Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Dr. J.W.F. Elte en prof dr. Robin Peeters
 


lettergrootte: A  A  A
Wat is de schildklier en wat doet hij?

 
De schildklier is een vlindervormig orgaan van ongeveer 10 ml (gram) dat zich aan de voorzijde onder in de hals bevindt, onder het strottenhoofd, tegen de luchtpijp. De schildklier bestaat uit twee delen die we kwabben of lobben noemen, waarvan er een aan de linkerkant zit, de linkerkwab, en een aan de rechterkant, de rechterkwab. De twee kwabben – het Latijnse woord voor kwab is
lobus – zijn met elkaar verbonden door een smalle, nauwe verbinding die we istmus (engte) noemen. Soms is vanuit deze istmus naar boven toe nog een streng te zien, de lobus pyramidalis. Deze streng is een restant van een tijdelijke verbinding tussen de schildklier en een opening achter op de tong. Die tijdelijke verbinding ontstaat bij het embryo op het moment dat de schildklier afdaalt in de keel. Dit ‘pad’ waarlangs de schildklier afdaalt, heet ductus thyreoglossus en verdwijnt (vrijwel altijd) vóór de geboorte (zie figuur 1).
Meestal is de schildklier bij het slikken aan weerszijden van de adamsappel te voelen (en soms te zien).


Wat doet de schildklier?
De schildklier maakt schildklierhormonen aan. Hij maakt voornamelijk thyroxine (T4, ca. 100 microgram (µg) per dag) en in mindere mate trijodothyronine (T3, ca. 6 µg per dag). T3 is in feite het actieve schildklierhormoon. T3 kan direct door de schildklier worden gemaakt, maar de grootste hoeveelheid T3 wordt in de verschillende weefsels van het lichaam gemaakt uit T4, dat veel minder actief is dan T3.
Om het schildklierhormoon te kunnen aanmaken, heeft de schildklier jodium nodig. Zowel T4 als T3 bevat jodiumatomen; T4 bevat vier atomen en T3 bevat er drie. We komen later nog terug op de rol van jodium in dit proces.


Hoe worden de processen geregeld?
De werking van de schildklier wordt geregeld door de hypofyse. Dit is een klein orgaan dat als een aanhangsel onder aan de hersenen zit. Deze hypofyse, die we dus ook wel hersenaanhangselklier noemen, produceert talrijke hormonen. Een van die hormonen, het zogenaamde thyreoïd-stimulerend hormoon (TSH) of thyreotropine, zet de schildklier aan tot de productie van het schildklierhormoon. Op zijn beurt staat de hypofyse overigens weer onder controle van de hypothalamus (een hoger hersencentrum), die het thyreotropin-releasing hormone (TRH) produceert.
De werking van de schildklier wordt evenwel niet alleen 'van buitenaf' geregeld. In de schildklier vindt namelijk ook een soort zelfregulering plaats. Die zelfregulering houdt in dat de schildklier de opname van het jodium tijdelijk kan verminderen als er te veel van in de omgeving (het bloed) aanwezig is.

De werking van het hypofyse-hormoon TSH wordt voor een deel weer afgeremd door de schildklierhormonen T4 en T3. Deze afremming van TSH vindt plaats door middel van een negatief terugkoppelingsmechanisme en alhoewel T4 wordt opgevat als een voorstadium voor het hormoon T3, verloopt de terugkoppeling naar TSH voornamelijk via dit T4. Dit is mogelijk omdat de hypofyse in staat is om T4 om te zetten in T3, wat we dan weer lokale of perifere conversie noemen. Het lijkt er overigens op dat niet alle organen in het lichaam in staat zijn om in dezelfde mate T4 in T3 om te zetten, zoals de hypofyse dat kan.

Het schildklierhormoon wordt in het bloed vervoerd door eiwitten, waarbij het voor meer dan 99,5% aan die eiwitten gebonden is, en dan in het bijzonder aan het thyroxinebindend globuline (TBG), het thyroxinebindend prealbumine (TBPA) en aan het albumine. Het kleine vrije deel is in feite het actieve hormoon.
Na vervoer worden T3 en T4 in de weefsels opgenomen. Het T4 wordt dan voor een deel omgezet in het actieve T3 (perifere conversie) en voor een deel afgebroken. Het T3 heeft zijn effect via de T3 kernreceptor. De afgebroken bestanddelen van het schildklierhormoon komen terecht in de enterohepatische (darm-lever) kringloop.

Schematisch overzicht van de stofwisseling van schildklierhormoon.


Bij de perifere conversie kan ook het waarschijnlijk biologisch inactieve reverse T3 (r T3) gevormd worden. Zowel T3 als r T3 worden uit T4 gevormd door afsplitsing van één jodiumatoom van respectievelijk de buiten- en binnenring van het T4-molecuul.

Wat doen de schildklierhormonen?
De schildklierhormonen regelen groei en ontwikkeling, beïnvloeden de stofwisseling en stimuleren de warmteproductie. Ze hebben een positief effect op het hart en hebben zo invloed op de meeste lichaamsprocessen. Een tekort aan schildklierhormoon leidt tot vertraging van die processen. Hierdoor kunnen klachten ontstaan zoals vermoeidheid, kouwelijkheid, slaapzucht, droge huid, obstipatie en menstruatiestoornissen. Een teveel aan schildklierhormoon kan onder meer leiden tot een niet ongevaarlijke versnelling van de hartfrequentie: het hart kan zelfs geheel ‘op hol slaan’. Ook is schildklierhormoon belangrijk voor de ontwikkeling. Zowel de lichamelijke als de geestelijke ontwikkeling van baby’s en kinderen is afhankelijk van de goede hoeveelheid beschikbare schildklierhormonen. 

Hoe worden de processen geregeld?
De werking van de schildklier wordt geregeld door de hypofyse. Dit is een klein orgaan dat als een aanhangsel onder aan de hersenen zit. Deze hypofyse, die we daarom ook wel hersenaanhangselklier noemen, produceert talrijke hormonen. Een van die hormonen, het thyreoïd-stimulerend hormoon (TSH) of thyreotropine, zet de schildklier aan tot de productie van het schildklierhormoon. Op haar beurt staat de hypofyse overigens weer onder controle van de hypothalamus (een hoger hersencentrum), die het thyreotropin-releasing hormone (TRH) produceert (zie figuur 2).
De werking van de schildklier wordt evenwel niet alleen ‘van buitenaf’ geregeld. In de schildklier vindt ook een soort zelfregulering plaats. Die zelfregulering houdt in dat de schildklier de opname van het jodium tijdelijk kan verminderen als er te veel van in de omgeving (het bloed) aanwezig is.
De werking van het hypofysehormoon TSH wordt voor een deel afgeremd door de schildklierhormonen T4 en T3. Deze afremming van TSH vindt plaats door middel van een negatief terugkoppelingsmechanisme. Hoewel T4 wordt opgevat als een voorstadium van het hormoon T3, verloopt de terugkoppeling naar TSH voornamelijk via dit T4 in het bloed. Dit is mogelijk omdat de hypofyse T4 ­opneemt uit het bloed en vervolgens in staat is om T4 om te zetten in T3, wat we lokale of perifere conversie noemen. Overigens kunnen niet alle organen in het lichaam in dezelfde mate T4 in T3 omzetten, zoals de hypofyse dat kan.
Het schildklierhormoon wordt in het bloed vervoerd door eiwitten, waarbij het voor meer dan 99,5 procent aan die eiwitten is gebonden, en dan in het bijzonder aan het thyroxinebindende globuline (TBG), het thyroxinebindende prealbumine (TBPA) en aan het albumine. Het kleine vrije deel is in feite het schildklierhormoon dat direct beschikbaar is voor de werking van schildklierhormoon (biologische activiteit) en wordt vrij T4 (FT4) en vrij T3 (FT3) genoemd.
Na vervoer worden T3 en T4 in de weefsels opgenomen. Het T4 wordt dan voor een deel omgezet in het actieve T3 (perifere conversie) en voor een deel afgebroken. De afgebroken bestanddelen van het schildklierhormoon komen terecht in de enterohepatische (darm-lever) kringloop (zie figuur 2).
Bij de perifere conversie kan ook het waarschijnlijk biologisch inactieve reverse T3 (r T3) worden gevormd. Zowel T3 als r T3 wordt uit T4 gevormd door afsplitsing van één jodiumatoom van respectievelijk de buiten- en binnenring van het T4-molecuul.





Werking van het schildklierhormoon
Om de werking van het schildklierhormoon beter te begrijpen, is het belangrijk te weten dat het T3 zich aan een ontvangend eiwit bindt, dat we de receptor noemen. Zo’n receptor bevindt zich in de kernen van vrijwel alle lichaamscellen.
Als de binding tussen T3 en de receptor heeft plaatsgevonden, zullen zij samen (het T3-receptorcomplex genoemd) zich binden aan het DNA. Door te binden aan het DNA beïnvloedt schildklierhormoon de productie van allerlei eiwitten (eiwitsynthese) in ons lichaam.


Belang van jodium
Zoals gezegd is voor de opbouw van schildklierhormoon jodium nodig. Jodium kennen we in de praktijk vooral als een middel waarmee wonden worden ontsmet, maar het is ook een noodzakelijk onderdeel van onze voeding. Jodium krijgen we dagelijks via de voeding binnen en wel voornamelijk door het eten van jodiumhoudend zout (ook in brood), melk en vis. Jodium wordt vervolgens actief vanuit het bloed via de schildkliercelmembraan de schildklier in getransporteerd. Hetzelfde gebeurt overigens met tyrosine, een van de zogeheten essentiële aminozuren. Aminozuren zijn de bouwstoffen waaruit eiwitten in ons lichaam worden gemaakt. De toevoeging ‘essentieel’ wil zeggen dat een aminozuur niet door het lichaam zelf wordt aangemaakt, maar net als jodium met het voedsel binnen moet komen.
Het uiteindelijke effect van het schildklierhormoon ligt bij de beïnvloeding van de eiwitsynthese. Uit de opgenomen tyrosines en het jodium worden op het thyreoglobuline-eiwit (T) twee stoffen gevormd: het monojodotyrosine (MIT) en het dijodotyrosine (DIT). Als dat is gebeurd, kan er koppeling plaatsvinden tot T4 (DIT + DIT) en/of T3 (MIT + DIT), wat plaatsvindt onder invloed van een peroxidase-enzym. Daarmee heeft het schildklierhormoon daadwerkelijk vorm gekregen.
Het gevormde schildklierhormoon wordt vervolgens opgeslagen in het colloïd van de schildklier. Dit is de halfvloeibare massa in de follikels of blaasjes van de schildklier. Van daaruit wordt het hormoon vervolgens afgegeven aan het bloed. Een deel wordt ten slotte weer afgebroken tot MIT en DIT en verder van jodium ontdaan (dejodering), zodat dit jodium weer beschikbaar is voor de aanmaak van nieuw schildklierhormoon (zie figuur 3). De meeste van deze processen staan onder invloed van TSH.
Een ernstig tekort aan jodium kan leiden tot mentale retardatie en uiteindelijk ook tot cretinisme, wat in Nederland vrijwel niet voorkomt, vroeger in Zwitserland en ook elders in de wereld wel. Voorbeelden van cretins zijn op blz. 19 afgebeeld.


Perifere conversie
In de schildklier wordt voornamelijk T4 gemaakt en slechts een klein gedeelte van het T3. Het meeste T3 in het serum is afkomstig uit de perifere conversie in de diverse organen. Met perifere conversie wordt hier bedoeld de omzetting van T4 in T3 in verschillende organen, vooral in de lever.

Subklinische aandoeningen
Per individu is de serumconcentratie van T4 en T3 vrij constant. Daardoor is het wellicht mogelijk dat er subklinische aandoeningen zijn waarbij de waarden van het schildklierhormoon nog in de vrij brede normale range liggen, terwijl er toch al sprake is van een afwijkend TSH. Dit kan wijzen op een iets verhoogde of verlaagde schildklierhormoonproductie. Verschijnselen zijn er dan in het algemeen niet of nauwelijks, vandaar dat er gesproken wordt van subklinische schildklierafwijkingen.

Schildklierhormoontekort
Omdat de schildklierhormonen invloed hebben op ongeveer alle (stofwisselings)processen in het lichaam, kan een zuigeling zich lichamelijk en geestelijk niet ontwikkelen zonder schildklierhormoon. Een kind of volwassene kan zonder schildklierhormoon evenmin normaal leven, alles gaat als in een vertraagde film. Als een ernstig tekort aan schildklierhormoon niet wordt behandeld, kan het uiteindelijk zelfs dodelijk zijn.




verder




Mijn schildklier werkt niet goed. En nu?


Schildklierafwijkingen komen vaak voor, in Nederland lijden er waarschijnlijk meer dan een half miljoen mensen aan. Hoewel leeftijd bij sommige schildklieraandoeningen wel een rol speelt, komen schildklierafwijkingen op alle leeftijden voor, bij vrouwen viermaal zo vaak als bij mannen.

Auteur(s) : dr. J.W.F. Elte en prof. dr. Robin Peeters
Prijs : € 19,95
ISBN : 9789491549069