Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Dr. J.W.F. Elte en prof dr. Robin Peeters
 


lettergrootte: A  A  A
Afbeeldend onderzoek

Afbeeldend onderzoek
Voor afbeeldend onderzoek wordt voornamelijk gebruikgemaakt van scintigrafie en echografie.


Scintigrafie
Scintigrafie is een onderzoek waarmee, na injectie van een kleine hoeveelheid radioactief gemerkt jodium of technetium, de schildklier kan worden afgebeeld. Dat is vergelijkbaar met het inspuiten van contrastvloeistof om aandoeningen aan zachte weefsels in het lichaam zichtbaar te maken.
Het voordeel van de scintigrafie is dat schildklierweefsel dat te veel of te weinig schildklierhormoon maakt ook jodium of technetium abnormaal zal concentreren. Scintigrafie wordt met name gebruikt om de oorzaak van een hyperthyreoïdie vast te stellen. Indien er sprake is van een ontsteking van de schildklier (thyreoïditis) zal er geen opname zijn van jodium of technetium, terwijl bij de ziekte van Graves de opname van jodium of technetium in de hele schildklier verhoogd is. Ook knobbels kunnen zichtbaar worden gemaakt als respectievelijk koude (weinig radioactiviteit opnemende) of warme (veel radioactiviteit opnemende) knobbels. Ook een meer knobbelige struma, de multinodulaire struma, kan zo goed worden vastgesteld (zie figuur 4). Dit laatste kan echter ook met echografie.



De stralenbelasting bij nucleaire scintigrafie is vrijwel te verwaarlozen. Het onderzoek is evenwel arbeidsintensiever en duurt langer dan de echografie. In bepaalde gevallen heeft scintigrafie een meerwaarde boven echografie, zoals bij een afwijkende (te hoge) schildklierfunctie. Om na te gaan of er nog schildklierweefsel is achtergebleven nadat de schildklier helemaal is weg­gehaald in verband met een schildkliercarcinoom, is het maken van een scintigrafie nuttig. Net zo nuttig is zo’n scan overigens bij schildklierontstekingen waarbij meestal geen of weinig jodium wordt opgenomen. Met radioactief jodium worden ook total body scans, oftewel scans van het hele lichaam gemaakt. Dat gebeurt na therapie met radioactief jodium om te zien of zich nog ergens jodium ophoopt, wat kan wijzen op een uitzaaiing van het schildkliercarcinoom.


Echografie
Echografie is tegenwoordig het meest gebruikte afbeeldend onderzoek bij schildklierpatiënten. Via geluidsgolven wordt de anatomie van de schildklier en omgeving afgetast. Niet alleen kan zo de grootte van de schildklier worden bepaald, maar ook wordt gezien of er al of niet knobbels aanwezig zijn. Ook het aspect van knobbels, en dan in het bijzonder of er in zo’n knobbel (nodus) vocht zit (cyste) of dat er sprake is van abnormaal weefsel, is vaak goed te zien (zie figuur 5). De geoefende echografist of radioloog kan bepaalde kenmerken opsporen, die de verdenking op een kwaadaardige tumor vergroten. Dit zijn: microcalcificaties (kleine verkalkingen), het ontbreken van een halo (een lichte rand om de nodus), onregelmatige begrenzingen, toegenomen bloedstromen in de nodus en een echoarm karakter van de nodus.
Bovendien geeft het onderzoek geen stralenbelasting en kan het dus gemakkelijk worden herhaald. Nadeel is dat bij heel veel mensen kleine knobbeltjes worden gevonden die in feite niet van belang zijn (incidentalomen).


Overig radiologisch en/of nucleair onderzoek
Veel minder vaak zal gebruik worden gemaakt van CT-(computerized tomography) scanning, MRI-scanning (magnetic resonance imaging) of een PET-scan.
Is er sprake van een struma die zo groot is dat hij reikt tot in de borstholte, dan kan een CT- of MRI-scan behulpzaam zijn bij het afbakenen van de afwijkingen. De echografie is daarvoor minder goed bruikbaar. Ook bij oogafwijkingen die bij de ziekte van Graves passen, zeker als ze eenzijdig zijn, is een CT- of MRI-scan zinvol. In het geval van schildklierkanker wordt soms ook een CT of MRI van de hals gemaakt om de uitgebreidheid van ziekte vast te stellen. Dit gebeurt vooral wanneer een patiënt mogelijk opnieuw in dit gebied geopereerd moet worden. Ten slotte kunnen deze onderzoeken in specifieke gevallen worden gebruikt om uitzaaiingen van schildklierkanker op te sporen, bijvoorbeeld in de borstholte (CT) of van de lever (MRI).
Conventioneel radiologisch onderzoek in de zin van een röntgenfoto van borstholte (thorax) en luchtpijp (trachea) kan zichtbaar maken of er sprake is van verdringing en/of vernauwing van de luchtpijp door een struma. Omdat de patiënt daarbij vooral hinder ondervindt bij de inademing, is soms een longfunctieonderzoek zinvol om een inademingsbelemmering op te sporen. Als er afwijkingen worden gevonden bij radiologisch of longfunctieonderzoek kan dit een reden zijn om de struma te verkleinen.
Bij een FDG-PET-scan krijgt een patiënt gelabeld suiker (fluorodeoxyglucose, afgekort FDG) toegediend. Dit gelabelde suiker zal vooral worden opgenomen door weefsels met een hoge stofwisseling (energieverbruik), en kan zo in specifieke gevallen gebruikt worden om bijvoorbeeld uitzaaiingen op te sporen.




terug verder




Mijn schildklier werkt niet goed. En nu?


Schildklierafwijkingen komen vaak voor, in Nederland lijden er waarschijnlijk meer dan een half miljoen mensen aan. Hoewel leeftijd bij sommige schildklieraandoeningen wel een rol speelt, komen schildklierafwijkingen op alle leeftijden voor, bij vrouwen viermaal zo vaak als bij mannen.

Auteur(s) : dr. J.W.F. Elte en prof. dr. Robin Peeters
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789491549069