|
|
Wat is de schildklier en wat doet hij? De schildklier is een vlindervormig orgaan van ongeveer 10 ml (gram) dat zich aan de voorzijde onder in de hals bevindt, onder het strottehoofd, tegen de luchtpijp. De schildklier bestaat uit twee delen die we kwabben of lobben noemen, waarvan er een aan de linkerkant zit, de linker kwab, en een aan de rechterkant, de rechter kwab. De twee kwabben - het Latijnse woord voor kwab is lobus - zijn met elkaar verbonden door een smalle, nauwe verbinding die we isthmus noemen. Soms kan men vanuit deze isthmus naar boven toe nog een streng zien, de zogenaamde lobus pyramidalis. Deze streng is een restant van een tijdelijke verbinding tussen de schildklier en een opening achter op de tong. Die tijdelijke verbinding ontstaat bij het embryo op het moment dat de schildklier afdaalt in de keel. Dit 'pad' waarlangs de schildklier afdaalt, heet ductus thyreoglossus. ![]() Grove anatomie van de schildklier. Meestal kan men de schildklier bij slikken aan weerszijden van de adamsappel voelen zitten. Wat doet de schildklier? De schildklier maakt schildklierhormonen aan. Hij maakt voornamelijk thyroxine (T4, ± 100 µg per dag) en in mindere mate trijodothyronine (T3, ± 6 µg per dag). Om het schildklierhormoon te kunnen aanmaken, heeft de schildklier jodium nodig (zowel T4 als T3 bevatten jodiumatomen; T4 bevat vier atomen en T3 bevat er drie). We komen later nog terug op de rol van jodium in dit proces. Hoe worden de processen geregeld? De werking van de schildklier wordt geregeld door de hypofyse. Dit is een klein orgaan dat als een aanhangsel onder aan de hersenen zit. Deze hypofyse, die we dus ook wel hersenaanhangselklier noemen, produceert talrijke hormonen. Een van die hormonen, het zogenaamde thyreoïd-stimulerend hormoon (TSH) of thyreotropine, zet de schildklier aan tot de productie van het schildklierhormoon. Op zijn beurt staat de hypofyse overigens weer onder controle van de hypothalamus (een hoger hersencentrum), die het thyreotropin-releasing hormone (TRH) produceert. De werking van de schildklier wordt evenwel niet alleen 'van buitenaf' geregeld. In de schildklier vindt namelijk ook een soort zelfregulering plaats. Die zelfregulering houdt in dat de schildklier de opname van het jodium tijdelijk kan verminderen als er te veel van in de omgeving (het bloed) aanwezig is. De werking van het hypofyse-hormoon TSH wordt voor een deel weer afgeremd door de schildklierhormonen T4 en T3. Deze afremming van TSH vindt plaats door middel van een negatief terugkoppelingsmechanisme en alhoewel T4 wordt opgevat als een voorstadium voor het hormoon T3, verloopt de terugkoppeling naar TSH voornamelijk via dit T4. Dit is mogelijk omdat de hypofyse in staat is om T4 om te zetten in T3, wat we dan weer lokale of perifere conversie noemen. Het lijkt er overigens op dat niet alle organen in het lichaam in staat zijn om in dezelfde mate T4 in T3 om te zetten, zoals de hypofyse dat kan. Het schildklierhormoon wordt in het bloed vervoerd door eiwitten, waarbij het voor meer dan 99,5% aan die eiwitten gebonden is, en dan in het bijzonder aan het thyroxinebindend globuline (TBG), het thyroxinebindend prealbumine (TBPA) en aan het albumine. Het kleine vrije deel is in feite het actieve hormoon. Na vervoer worden T3 en T4 in de weefsels opgenomen. Het T4 wordt dan voor een deel omgezet in het actieve T3 (perifere conversie) en voor een deel afgebroken. Het T3 heeft zijn effect via de T3 kernreceptor. De afgebroken bestanddelen van het schildklierhormoon komen terecht in de enterohepatische (darm-lever) kringloop. ![]() Schematisch overzicht van de stofwisseling van schildklierhormoon. Bij de perifere conversie kan ook het waarschijnlijk biologisch inactieve reverse T3 (r T3) gevormd worden. Zowel T3 als r T3 worden uit T4 gevormd door afsplitsing van één jodiumatoom van respectievelijk de buiten- en binnenring van het T4-molecuul. De werking van schildklierhormoon Om de werking van het schildklierhormoon wat beter te begrijpen, is het belangrijk om te weten dat het T3 zich aan een ontvangend eiwit bindt, dat we de receptor noemen. Zo'n receptor bevindt zich in de kernen van vrijwel alle lichaamscellen. Als de binding tussen T3 en de receptor heeft plaatsgevonden, zal deze nieuwe eenheid, het zogenaamde T3-receptorcomplex, zich aan het DNA binden. Pas op die plek bewijst het schildklierhormoon zijn effect, omdat die laatste verbinding met het DNA invloed uitoefent op de eiwitsynthese. Het belang van jodium We hebben al eerder vermeld dat voor de opbouw van schildklierhormoon jodium nodig is. Jodium kennen we in de praktijk vooral als een middel waarmee we wonden kunnen ontsmetten, maar het is ook een noodzakelijk onderdeel van onze voeding. Jodium krijgen we dus dagelijks via de voeding binnen en wel voornamelijk door het eten van jodiumhoudend zout (ook in brood), melk en vis. Jodium wordt actief vanuit het bloed via de schildkliercelmembraan de schildklier in getransporteerd. Hetzelfde gebeurt overigens met tyrosine, een van de zogenaamde essentiële aminozuren. Zo'n aminozuur is een bouwstof voor eiwit en de toevoeging 'essentieel' wil zeggen dat het niet door het lichaam zelf kan worden aangemaakt, maar net als jodium met het voedsel moet worden genuttigd. Nu zagen we al dat het uiteindelijke effect van het schildklierhormoon bij de beïnvloeding van de eiwitsynthese ligt. Uit de opgenomen tyrosines en het jodium wordt op het thyreoglobuline eiwit (Tg) twee stoffen gevormd: het monojodotyrosine (MIT) en het dijodotyrosine (DIT). Als dat gebeurd is kan er koppeling plaatsvinden tot T4 (DIT + DIT) en/of T3 (MIT + DIT), wat plaatsvindt onder invloed van een peroxidase-enzym. Daarmee heeft het schildklierhormoon daadwerkelijk vorm gekregen. Het gevormde schildklierhormoon wordt vervolgens opgeslagen in het colloïd van de schildklier. Dit is de halfvloeibare massa in de follikels of blaasjes van de schildklier. Van daaruit wordt het hormoon dan weer uitgescheiden in het bloed. Een deel wordt ten slotte weer afgebroken tot MIT en DIT en verder van jodium ontdaan (dejodering), waarna dit jodium weer beschikbaar is voor de aanmaak van schildklierhormoon. ![]() Schematische weergave van de aanmaak en afbraak van schildklierhormoon. De meeste van deze processen staan onder invloed van TSH. Perifere conversie In de schildklier wordt voornamelijk T4 gemaakt en slechts een klein gedeelte van het T3. Het meeste T3 in het serum is afkomstig uit de perifere conversie in de diverse organen. Met perifere conversie wordt hier bedoeld de omzetting van T4 in T3 in verschillende organen, vooral in de lever. Subklinische aandoeningen Per individu is de serumconcentratie van T4 en T3 vrij constant. Door dit gegeven komt het wellicht dat er subklinische aandoeningen zijn waarbij de waarden van het schildklierhormoon nog in de vrij brede normale range liggen, terwijl er wel sprake is van een afwijkend TSH, wat al wijst op een al iets verhoogde of verlaagde schildklierhormoonproductie. Verschijnselen zijn er dan in het algemeen niet of in geringe mate, vandaar dat er dan ook sprake is van subklinische aandoeningen. Schildklierhormoontekort Omdat de schildklierhormonen invloed hebben op ongeveer alle processen (de stofwisseling) in het lichaam, kan een zuigeling zich lichamelijk en geestelijk niet ontwikkelen zonder schildklierhormoon. Ook een kind of een volwassene kan zonder schildklierhormoon niet normaal leven, alles gaat als in een vertraagde film. |
Schildklierafwijkingen Schildklierafwijkingen komen vaak voor, in Nederland lijden er waarschijnlijk meer dan een half miljoen mensen aan. Hoewel leeftijd bij sommige schildklieraandoeningen wel een rol speelt, komen schildklierafwijkingen op alle leeftijden voor, bij vrouwen vier maal zo vaak als bij mannen. Registreren
Wilt u regelmatig onze nieuwsbrief met actuele gezondheidsinformatie en aanbiedingen rond boeken ontvangen, ga dan naar de registratiemodule. |









