zijn. Ze klampt zich hardnekkig vast aan het verleden toen Herbert nog gezond was en alles kon; het lukt haar niet om de realiteit van hun leven nu onder ogen te zien en te accepteren. Als ze uiteindelijk door de huisarts wordt doorverwezen naar een psycholoog, wordt haar duidelijk dat haar afhankelijkheid tot nu toe nooit een probleem was omdat Herbert alle belangrijke beslissingen voor haar nam. Negatief zelfbeeld en pessimistisch Mensen met een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis stellen zich vaak het liefst passief op en laten anderen (of een ander, bij voorkeur hun partner) de belangrijke en onbelangrijke beslissingen in hun leven nemen. Soms wordt het afhankelijke gedrag uitgelokt doordat de persoon lijdt aan een handicap of een ziekte (zoals multiple sclerose), maar ook dan is de persoon veel passiever en afhankelijker dan je normaal zou verwachten. Hun zelfgevoel is vaak negatief en pessimistisch, ze beschouwen kritiek als een bewijs van hun waardeloosheid. In hun werk kunnen ze goed functioneren, zolang dit onder supervisie van iemand is en ze niet te veel verantwoordelijkheid hoeven te dragen. Het negatieve zelfbeeld dateert vaak uit de kindertijd en kan ontstaan door overdreven kritische ouders, door competitie met een broer of zus waarin zij het onderspit delfden, of door negatieve ervaringen op school of in hun groep leeftijdsgenoten. In sommige culturen is passiviteit en onderworpenheid veel gebruikelijker dan in onze cultuur, in het bijzonder bij vrouwen. Bij het stellen van de diagnose moet hiermee rekening gehouden worden. Vaak lijden mensen met een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis aan depressies en angsten en soms hangt de aandoening samen met een lichamelijke ziekte. De afhankelijke persoonlijkheidsstoornis komt iets vaker voor bij vrouwen en bij ongeveer 1-2% van de mensen in de bevolking, en bij ongeveer 15% van de psychiatrische patiënten. De obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis Kern van de obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis is een overmatige aandacht voor orde, perfectie en controle en een gebrek aan soepelheid, openheid en efficiëntie. Mensen met een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis zijn vaak overdreven bezig met details, regels, lijsten, ordening, organisatie of schema’s, zozeer dat ze het eigenlijke doel uit het oog verliezen. Ze zijn zo perfectionistisch dat ze hun taken niet af krijgen, omdat het eindproduct nooit aan hun overtrokken eisen kan voldoen. Het zijn overmatig harde en toegewijde werkers, en daardoor komen ze vaak niet toe aan ontspannende bezigheden en vriendschappen. Ze zijn overdreven gewetensvol en star op het gebied van moraliteit, ethiek of normen. Ze zijn niet in staat om versleten of waardeloze voorwerpen weg te gooien, zelfs als deze voorwerpen geen emotionele betekenis meer voor ze hebben. Zo kunnen ze bijvoorbeeld stapels oude kranten en tijdschriften bewaren omdat ze daar misschien ooit nog iets uit willen knippen of in willen lezen. Ze hebben er een afkeer van om taken te delegeren of om met anderen samen te werken, tenzij die ander zich helemaal onderwerpt aan hun manier van werken. Ze zijn vaak gierig zowel voor zichzelf als voor anderen, geld zien ze als iets wat opgepot moet worden omdat er in de toekomst misschien iets vreselijks kan gebeuren. Vaak houden ze koppig vast aan hun eigen plan, zelfs als de omstandigheden veranderen. Scherp en kritisch (casus) Charles, die beschreven werd op blz. 15, heeft een aantal trekken van de obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis: hij is een toegewijde, harde werker, heel precies, gewetensvol en perfectionistisch. Hij kan niet delegeren, en is star en koppig als hij iets moet doen waar hij het nut niet van inziet zoals het gebruiken van een nieuw computersysteem. Hij verzamelt allerlei voorwerpen en kan deze niet weggooien, zelfs als deze bijna alle leefruimte in zijn huis innemen. Hij wordt verwezen voor behandeling, en krijgt een mannelijke psychotherapeut als behandelaar. In het begin wil hij eigenlijk niet veel vertellen; later blijkt dat hij het nut niet zo inziet van de gesprekken en ook dat hij zich een beetje schaamt voor de conflicten die hij heeft met anderen, hij vraagt zich af of er niet flink wat mis is met hem. Als hij de behandelaar wat meer gaat vertrouwen, durft hij meer te vertellen over zijn belevingen en dan blijkt dat hij eigenlijk heel scherp en kritisch is over alles en iedereen om hem heen. Hij heeft een uitgesproken mening over politiek en maatschappij en als blijkt dat zijn behandelaar onder de indruk is van zijn scherpe manier van analyseren gaat hij zich meer uiten. In de tweede fase van de behandeling gaat hij deelnemen aan groepspsychotherapie en hij merkt daar dat mensen hem waarderen, maar zich soms ook ergeren aan zijn drammerige manier van spreken. Hij leert een middenweg te vinden en gaat ook andere waarden zoals plezier maken en ontspanning zoeken, toelaten in zijn leven. Ideale werknemers Vaak ergeren mensen in de omgeving zich aan het gedrag van de mensen met de obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Voor henzelf vervult dit gedrag – zorgvuldigheid, controle, ordelijkheid, lijstjes maken en vervolgens dingen afstrepen – een essentiële behoefte aan overzicht, en het vermindert daarmee de angst. Door dit gedrag kosten projecten overmatig veel tijd, worden zelfs nooit afgemaakt en blijft er geen tijd voor ontspanning over. Mensen met deze stoornis zijn vaak ideale werknemers: uitermate toegewijd, hardwerkend, zelden ziek. Maar als de dwangmatigheid te sterk wordt, kan het in het tegendeel omslaan: er komt niets meer uit iemands handen en hij verzandt in twijfelzucht en in doelloos gepruts. Ook activiteiten met vrienden zijn vaak serieus geplande projecten die volgens het vooropgezette plan tot een goed einde gebracht moeten worden. Regels en normen, ook op moreel gebied worden vaak letterlijk genomen: ‘nooit geld uitlenen’ betekent zelfs een goede vriend geen geld lenen voor een taxi als het noodweer is. Delegeren of hulp aanvaarden is vaak lastig voor mensen met een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis, niemand kan taken beter uitvoeren dan zijzelf. Vaak zijn mensen met deze stoornis ongelukkig, negatief en ingeperkt, gunnen zichzelf (en hun omgeving) weinig pleziertjes en houden koppig vast aan hun eigen patronen. Boosheid rechtstreeks uiten vinden ze lastig, onvrede wordt vaak indirect geuit (bijvoorbeeld als men ontevreden is over de bediening of de kwaliteit van het eten in een restaurant geen fooi geven) of overdreven scherp. Het uiten van liefde, zelfs in intieme relaties, kost hun moeite; ook liefdesverklaringen moeten er perfect uitkomen; spontaan een compliment geven, is er meestal niet bij. Als kind waren mensen die lijden aan een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis vaak ook een pietje-precies. Hun kamers waren keurig opgeruimd, hun spulletjes altijd piekfijn in orde. Vaak waren het ook angstige kinderen, die niet hielden van onverwachte veranderingen. Hun ouders waren soms streng en weinig flexibel, en hadden strikte normen over wat wel en niet mocht. Verantwoordelijke workaholics In lichtere mate, als het vooral gaat om de persoonlijkheidsaanpassing met ook positieve aspecten, zou je de mensen met obsessief-compulsieve trekken wel ‘verantwoordelijke workaholics’ kunnen noemen. Het zijn noeste werkers die zich aan hun woord houden, steunpilaren voor hun collega’s. Vaak zijn ze succesvol in hun werk. Problemen ontstaan omdat ze zichzelf te weinig ontspanning en plezier toestaan en de boodschap ‘Ledigheid is des duivels oorkussen’ niet los kunnen laten. Ook in intieme relaties zijn ze beter in ‘doen’ met anderen dan in ‘zijn’ en kunnen ze kritisch worden als de ander niet aan hun hoge standaard voldoet. Soms is het obsessief-compulsieve gedrag cultureel bepaald; het komt ook ongeveer twee keer zoveel bij mannen voor als bij vrouwen. De obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis komt bij ongeveer 2-3% van de mensen in de bevolking voor, en bij ongeveer 9% van de psychiatrische patiënten. Persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven (NAO) Als mensen niet voldoende criteria van één bepaalde persoonlijkheidsstoornis hebben, maar wel aan verschillende criteria van meerdere persoonlijkheidsstoornissen voldoen, kan de classificatie persoonlijkheidsstoornis NAO gebruikt worden. Meestal wordt deze diagnose gesteld als mensen in totaal tien criteria hebben van de verschillende stoornissen. Bovendien moet iemand duidelijk lijden onder de klachten en moet de stoornis negatieve gevolgen hebben voor het functioneren in werk en relaties. De persoonlijkheidsstoornis NAO komt veel voor; vaak hebben mensen net niet zoveel criteria dat ze aan één persoonlijkheidsstoornis voldoen, maar is wel duidelijk dat ze lijden onder hun klachten en dat deze klachten heel negatief werken op hun omgeving. Als je dan goed onderzoek doet, blijkt dat ze een aantal klachten en symptomen hebben van verschillende persoonlijkheidsstoornissen en dan kan de diagnose persoonlijkheidsstoornis NAO worden gesteld. Bij de behandeling wordt dan vaak gekeken uit welk cluster (cluster A, B of C, zie blz. 19) de meeste symptomen voortkomen en wordt de behandeling allereerst daarop gericht. |
Waarom ben je zo? Mensen met een persoonlijkheids stoornis gedragen zich in de regel niet vreemd. Ze zijn niet in de war of erg somber, ze praten en handelen hetzelfde als meeste mensen. Toch hebben ze een ernstig probleem, omdat hun aandoening hun hele persoon treft. Tegelijkhertijd ervaren ze de aandoening vaak niet als een stoornis. |







