Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
dr. Wiebe Braam
 


lettergrootte: A  A  A
De samenstelling van propolis

 
Verse propolis is een kleverige, geelbruine of roodbruine, harsachtige stof. Wat oudere propolis is vrij hard en heeft een donkerder bruine tot soms zwarte kleur. Propolis heeft de aangename, karakteristieke geur van populieren of berken, honing en was, waardoor het gemakkelijk te herkennen is. Wanneer je die geur eenmaal kent, kun je deze in april, als de knoppen van de bomen op springen staan, in het bos ruiken.
Propolis is een ingewikkeld mengsel van diverse natuurlijke stoffen. Met behulp van de moderne, chemische analysemethoden (dunnelaagchromatografie, kolomchromatografie en gaschromatografie) is, vooral in de afgelopen vijftien jaar aangetoond dat propolis meer dan 300 verschillende stoffen bevat (Viuda-Martos 2008). Meestal gaat het om chemische stoffen die vanuit het onderzoek bij planten en bomen al langer of korter bekend waren. Ook de functie van die stoffen is goeddeels bekend.
Tot 1970 was er over de samenstelling van propolis weinig bekend. Men hield het op een mengsel van harsen en was, met daarin etherische (vluchtige) oliën en flavonoïden (plantaardige kleurstoffen), vitaminen en mineralen. Die samenstelling was al in 1908 door Bohrisch in een Duits medisch tijdschrift gepubliceerd. In de jaren hierna is er aan die lijst kennelijk weinig toegevoegd. Dat is niet zo verwonderlijk, want men was in die jaren nog niet in staat om de verschillende bestanddelen van propolis aan de harsachtige substantie te onttrekken. Inmiddels zijn er betere manieren gevonden om propolis op te lossen, waardoor het met behulp van de moderne, chromatografische methoden mogelijk is geworden meer stoffen in propolis te ontdekken.
In 1969 werden al de eerste zes flavonoïden ontdekt. Toch werd op het wereldcongres van bijenhouders (Apimondia) in 1975 door -Nikolaev nog steeds dit eenvoudige rijtje genoemd, dat. heden ten dage nog steeds in populaire boekjes en reclamefolders over propolis te vinden is. Uitgebreide informatie over de samenstelling van propolis is later beschreven door Marcucci (1995) en Papotti (2011).

Samenstelling van propolis naar Nikolaev (1975):
  • 55 procent harsen
  • 30 procent was
  • 10 procent etherische oliën
  • 5 procent pollen
  • sporen, vitaminen en mineralen.

Propolis bestaat voor het grootste deel uit harsen. Wanneer propolis in een sterk geconcentreerde, alcoholische oplossing wordt gedaan, lost een groot deel ervan op (balsem). De onoplosbare was zakt naar de bodem.

In propolis-balsem (ook wel propolis-extract of propolis-tinctuur genoemd) bevinden zich de volgende bestanddelen:
  • etherische oliën
  • flavonoïden
  • lipoïden
  • eiwitten
  • suikers
  • vitaminen
  • mineralen.
 

Etherische oliën
In planten komen diverse stoffen voor die een kenmerkende geur bezitten, en die daarom ook wel aromatische stoffen worden genoemd. Uit bepaalde plantendelen kan men een geurende olie winnen. De vluchtige olie waarin zich geurstoffen bevinden, wordt etherische olie genoemd. Deze oliën worden onder meer gebruikt als geur- en smaakstoffen in de voedingsmiddelenindustrie, maar ook voor het maken van cosmetica en geneesmiddelen.
Van de door bijen uit bomen en planten gehaalde aromatische verbindingen zijn er inmiddels 31 in propolis aangetoond. Vaak is precies bekend uit welke boom de bijen dit halen. Een aantal van de in propolis gevonden aromatische stoffen werd al lang gebruikt als geurstof, bijvoorbeeld kaneelzuur en vanilline.
Van de aromatische verbindingen in propolis heeft een achttal een goede werking tegen bacteriën en schimmels. Dit zijn onder meer benzoëzuur, caffeïnezuur, eugenol, ferulazuur, pterostilbeen en sorbinezuur. Benzoëzuur wordt gebruikt als conserveringsmiddel, bijvoorbeeld in margarine tegen het ranzig worden door boterzuurbacteriën en in vruchtendrank tegen schimmelvorming. Ook sorbinezuur wordt in de voedingsmiddelenindustrie als conserveringsmiddel gebruikt.
Andere bestanddelen van de etherische oliën zijn anethol, -bisalodeen (bestanddeel van bergamotolie), borneol (wordt wel gebruikt bij de bestrijding van motten), cumarinezure benzyl ester (heeft waarschijnlijk een licht bloedverdunnend effect), farneol (de geurstof uit -lelietjes van dalen), nerolidol en pineen.
 

Flavonoïden
De flavonoïden vormen een grote groep van gele pigmenten (kleurstoffen) die voorkomen in de bladeren van bomen en planten en in de harsen op de knoppen van bomen. De samenstelling van de flavonoïden verschilt per boomsoort. Het lijkt wel alsof de bijen precies die bomen herkennen waarvan de samenstelling van de flavonoïden het best past bij hun behoefte. Uit onderzoek is gebleken dat de flavonoïdensamenstelling van propolis het meest overeenkomt met die van de knoppen van de populier en de berk. Merkwaardig is wel dat in de knoppen van deze twee boomsoorten enkele flavonoïden aanwezig zijn, die niet in propolis zijn teruggevonden. Er wordt daarom wel gedacht dat deze door de enzymen van de bijen worden omgezet in andere, voor de bij nuttiger flavonoïden.
Propavko (1978) is de belangrijkste onderzoeker van flavo-noïden in propolis. In 1969 ontdekte hij acacetine, kaempferide, pinostrobine en rhamnocitrine. In de jaren daarna ontdekte hij in het Instituut voor de chemie van de natuurlijke stoffen in de Sovjet Unie nog negen andere flavonoïden.
Ook Schneideweind (1975), verbonden aan de Lutheruniversiteit in Halle aan de Saale (Oost-Duitsland), heeft belangrijk onderzoek naar de flavonoïden in propolis verricht. Hij ontdekte flavonoïden, waaronder -pectolinarigenine, pinobanksine, 3-acetyl-pinobanksine en sakurantine.
Inmiddels zijn er 26 verschillende flavonoïden in propolis ontdekt. De belangrijkste hiervan zijn, behalve de hiervoor genoemde, -apigenine, chrysine, galangine, luteoline, pinocembrine, pinostrobine, quercetine en tectochrysine. De meeste hiervan zijn natuurlijk werkzame antibiotica tegen bacteriën, virussen en/of schimmels. Sommige hebben een krampstillende werking, bevorderen de galafvloed of zijn pijnstillend. Ook andere effecten van flavonoïden zijn beschreven, zoals het remmen van ontstekingsreacties, het stimuleren van de vorming van antistoffen en het bevorderen van de groei. Door een gunstige invloed op de bloedvaten en de rode bloedcellen gaan ze het ontstaan van slagaderverkalking en trombose tegen.
Onlangs is door König (1985) een nieuwe groep flavonoïden ontdekt; de caffeoylics. Deze zouden een goede werking tegen virussen bezitten. Meer informatie hierover ontbreekt echter nog. De geneeskrachtige werking van propolis is zonder twijfel voor het belangrijkste deel te danken aan de flavonoïden. De eigenschappen van de verschillende flavonoïden zijn in het laboratorium door diverse wetenschappers onderzocht en aangetoond. Daarbij is ook duidelijk geworden dat de verschillende bestanddelen van propolis niet slechts afzonderlijk werkzaam zijn, maar vaak elkaars werking versterken.

Lipoïden
Lipoïden is de verzamelnaam voor een zeer heterogene groep van in de natuur voorkomende, vetachtige verbindingen. De in propolis aanwezige bijenwas is zo’n natuurlijke, vetachtige verbinding. Slechts een klein deel ervan is in alcohol oplosbaar. Het meeste blijft bij het maken van propolis als tinctuur op de bodem achter en wordt verwijderd. Na verloop van tijd kunnen zich alsnog kleine wasdeeltjes vormen, die zich dan in het flesje als bruine wolkjes op de wand afzetten. Alleen de vetachtige stof myristinezuur blijft in oplossing.
Maciejewicz heeft aangetoond (1984) dat er zich in propolis nog andere lipoïden bevinden, namelijk de steroïden chalinasterol, -fuctosterol, en stigmasterol. Steroïden zijn een grote groep van vet-achtige stoffen, waartoe onder meer cholesterol, vitamine D en diverse hormonen behoren. Het is vooralsnog onduidelijk wat de kleine hoeveelheden steroïden in propolis voor betekenis hebben. Waarschijnlijk -hebben ze bij de mens geen effect.
 

Eiwitten
Propolis bevat een geringe hoeveelheid eiwitten die zijn opgebouwd uit een aantal aminozuren. Uit een analyse van Derevici (1978) blijkt dat het om acht verschillende aminozuren gaat: fenylalanine, leucine, tryptofaan, alanine, asparaginezuur, glutaminezuur, glycine en serine. De eerste drie hiervan zijn essentiële aminozuren. Dat betekent dat het om eiwitstoffen gaat die de mens niet zelf kan maken, maar via de voeding moet binnenkrijgen.
De hoeveelheid aminozuren in propolis is te gering om een substantiële bijdrage aan onze eiwitbehoefte te leveren. Maar dat wil niet zeggen dat de aminozuren in propolis geen bijdrage aan de werking van propolis bij sommige ziekten kunnen leveren.


Suikers
Dat er in propolis ook een beetje suiker zit, zal niemand verbazen. Propolis is immers een bijenproduct. Toch is dit nog niet zo erg lang geleden pas door Maciejewicz (1984) ontdekt. Hij kon zeven verschillende suikers aantonen, te weten fructose (vruchtensuiker), glucose (druivensuiker), -gulose, ramnose, sacharose (rietsuiker), sorbitol en talose. Veel waarde hoeft men waarschijnlijk niet aan deze suikers toe te schrijven. De hoeveelheden zijn daarvoor te gering. 

Vitamines
In de diverse juichende reclamefolders over propolis is te lezen dat propolis ‘rijk is aan natuurlijke, actieve vitamines’. Dit is zwaar overdreven reclamepraat, maar er zitten inderdaad wel wat vitamines in propolis. Haydak (1942) heeft daar uitgebreid onderzoek naar gedaan. Hij vond in propolis sporen van de vitamines A, B1, B2, B5, B6, C, E en van nicotinezuur (vitamine PP). De hoeveelheden waren zo klein dat je een ons tot een kilo propolis zou moeten innemen voor je aan de dagelijkse behoefte aan die vitamines hebt voldaan. In wetenschappelijke literatuur over propolis wordt dan ook verder niet meer over vitamines in propolis gerept. 

Spoorelementen
Minerale voedingsstoffen waarvan we maar erg weinig nodig hebben (enkele milligrammen of minder per dag), worden spoorelementen genoemd. Ze zijn onder meer nodig voor de opbouw van vele enzymen en van de weefselcellen. De spoorelementen in propolis zijn dus niet slechts ballaststoffen, maar bezitten een biologische activiteit.
Marinescu (1980) heeft met spectraalanalyse negentien mineralen in propolis aangetoond. Bijna alle voor de mens belangrijke spoor-elementen blijken in propolis aanwezig te zijn. Alleen fluor en jodium ontbreken. De hoeveelheid van de verschillende spoorelementen in propolis is wel betrekkelijk gering. Bij normaal gebruik levert propolis er niet genoeg van op om in de dagelijkse behoefte te voorzien. Maar bij sommige ziekten kan er aan bepaalde spoorelementen een verhoogde behoefte bestaan. De extra hoeveelheid spoorelementen in propolis kan dan een welkome aanvulling zijn.
Marinescu deed door middel van spectraalanalyse ook een -onderzoek naar mineralen in de hars van de knoppen van de populier. Hierin kon hij zeventien van de negentien mineralen aantonen die propolis bevat. De concentratie van de meeste van deze zeventien mineralen was zelfs min of meer gelijk aan die in propolis. Dit wijst er, evenals andere onderzoekingen, op dat in streken waar populieren groeien, deze boom de belangrijkste bron is voor bijen.

Spoorelementen in propolis (Marinescu, 1980):

voor de mens belangrijk:
chroom mangaan selenium vanadium
kobalt molybdeen silicium ijzer
koper nikkel tin zink

voor de mens (waarschijnlijk) onbelangrijk:
aluminium borium titaan
barium strontium zilver 

Regionale verschillen
Niet alle propolis is hetzelfde. Diverse onderzoekers hebben aangetoond dat de samenstelling van propolis per streek verschilt. Dat is ook niet zo verwonderlijk. Afhankelijk van bodemgesteldheid, klimaat en hoogte (laagland of bergen) variëren de boomsoorten. Dit leidt vooral tot verschillen in de samenstelling van met name de etherische oliën. Elk boomtype kent zijn eigen typische geurstoffen. Propolis uit Zuid-Italië bevat bijvoorbeeld etherische oliën uit cypressen. In Nederlandse propolis bevinden zich daarentegen etherische oliën uit populieren en berken en uit eiken, hazelaars en wilgen.
De geneeskrachtige werking van propolis kan voornamelijk worden toegeschreven aan de verschillende flavonoïden die zich daarin bevinden. De knoppen van populieren en berken leveren beide verschillende flavonoïden. De knoppen van populieren en berken leveren beide voldoende van deze essentiële flavonoïden. In de landen waar het belangrijkste onderzoek naar de werking van propolis wordt gedaan (West- en Oost-Europa), zijn beide boomsoorten wijd verspreid aanwezig. De aangetoonde geneeskrachtige werking van propolis geldt dan ook voor de propolis van het ‘populiertype’ het ‘berktype’ en het ‘gemengd populier-berktype’. Ongeveer 95 procent van de Europese propolis behoort tot een van deze drie typen.
Hoewel er in de verschillende Europese landen verschillen kunnen bestaan in de samenstelling van de etherische oliën, is de samen-stelling in de belangrijkste flavonoïden vrij constant. Van propolis uit de landen buiten Europa is veel minder bekend. Deze propolis-typen zijn in elk geval onvoldoende wetenschappelijk onderzocht om hierover iets met zekerheid te kunnen zeggen. Men kan zich dus het beste beperken tot het gebruik van Europese propolis.
Voor de behandeling van allergische aandoeningen is ook de samenstelling van de etherische oliën van belang. Deze dienen een afspiegeling te zijn van die in de ons omringende natuur. In dit geval is dan Nederlandse propolis te verkiezen. Helaas staat dit niet altijd op de verpakking vermeld.
Doordat de samenstelling van propolis uit de diverse wereld-delen erg kan verschillen is het moeilijk om propolis-producten met -elkaar te vergelijken en een soort van standaardisatie te krijgen. Dit maakt het verrichten van wetenschappelijk onderzoek erg moeilijk (Bankova 2005).
 




terug verder




De geneeskracht van propolis


Een praktische gids voor gebruikers en voorschrijvers van propolis.

Auteur(s) : dr. Wiebe Braam
Prijs : € 14,95
ISBN : 9789491549335