Auteur:
Dr. Moniek Thunnissen
 


lettergrootte: A  A  A
Oorzaken en risicofactoren

 
Het is niet zo eenvoudig te zeggen waar een persoonlijkheidsstoornis door veroorzaakt wordt. Meestal gaat het om een combinatie van een aantal oorzaken of risicofactoren. Wel wordt steeds duidelijker dat aangeboren factoren een rol spelen, maar niet allesbepalend zijn. Naast de aangeboren aanleg spelen ook zaken in de opvoeding mee en daarnaast negatieve levenservaringen zoals trauma´s.
De aangeboren factoren zijn belangrijk, maar tegelijk is hun invloed niet altijd even groot. Datgene wat iemand meemaakt in haar of zijn leven kan de aangeboren aanleg versterken of juist verzwakken. De ervaringen kunnen als het ware de genetische aanleg aanzetten of uitgeschakeld laten.
Om de verschillende invloeden van enerzijds de aangeboren en anderzijds de omgevingsfactoren te kunnen onderscheiden, wordt vaak gebruikt gemaakt van onderzoek bij geadopteerde kinderen. Deze hebben namelijk de erfelijke eigenschappen van hun biologische ouders, maar omdat ze in een adoptiegezin opgroeien, hebben ze een andere omgeving. Als het bijvoorbeeld kinderen betreft van een schizofrene moeder, kunnen we nagaan hoe groot de kans is dat deze kinderen schizofrenie ontwikkelen als ze bij hun eigen moeder opgroeien (en dus erfelijkheid en omgeving samengaan) en hoe groot die kans is als ze bij adoptieouders opgroeien (waarbij er alleen sprake is van de erfelijke aanleg, maar van een andere omgeving). Dan blijkt dat als deze kinderen opgroeien in een stabiel gezin, de kans dat zij schizofrenie krijgen niet groter is dan bij kinderen die opgroeien in een gemiddeld gezin. Als deze geadopteerde kinderen echter opgroeien in een instabiel gezin met ouders die zelf ook lijden aan een psychiatrische stoornis, dan is de kans dat ze schizofrenie krijgen veel groter, ongeveer net zo groot als wanneer ze bij hun eigen schizofrene moeder waren opgegroeid.

Aangeboren risicofactoren
Voor een deel – en men gaat ervan uit dat dat voor persoonlijkheidstrekken in 40 tot 50% van de gevallen zo is – zijn persoonlijkheidsstoornissen aangeboren. Het gaat dan vooral over het temperament en de mate waarin iemand gevoelig is voor stress. Al in de kraamkamer van een ziekenhuis is, in de manier waarop de baby’tjes huilen, zichtbaar hoe verschillend het temperament van kinderen is. Ook bij heel kleine kinderen is duidelijk hoe groot de verschillen al zijn. Geen enkel kind vindt een teleurstelling leuk, maar het ene kind kan bijvoorbeeld dagen blijven mokken als een uitstapje onverwacht niet doorgaat, terwijl een ander kind begrijpt dat het geen goed weer is om naar de Efteling te gaan en tevreden is met het huren van een dvd in plaats daarvan en de belofte om een paar weken later te gaan.
Wat bedoelen we nu als we het hebben over temperament? Vaak onderscheiden we de hierna genoemde vijf persoonlijkheidstrekken (ook wel de ‘Big Five’ genoemd, zie achter in het boek bij de testen). In de voorbeelden wordt gesproken over kinderen; de persoonlijkheidstrekken gelden echter ook voor volwassenen.

Extravert versus introvert
Is een kind van nature geneigd om zich in gezelschap van anderen te uiten, of juist om zich terug te trekken? Speelt een kind graag met anderen of liever alleen? Komt een kind met allerlei verhalen uit school of duikt hij het liefste in een boekje en moet je elke zin uit hem trekken? Is een kind spontaan en enthousiast ten opzichte van anderen, of juist verlegen en in zichzelf gekeerd? Wil het graag op de voorgrond staan of liever aan de zijlijn? Is het actief en energiek of eerder rustig en stilletjes?

Emotioneel stabiel versus labiel en neurotisch
Als het om emoties gaat, gebruiken we de woorden labiel versus stabiel. Is een kind bijvoorbeeld snel van slag door onverwachte gebeurtenissen? Daarbij kan het gaan om allerlei vormen van stress, maar ook om meer gewone zaken, zoals veel drukte of ruzie in het gezin of een onregelmatig patroon in voeding en rust. Maar het kan ook om ernstige stress gaan, zoals mishandeling. Reageert een kind angstig op harde geluiden, op een korte afwezigheid van moeder, of kan een kind veranderingen redelijk rustig verdragen? Ook hierin zijn er van nature grote verschillen tussen kinderen. Sommige kinderen durven tot in hun puberteit geen nachtje te logeren bij anderen, laat staan een week op ponykamp omdat ze zo’n verschrikkelijke heimwee hebben. Andere kinderen hebben er al heel jong geen moeite mee om regelmatig bij opa en oma of vriendjes te gaan logeren. Sommige kinderen zijn heel snel in de war, bijvoorbeeld al als de ouders opeens hun stem verheffen. Andere kinderen blijven rustig en kalm ondanks stress en drukte om hen heen. Verwaarlozing, mishandeling, pesten is voor geen enkel kind goed. Vaak zal dit, zelfs bij een kind dat van aanleg redelijk stabiel is, toch leiden tot allerlei stressreacties, en mogelijk later tot persoonlijkheidsproblemen.

Gewetensvol en zorgvuldig versus impulsief, laks en asociaal
Bij kleine kinderen is al duidelijk of ze zich kunnen inleven in anderen en of ze zich kunnen schamen of schuldig kunnen voelen over hun gedrag. Over het algemeen zijn kinderen te corrigeren in hun gedrag. Als ze weten dat hun ouders het niet fijn vinden als ze met hun schoenen op de bank klimmen, of als ze zonder vragen koekjes of snoepjes pakken, lukt het vaak met meer of minder moeite om het kind storend gedrag af te leren. Bij sommige kinderen lijkt het echter alsof ze niet gevoelig zijn voor anderen, of dat het hen niets kan schelen of hun ouders boos of verdrietig zijn als ze bepaalde dingen doen. Ze lijken ook geen schaamte te kennen als ze iets verkeerd gedaan hebben. Of ze lijken geen schuldgevoel te hebben als ze bijvoorbeeld iets kapot gemaakt hebben (soms liegen deze kinderen ook knalhard, zelfs als de ouders zeker weten dat zij het gedaan hebben).
Ook is er een verschil tussen kinderen die heel precies en ordelijk zijn, geneigd om maar één speelgoedje tegelijk uit de kast te pakken en daarmee rustig te spelen, of kinderen die zich op de bak met speelgoed storten, alles omkieperen en maar korte tijd met hetzelfde speeltje bezig kunnen blijven.

Vriendelijk en inschikkelijk versus vijandig
Heeft een kind een vriendelijke houding ten opzichte van de buitenwereld of een afwerende, vijandige houding? Zal het zich gemakkelijk aanpassen als er eisen gesteld worden of zich eerder verzetten, een driftbui krijgen en van zich af gaan slaan of schoppen? Is het makkelijk om het kind te paaien met een koekje of een aai over zijn bol als je iets gedaan wil krijgen, of is het woordje ‘nee’ de meest voorkomende reactie van het kind? Zal het geneigd zijn om anderen te vertrouwen en ervan uitgaan dat de ander goede bedoelingen heeft of juist niet? Is het zorgzaam en behulpzaam naar anderen of afwerend?

Openheid voor nieuwe ervaringen, creativiteit versus traditionaliteit en rigiditeit
Is het kind nieuwsgierig en avontuurlijk, of wil het niets weten van nieuwe, onbekende ervaringen? Heeft het kind een levendige, creatieve fantasie of bedenkt het weinig vanuit zichzelf? Staat het open voor emoties en veranderingen of liever niet?

Bij al deze factoren die met temperament te maken hebben, is de manier waarop de ouders of andere opvoeders reageren van groot belang. Ouders kunnen het aangeboren temperament van hun kind versterken of juist afzwakken. Hierbij is ook de ‘matching’ tussen ouder en kind van groot belang: passen ze bij elkaar, voelen ze elkaar goed aan of werkt het kind op de ouder als een rode lap op een stier? Kinderen met een heftig temperament hebben vaak ook ouders met dergelijke trekken.
Een kind met een introverte aanleg dat in een onrustige omgeving opgroeit, zal wellicht meer last hebben van deze karaktertrek dan eenzelfde kind dat in een stabiele omgeving opgroeit. Neem het voorbeeld van een in aanleg introvert kind wiens vader bij een internationaal bedrijf werkt en vaak moet verhuizen. Dit kind heeft meer kans om last te krijgen van zijn introvertheid, dan wanneer zijn ouders op één plaats blijven wonen en deel uitmaken van een veilige, bekende gemeenschap.
Een kind met een labiele aanleg zal er veel meer last van hebben als zijn ouders weinig structuur en regelmaat in hun dagprogramma hebben, dan een kind dat bij zijn geboorte een stabielere aanleg heeft meegekregen. Een heel ordelijk, dwangmatig kind kan het moeilijk hebben met een jonger broertje dat steeds zijn speelgoed door elkaar gooit.
Wanneer kinderen geboren worden, zijn hun hersenen nog lang niet volgroeid. Bij de geboorte past het hoofdje van de baby nog net door het baringskanaal van de moeder. Als de hersenen, en dus het hoofdje, nog veel groter zouden worden, zou het kind simpelweg niet geboren kunnen worden! Dit betekent dat kinderen de eerste jaren van hun leven heel kwetsbaar zijn en absoluut niet kunnen overleven zonder de zorg van hun ouders. Hun lichaam maakt niet alleen aan de buitenkant, maar ook vanbinnen een heel wezenlijke groei door, en dat geldt vooral voor de hersenen. Deze zijn bij de geboorte slechts gedeeltelijk aangelegd, en moeten zich nog voor ongeveer tweederde ontwikkelen. De vroege ervaringen in de opvoeding en het leven bepalen hoe dat zal verlopen.

Risicofactoren in de opvoeding
Voor de ontwikkeling van de baby tot een gezonde volwassene is de vroege hechting aan de ouderfiguren van essentieel belang. Gelukkig wekken de meeste baby’s bij iedereen vertedering op, zijn de meeste ouders gewoon dol op hun kindje en vinden ze het de mooiste baby van de hele wereld. Als dit niet zo zou zijn, is het moeilijk om de totale verzorging op te kunnen brengen die zo’n hulpeloos klein wezentje opeist: ’s nachts eruit, ook als je doodmoe bent, alles opzij zetten als de baby huilt en moet drinken of verschoond moet worden. Voor sommige ouders is het erg wennen, dat ze niet meer hun eigen agenda kunnen beheren en dat hun baby zich niet aan vaste tijden houdt waarop er gevoed en verschoond moet worden. De klacht ‘Ik houd geen minuut voor mezelf meer over’ van sommige nieuwbakken ouders is heel reëel, maar de ene ouder heeft daar meer moeite mee dan de andere.
Al die tijd die de ouders besteden aan hun baby’tje heeft wel een heel belangrijke functie: zo komt er een goede hechtingsrelatie tussen ouder en kind op gang. En die hechting is wezenlijk voor de psychologische, emotionele en sociale ontwikkeling van de baby. In deze hechtingsrelatie kunnen de hersenen namelijk verder groeien en ontwikkelen. In het eerste levensjaar gaat het dan vooral over de rechter hersenhelft, die belangrijk is voor de regie over het emotionele leven.

Reguleren van de eigen affecten
Een van de belangrijkste dingen die een baby moet leren, is het kunnen verdragen en verwerken van onaangename lichamelijke gevoelens zoals honger, kou en pijn, en daarnaast gevoelens als verdriet, woede en angst. Dit verdragen en verwerken noemen we ook wel ‘het reguleren van de eigen affecten’. Vlak na de geboorte kan een baby nog heel weinig zelf, maar wat hij heel goed kan, is aangeven dat hij hulp nodig heeft van een ander. Door te huilen roept hij de ouders naar zich toe en idealiter weten de ouders dan vaak wel wat er gedaan moet worden. Er moet een schone luier worden aangelegd, de baby moet drinken of er is sprake van darmkrampjes die overgaan als de moeder het baby’tje tegen haar schouder legt en zachtjes op zijn rug klopt. De baby merkt dat moeder hem begrijpt en dat het ongemak verdwijnt. Als moeder de baby uit het wiegje pakt, praat ze vaak al tegen het kindje op een troostende, zachte manier, ze lacht, raakt hem liefdevol aan en maakt geluidjes. Zo leert de baby dat huilen helpt: dan komt er iemand en wordt er iets aan zijn ongemak gedaan.
Dit is de eerste stap in het proces waarin de baby leert geleidelijk zelf zijn affecten te reguleren, dus zelf leert om te gaan met onprettige gevoelens. Na verloop van tijd is het horen van de stem van moeder al voldoende om het huilen te doen ophouden omdat de baby weet dat hij zo drinken of een schone luier krijgt. Nog later, als de peuter kan lopen, kan hij zelf naar moeder toe als hij gevallen is en om een kusje op zijn zere knie vragen. Eenmaal volwassen heeft de persoon geleerd om zijn gevoelens serieus te nemen en ofwel zelf aandacht te besteden aan wat hij nodig heeft ofwel aan anderen zorg en aandacht te vragen.
Een veilige hechting tussen baby en opvoeders is essentieel voor de gezonde ontwikkeling. Als een kind veilig gehecht is, ontwikkelt het een positief beeld van zichzelf en van de ander. Hij vertrouwt op de beschikbaarheid van anderen, durft zich kwetsbaar op te stellen en kan nadenken over zichzelf en anderen. Het proces van hechting kan echter ook moeizamer verlopen, en dan kan er een onveilige hechting ontstaan. Kinderen die onveilig gehecht zijn, zullen zich angstig vastklampen aan de ouderfiguren zodat deze het kind nauwelijks alleen kunnen laten. Het kan ook zijn dat ze het tegenovergestelde gedrag vertonen: ze ondernemen geen poging meer om een relatie aan te gaan en zijn afwijzend als de ander contact zoekt.
Hierin is de wisselwerking tussen de aangeboren aanleg, het temperament, en de eerste levenservaringen al zichtbaar. Een kindje dat geboren wordt met een labiel temperament, snel van slag is door onverwachte geluiden of gebeurtenissen, zal meer huilen en daarmee een groter beroep doen op de ouders. De ouders proberen hun kindje te troosten, maar merken dat een schone luier, een flesje, even het kindje oppakken, allemaal niet helpt. Misschien dat het wel helpt om het kindje urenlang in een draagzak heel dicht bij het lichaam van de ouders rond te dragen, maar op het moment dat de ouder het kindje even weg wil leggen, begint het misschien weer te huilen. Soms wordt een ouder dan korzelig en geïrriteerd, voelt zich helemaal in beslag genomen door het kind, voelt zich leeggezogen en uitgeput en is jaloers op andere ouders met een veel makkelijker kind. Dit kan ertoe leiden dat de ouders zelf het kind gaan afwijzen en minder openstaan voor wat het kind nodig heeft. Zo kan een negatieve spiraal op gang komen waarbij het kind zich steeds meer gaat vastklampen en nauwelijks meer alleen gelaten kan worden, of waarbij het kind zich ook afkeert van de ouders. In beide gevallen is de hechting ernstig verstoord geraakt.

Mentaliseren
Allereerst leert een baby dus in de eerste periode van zijn leven om zijn eigen gevoelens en emoties te reguleren. Tegelijkertijd komt ook het denken, ofwel de cognitieve ontwikkeling op gang.
Aan het begin van zijn leven beseft de baby nog niet dat er andere mensen zijn, laat staan dat deze een eigen identiteit hebben. Voor een pasgeboren baby komt, als hij huilt, op een wonderlijke manier alles goed: er komt lekkere warme melk, een schone luier, het zachte lichaam van moeder waar hij tegenaan kan liggen. Pas als een baby wat ouder is, gaat hij beseffen dat zijn ouders er niet altijd zijn, dat er soms andere mensen zijn die voor hem zorgen en dat het soms ook even kan duren voordat hij krijgt wat hij nodig heeft. Geleidelijk gaat hij inzien dat de wereld bestaat uit verschillende mensen die een eigen leven hebben en dat niet de hele wereld om hem draait. Hij leert ook dat andere mensen eigen gedachten, wensen en gevoelens hebben, die anders kunnen zijn dan die van hem. Moeder houdt niet van zoete ijsjes maar wel van olijven; moeder weet niet altijd waar hij is en is soms ongerust als hij te ver weggelopen is; moeder weet niet altijd wat hij denkt, hij kan dus geheimen hebben en zelfs jokken!
Het vermogen om te beseffen dat anderen een eigen gedachtewereld hebben die anders is dan die van jezelf, noemen we ‘mentaliseren’. Het kunnen mentaliseren is een belangrijke vaardigheid bij de sociale en emotionele intelligentie. Mensen die goed kunnen mentaliseren, zijn vaardig in het aanvoelen van wat er in de ander omgaat. Ze kunnen verschillen en conflicten hanteren, en ze zijn in staat relaties met anderen aan te gaan en intimiteit te beleven. Niet goed kunnen mentaliseren, leidt vaak tot onbegrip en conflicten in (sociale) relaties: de persoon begrijpt anderen niet, of begrijpt niet dat anderen er niet hetzelfde over denken als hij.

Snoepjes (casus)
Een experiment waaruit duidelijk wordt wat mentaliseren is, is het volgende: een kind van 3 jaar wordt door de onderzoeker gevraagd wat er in een bepaald doosje zit. Het is een doosje snoepjes van een merk dat het kind graag eet, en hij zegt dan ook gretig: ‘Snoepjes.’ Maar helaas, als hij het doosje openmaakt, zitten er potloodjes in. Vervolgens vraagt de onderzoeker wat zijn vriendje, die nog op de gang staat, zal zeggen als ze aan zijn vriendje zullen vragen wat er in het doosje zit. ‘Potloodjes,’ zegt het jongetje. Omdat hij inmiddels weet dat er potloodjes in zitten, denkt hij dat zijn vriendje dat ook wel zal weten – terwijl zijn vriendje dat natuurlijk niet kán weten. Een iets ouder kind, van bijvoorbeeld 7 jaar, zal wel zeggen dat zijn vriendje ‘Snoepjes’ zal antwoorden, en zal samen met de onderzoeker pret hebben dat ze zijn vriendje voor de gek gaan houden.

Zelfbeeld
Zo ontwikkelt een kind stilaan zijn persoonlijkheid in de hechtingsrelatie met de ouders en via vaardigheden als het reguleren van affecten en mentaliseren. In dit hele proces is er steeds sprake van een wisselwerking tussen de aanleg van het kind en de vroege ervaringen die hij meemaakt. Als een kind vooral positieve ervaringen opdoet, zullen zowel het beeld van zichzelf als dat van de ander positief gekleurd zijn. Hij treedt vol vertrouwen de wereld tegemoet en verwacht dat anderen aardig zijn. Vaak wordt dit een zichzelf versterkend proces: anderen doen inderdaad aardig en vinden hem een leuk kind, en het kind wordt bevestigd in zijn vertrouwen in de wereld. Hij gaat zich veilig hechten, niet alleen aan zijn ouders, maar ook aan andere gezinsleden, aan vriendjes en hun moeders, aan onderwijzers en anderen om zich heen.
Doet een kind echter vooral negatieve ervaringen op in de eerste levensjaren, dan kan dit leiden tot een negatief beeld van zichzelf, van de ander of allebei. Dan gaat het kind de wereld schuchter of wantrouwend tegemoet treden, met als gevolg dat hij meer negatieve reacties oproept bij anderen: ‘Doe eens niet zo verlegen’, of: ‘Waarom zit jij weer in een hoekje’, of: ‘Altijd moet jij ruzie maken en vervelend doen’. Er is dan kans op een negatieve spiraal, waarbij het kind niet alleen thuis maar ook op school en met vriendjes vaak in onprettige situaties terechtkomt en het negatieve beeld van zichzelf en anderen versterkt wordt. Het blijkt bijvoorbeeld dat verlegen, onhandige kinderen met een slecht zelfbeeld gemakkelijker het slachtoffer worden van pesten op school.

Als het goed is, ontstaat er in de loop van het leven een vrij constant, stabiel zelfbeeld, waardoor mensen zichzelf kunnen beschrijven. Bijvoorbeeld: ‘Ik ben een vrouw van 30 jaar, houd van gezelligheid en ben graag onder de mensen. Toch kan ik ook wel genieten van alleen zijn; na een drukke dag op mijn werk bijvoorbeeld, vind ik het heerlijk om op de bank naar een detectivefilm op tv te kijken.’

Basale assumpties
Het zelfbeeld bestaat uit alle gedachten en gevoelens die iemand over zichzelf heeft en van waaruit hij zich op een bepaalde manier gedraagt in de wereld. De gedachten die mensen hebben over zichzelf, over anderen en de wereld worden ook wel ‘basale assumpties’ genoemd. Het zijn de uitgangspunten die iemand hanteert als hij denkt over zichzelf, over anderen of over het leven. Deze uitgangspunten zijn zo gewoon en vertrouwd, dat mensen zich hier nauwelijks van bewust zijn. Soms denken ze ook dat iedereen op dezelfde manier over de dingen denkt als zij zelf en realiseren ze zich niet dat hun manier van denken misschien wel tamelijk afwijkend is. Soms beseffen ze wel dat anderen verschillend over dingen denken, maar zijn ze het fundamenteel niet eens met die anderen en geloven ze in hun eigen gelijk.
Zolang de basisassumpties kloppen met de situatie waarin iemand zich bevindt, is er meestal geen probleem. Maar het kan voorkomen dat mensen op een bepaald moment in hun leven last krijgen van deze gedachten. Vaak blijkt dan dat hun gedachten wel pasten bij de situatie waarin zij vroeger opgroeiden, maar nu niet meer functioneel zijn en dan tot problemen leiden.

Bijvoorbeeld: als een kind opgroeit in een situatie waarin hij mishandeld, misbruikt of verwaarloosd wordt, kan hij dit alleen maar overleven met behulp van bepaalde basale assumpties. De ‘normale’ ontwikkeling om volwassenen en vooral de ouders te vertrouwen en zich veilig te hechten, raakt verstoord. Het kind gaat andere besluiten nemen, zoals: ‘Niemand is te vertrouwen, de wereld is gevaarlijk, ik ben sterk en de enige op wie ik aan kan ben ik zelf.’ Vaak is zo’n kind niet gelukkig en heeft hij niet veel vrienden, maar met deze basale assumptie heeft hij een manier gevonden om te kunnen begrijpen en verdragen waarom zijn ouders hem zo behandelen. Eenmaal volwassen zal deze persoon wantrouwend en eenzaam in de wereld staan. Als hij een beroep kiest waarin dit wantrouwen goed van pas komt, bijvoorbeeld bij een bewakingsdienst, kan hij zich soms redelijk staande houden. Vaak krijgt hij wel problemen in langdurige, intieme vriendschappen en relaties, en ook in contacten met collega’s omdat hij ook daarin moeite heeft om de ander te vertrouwen.

Cognitieve schema’s
De basale assumpties gaan over kernthema’s in het leven van iedereen: eenzaamheid, wantrouwen of vertrouwen, afhankelijkheid en kwetsbaarheid, minderwaardigheid, mislukken of slagen, aanpassing of autonomie. Op basis van deze basale assumpties gaan mensen gedachten ontwikkelen, ook wel ‘cognitieve schema’s’ genoemd, die voor de persoon heel normaal en vertrouwd zijn, maar in de omgang met hun omgeving tot problemen kunnen leiden. Bij mensen met een persoonlijkheidsstoornis versterken of bevestigen de cognitieve schema’s in het dagelijks leven vaak het negatieve beeld van zichzelf en/of van de ander. Hun cognitieve schema’s worden gekenmerkt door zwart-witdenken en generaliseren: ‘Iedereen is tegen mij’ of ‘Ik heb een onvoldoende gehaald, dus ik ben dom’. Ze gaan vaak uit van catastrofes: ‘Natuurlijk wordt mijn verjaardagsfeestje een ramp’, of beschouwen hun emoties als feiten, en kunnen dan niet even afstand nemen en een verschil maken tussen voelen, denken, gedrag en feiten: ‘Ik schaam me, dus ik heb iets verkeerd gedaan’ of ‘Ik ben bang, dus er is gevaar.’ Soms vullen ze de gedachten van anderen in: ‘Hij zegt mij niet goedendag, dus hij heeft een hekel aan mij’, of betrekken van alles op zichzelf: ‘Mijn moeder voelt zich eenzaam en dat is mijn schuld’. Het is duidelijk dat mensen in hun contacten met anderen gemakkelijk problemen of conflicten krijgen als ze dergelijke overtuigingen laten blijken of zich erdoor laten leiden.
De cognitieve schema’s hangen nauw samen met emoties: iemand die denkt dat anderen tegen hem zijn, voelt zich vaak angstig of boos; iemand die denkt dat hij dom is, voelt zich minderwaardig aan anderen. Zo vormen de cognitieve schema’s en hun bijbehorende emoties een belangrijk element in de persoonlijkheid.
De hersenen groeien, zoals eerder gezegd, na de geboorte nog steeds. De hierboven beschreven ontwikkelingen op emotioneel en cognitief gebied worden vastgelegd in de zenuwverbindingen die na de geboorte ontstaan. Door de vroege ervaringen in het leven gaan zich zenuwbanen en circuits in de hersenen ontwikkelen, als een soort blauwdruk voor de persoonlijkheid.
Bij de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen wordt veel aandacht geschonken aan deze cognitieve schema’s die we ook wel ‘disfunctionele gedachten’ noemen, gedachten die niet -functioneel zijn, dat wil zeggen: niet leiden tot autonomie, groei en gezondheid. Hoewel mensen in de omgeving van de persoon met een persoonlijkheidsstoornis zien dat deze gedachten disfunctioneel zijn en begrijpen hoe de persoon juist door de schema’s in moeilijkheden komt, ervaart de persoon zelf deze schema’s vaak als terecht en reëel. Juist daardoor zijn de schema’s vaak moeilijk te veranderen en zal in een therapie eerst een therapeutische relatie opgebouwd moeten worden. Pas als de persoon leert dat andere mensen te vertrouwen zijn, kan hij langzaam de eigen schema’s onder de loep nemen en onderzoeken of het klopt dat hij door deze schema’s vaak problemen heeft in relaties en werk.

Zijn de ouders dan de schuld?
Uit alles wat hiervoor beschreven is, kan het beeld ontstaan dat mensen die een persoonlijkheidsstoornis ontwikkelen, slechte ouders hebben gehad en dat deze ouders de oorzaak zijn van de stoornis van hun kind. Dat beeld is niet terecht, het is veel ingewikkelder dan dat.
Het is zeker zo dat ouders soms niet in staat zijn om hun kinderen op een goede manier op te voeden. Dat is vaak geen onwil of bewuste opzet, maar eerder onvermogen. Soms hebben de ouders zelf geen goed voorbeeld gehad van hun eigen ouders. Seksueel misbruik blijkt soms al generaties gaande te zijn. Soms staan ouders zelf zwak in hun schoenen en hopen ze dat de geboorte van een kind een aantal van hun problemen zal oplossen – waarbij ze zich niet realiseren dat het opvoeden van een kind niet alleen een fijne, maar ook een zware taak is. Soms maken ouders dingen mee waardoor ze minder goed ouder kunnen zijn dan ze zouden willen – het overlijden van hun partner of van hun eigen ouders van wie ze gehoopt hadden steun te ondervinden bij de opvoeding, onverwachte financiële problemen of een echtscheiding waardoor ze alleen voor de opvoeding komen te staan.
Soms is ook de match, de combinatie van ouders en kind niet gelukkig. Neem ouders die graag een geordend, gestructureerd bestaan willen leiden en dan een heel temperamentvol kind krijgen dat voortdurend aandacht vraagt. Tussen hen kan er een negatieve spiraal ontstaan waarbij de ouders steeds negatiever op hun kind gaan reageren en het kind steeds vaker op een negatieve manier aandacht vraagt. Andersom zien we dit net zo goed bij ouders die veel reisden en een avontuurlijk bestaan leidden voordat ze kinderen hadden, en hoopten dat ze ook met kinderen nog regelmatig actieve vakanties ver weg in het buitenland konden doorbrengen. Als deze mensen een kind krijgen dat heel angstig is en snel heimwee krijgt, kan eenzelfde negatieve spiraal ontstaan. De ouders willen graag verre reizen maken en het kind wordt alleen maar ziek, kan niet tegen een tropisch klimaat en voelt zich heel ongelukkig in een ver land in Afrika of Azië, en is veel blijer met een weekje Centerparcs. Opvoedingsprogramma’s op tv maken duidelijk dat dit soms ernstig uit de hand kan lopen waarbij goedwillende ouders met een temperamentvol kind elkaar tot razernij en wanhoop weten te brengen.

Risicofactoren in de omgeving
Het is duidelijk dat levenservaringen een enorme invloed kunnen hebben op de persoonlijkheidsontwikkeling. Ook hierbij gaat het vooral om de wisselwerking tussen de aangeboren aanleg en de levensgebeurtenis. Het overlijden van een van de ouders als het kind nog jong is, zal altijd een traumatische invloed hebben, maar toch zal het ene kind hier gevoeliger op reageren dan het andere. Een redelijk stabiele, voorspelbare, rustige omgeving is voor elk kind goed, maar toch zal een extravert, weinig angstig, geremd of dwangmatig kind minder moeite hebben met grote wisselingen in de omgeving dan een introvert, angstig, geremd kind met een dwangmatige aanleg.
Ook hierbij is er vaak sprake van een zichzelf versterkend proces: een verlegen kind met een lichamelijke handicap loopt kans om gepest te worden op school, wat de verlegenheid nog versterkt. Een meer extravert kind met dezelfde handicap zal misschien minder pestgedrag uitlokken of beter met het pesten kunnen omgaan. Het blijkt dat mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis meer nare ervaringen meemaken in hun leven dan de gemiddelde persoon. Dit lijkt deels te komen doordat zij -situaties opzoeken waarin de kans op negatieve ervaringen groter is en deels omdat zij soms een intern waarschuwingssignaal lijken te missen en daardoor vaak in aanraking komen met mensen die misbruik van hen maken of hen negatief bejegenen.

(casus)
Een ervaring uit een blijf-van-mijn-lijfhuis kan als voorbeeld hiervan dienen: in zo’n huis verblijven vrouwen die allen weggelopen zijn bij een man die hen mishandelde, lichamelijk en/of emotioneel. Een van deze vrouwen had een nieuwe partner ontmoet en was -helemaal weg van hem; hij was zo anders dan haar vorige partner die haar ernstig mishandelde. Totdat ze een foto van hem liet rondgaan en een van de vrouwen uitriep: ‘Maar dat is mijn ex!’

Wanneer leidt een levenservaring tot traumatisering? Er is sprake van traumatisering als de gebeurtenis niet verwerkt raakt, geen plek gekregen heeft. De persoon blijft eraan denken, heeft regelmatig onaangename herinneringen of associaties, vermijdt prikkels die aan de gebeurtenis doen denken en is verhoogd prikkelbaar of waakzaam. Het stresssysteem blijkt ontregeld, het lichaam blijft in de stand van verhoogde waakzaamheid zodat de gebeurtenis niet verwerkt wordt en dus geen plaats krijgt in het langetermijngeheugen. De persoon komt niet terug in de ‘normale situatie’ en dit kan ertoe leiden dat er minder energie en hersenactiviteit over is voor het normale leren en het geheugen.
Als we het over traumatisering hebben, gaat het meestal om herhaalde of chronische trauma’s. Dan gaat het niet om die ene tik of dat ene pak slaag als vader een keer doodmoe van zijn werk komt na een dag vol stress, maar om het dag in dag uit negatief bejegend en gepest worden. Dit kan thuis spelen: vernederd, verwaarloosd en gekleineerd worden door de ouders of – vaak oudere – broers en zussen. Het kan ook gaan om pesten op school. Zeker als dat lange tijd doorgaat, kan het een funeste invloed hebben op de ontwikkeling van het kind. Bovendien is er vaak geen veilige volwassene in de buurt waar het kind bij terecht kan. Dergelijke situaties kunnen ertoe leiden dat een kind chronisch getraumatiseerd raakt. Het gevolg is de ontwikkeling van een negatief zelfbeeld en disfunctionele cognitieve schema’s. Daarnaast kan de chronische traumatisering leiden tot slechtere prestaties op school en ontstaat ook hierin het gevaar dat het kind in een negatieve spiraal terechtkomt: het kind krijgt vaak op zijn kop omdat het niet oplet, huiswerk slecht gemaakt heeft en proefwerken slecht maakt. Het kind krijgt weinig complimentjes en positieve aandacht, wat het gevoel een mislukkeling te zijn alleen maar versterkt.
Als er wel een veilige volwassene in de buurt is waar het kind op kan terugvallen – en dit kan ook de moeder van een vriendje, tante of onderwijzeres zijn – is het ook mogelijk dat het kind ondanks negatieve levenservaringen, veerkracht (‘resilience’) ontwikkelt waarmee hij leert om moeilijke situaties het hoofd te bieden. Dan kan het zelfbeeld en het beeld van anderen toch -positief blijven en ontwikkelt het kind geen disfunctionele cognitieve schema’s, maar besluit het bijvoorbeeld ‘mijn ouders kunnen niet goed genoeg voor mij zorgen, maar dat betekent niet dat ik een slecht kind ben’.




terug verder




Zusje van mijn zusje


e-book

Auteur(s) : Maya Lievegoed
Prijs : € 16,99
ISBN : 9789491549212