Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Drs. Bep Franke en dr. Jan Dirk Banga
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Cholesterol en triglyceriden

Cholesterol en triglyceriden behoren tot de vetten. Vetten zijn voedingsstoffen die materiaal leveren voor de opbouw en het repareren van ons lichaam en die dienen als brandstof voor energie. De vetten in ons voedsel bestaan voornamelijk uit triglyceriden. De precieze samenstelling van de triglyceriden bepaalt of we met een verzadigd, onverzadigd of transvet hebben te maken. Naast triglyceriden zitten er kleine hoeveelheden van andere vetachtige stoffen in onze voeding, waaronder cholesterol.
Cholesterol is een belangrijke grondstof voor de opbouw van celwanden, het maken van hormonen en het samenstellen van gal. Het is niet noodzakelijk om cholesterol in te nemen met de voeding. Het lichaam kan ook zelf cholesterol maken in de lever.

Afwijkingen
Dyslipidemie betekent dat er iets mis is in de stofwisseling van de vetten (lipiden). Als gevolg daarvan ontstaan afwijkingen in de vetsamenstelling van het bloed. Bij een te hoog gehalte aan vetten in het bloed spreekt men van een hyperlipidemie. De twee belangrijkste vetten in het bloed zijn cholesterol en triglyceriden. Een teveel aan cholesterol noemen we hypercholesterolemie en een teveel aan triglyceriden heet hypertriglyceridemie. Een hypercholesterolemie of hypertriglyceridemie veroorzaakt niet direct klachten. De afwijkende vetsamenstelling heeft invloed op de vaatwand en speelt een belangrijke rol in het ontstaan en de voortgang van slagaderverkalking. Ook gaat het bij de vetsamenstelling van het bloed niet alleen over de vetten zelf. Veel belangrijker is de manier waarop de vetten verpakt zijn en het aantal schadelijke vetpakketjes in het bloed.

Druppeltjes vet in mantel met eiwitten
Vetten hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze niet oplossen in water. Een druppeltje olie op het water vormt een dun laagje bovenop het water en mengt zich niet met het water eronder. Bloed is ook een waterige vloeistof. Vet kan daarom niet oplossen in het bloed om vervoerd te worden door het lichaam. Vet wordt vervoerd in kleine druppeltjes die omgeven zijn door een laagje met daarin eiwitten. Een druppeltje van vetten (lipiden) met eiwitten (proteïnen) heet een lipoproteïne. De eiwitten aan de buitenkant zorgen ervoor dat het vetdruppeltje kan oplossen in het bloed.

De vetten worden in het bloed vervoerd als lipoproteïnen. Het centrum van een lipoproteïne bestaat uit vetten die niet in het water kunnen oplossen. De buitenrand bevat vetten die iets beter kunnen oplossen in water met apolipoproteïnen. Apolipoproteïnen zijn eiwitten die de oplosbaarheid in water van het lipoproteïne verhogen.


Alle vetten - triglyceriden, cholesterol en andere vetachtige stoffen - worden in het bloed vervoerd in lipoproteïnen. Lipoproteïnen worden gemaakt in de lever en de darmen. Er bestaan verschillende soorten: chylomicronen, very-low-density lipoproteïnen (VLDL-deeltje), low-density-lipoproteïnen (LDL-deeltje) en high-density lipoproteïnen (HDL-deeltje). De lipoproteïnen verschillen van elkaar in grootte en in samenstelling. Chylomicronen zijn de grootste deeltjes en bevatten vooral vetten en weinig eiwitten. De HDL-deeltjes zijn het kleinst en bevatten naar verhouding tot hun grootte de meeste eiwitten.
De diverse lipoproteïnen hebben ook verschillende taken. De chylomicronen brengen de vetten uit onze voeding van de darm naar lever, vetweefsel, spieren en andere organen. Na een vetrijke maaltijd verschijnen ze in het bloed. Chylomicronen worden heel snel afgebroken. Ze zijn binnen een kwartier na afgifte uit de darmen alweer uit de bloedcirculatie verdwenen. Ze bevinden zich dus maar gedurende korte tijd in het bloed en hebben weinig invloed op de vetsamenstelling daarvan.

In de vetsamenstelling van het bloed speelt de lever een belangrijke rol. De lever kan nieuwe triglyceriden vormen uit andere triglyceriden, en kan ook zelf cholesterol maken of cholesterol uit het bloed halen. In de lever worden triglyceriden en cholesterol in VLDL-deeltjes verpakt. De lever geeft deze VLDL-deeltjes af aan het bloed. Ze circuleren rond in het bloed. In spieren en vetweefsel worden triglyceriden uit deze VLDL-deeltjes gehaald. De spieren gebruiken de triglyceriden als bron voor energie en het vetweefsel maakt er een vetvoorraad van. Omdat in spieren en vetweefsel triglyceriden uit de VLDL-deeltjes worden gehaald, worden de deeltjes kleiner. Ze bevatten ook steeds minder vet en het aandeel van de eiwitten stijgt. De VLDL-deeltjes gaan over in LDL-deeltjes. Van de verschillende soorten lipoproteïnen bevatten de LDL-deeltjes de meeste cholesterol.
Ten slotte hebben we nog de HDL-deeltjes. Deze deeltjes kunnen overtollig cholesterol uit de weefsels opnemen en naar de lever terugbrengen. De lever kan LDL- en HDL-deeltjes uit het bloed halen.

Welke deeltjes beschadigen de vaatwand?
Of een deeltje wel of niet schadelijk is voor de vaatwand is afhankelijk van de grootte ervan. Het HDL-deeltje is het kleinste deeltje. Dit kan heel gemakkelijk de vaatwand in- en uitgaan. HDL-deeltjes veroorzaken geen slagaderverkalking. Ze verzamelen juist cholesterol en brengen het overtollige cholesterol terug naar de lever.
LDL-deeltjes zijn iets groter, maar nog klein genoeg om de vaatwand in te gaan. Vaak blijven ze achter in de vaatwand. Ze kunnen daar het proces van slagaderverkalking op gang brengen. De chylomicronen en de VLDL-deeltjes zijn te groot om de vaatwand in te gaan.
Het LDL-deeltje is het meest schadelijk voor de vaatwand. LDL-deeltjes bevatten ook de hoogste concentratie aan cholesterol. Het cholesterol in LDL-deeltjes (LDL-cholesterol) noemen we daarom ook wel het 'slechte' cholesterol.

Risico cholesterolconcentratie
Hoe hoger de concentratie van LDL-cholesterol in het bloed, hoe groter de kans op hart- en vaatziekten. Dit geldt ook voor het totaal-cholesterolgehalte. Het totaal-cholesterolgehalte, vaak gewoon cholesterolgehalte genoemd, bestaat uit de som van het cholesterol in VLDL-, LDL- en HDL-deeltjes. Het risico op complicaties van slagaderverkalking komt ook goed overeen met de hoogte van de totale cholesterolconcentratie in het bloed. Een andere maat die gebruikt wordt voor het schatten van het risico op hart- en vaatziekten is de verhouding tussen het totaal-cholesterolgehalte en het cholesterol in HDL-deeltjes (totaal-cholesterol gedeeld door hdl-cholesterol). Het HDL-deeltje heeft een gunstige invloed op slagaderverkalking en heet daarom ook wel het 'goede' cholesterol. Door het cholesterol in het HDL-deeltje mee te nemen in de berekening, kan men een iets betere schatting maken van het risico. Mensen met een ogenschijnlijk normaal totaal-cholesterolgehalte maar een zeer laag HDL-cholesterolgehalte hebben ook een verhoogd risico op hart- en vaatziekten.

Risico triglyceridenconcentratie
Ook een verhoogde concentratie van triglyceriden is schadelijk voor de vaatwand. LDL-deeltjes die rijk zijn aan triglyceriden kunnen, net zoals LDL-deeltjes die veel cholesterol bevatten, de vaatwand ingaan en slagaderverkalking bevorderen. Een verhoogd gehalte aan triglyceriden in het bloed gaat vaak samen met een laag gehalte van het goede HDL-cholesterol. Deze combinatie (veel triglyceriden en een laag HDL-cholesterol) komt vooral voor bij mensen met diabetes type 2 of insulineresistentie, mensen met overgewicht en bij gebrek aan lichaamsbeweging.

Normale waarden
Wat normale waarden zijn voor het cholesterolgehalte is onder deskundigen een punt van discussie. De vetsamenstelling in het bloed wordt sterk beïnvloed door wat we jaar in jaar uit eten. Het is daarom nog maar de vraag of de waarden die in de bevolking gemeten zijn, normale waarden zijn. Het kan zijn dat door onze voeding de waarde bij iedereen te hoog is. Ook het onderzoek naar het verband tussen cholesterolconcentraties in het bloed en hart- en vaatziekten levert geen grenswaarde op waaronder hart- en vaatziekten heel weinig voorkomen. Er geldt: hoe lager het cholesterolgehalte, des te kleiner de kans op hart- en vaatziekten. De waarden die over het algemeen als normaal beschouwd worden (normaalwaarden) voor de concentraties van cholesterol en triglyceriden staan in tabel 3.
Naast normaalwaarden onderscheiden we streefwaarden. Streefwaarden zijn de waarden die men wil bereiken met een cholesterolverlagende behandeling bij iemand met een verhoogd risico, bijvoorbeeld bij iemand die een hartinfarct heeft gehad. Naarmate het berekende risico op hart- en vaatziekten bij iemand hoger is, streeft men naar lagere waarden voor cholesterol en triglyceriden. Hierbij is het innemen van cholesterolverlagende medicijnen onmisbaar.
De totale cholesterolconcentratie of de verhouding van het totale cholesterolgehalte en het HDL-cholesterol geven al een schatting van het risico op hart- en vaatziekten. Het risico op hart- en vaatziekten kan beter worden ingeschat met een overzicht van de vetsamenstelling - ook wel vetspectrum of lipidenprofiel genoemd - in het bloed. Een matig verhoogde concentratie van het slechte LDL-cholesterol kan bijvoorbeeld heel schadelijk zijn voor de vaatwand als het samengaat met een lage concentratie van het goede HDL-cholesterol en veel triglyceriden.

Lp(a)
Een hoog gehalte aan lipoproteïne(a), afgekort Lp(a), is een risicofactor voor het optreden van hart- en vaatziekten. Lp(a) is een lipoproteïne dat sterk lijkt op het 'slechte' LDL-cholesterol. Het gehalte aan lp(a) is erfelijk bepaald en wordt nauwelijks beïnvloed door de voeding. Het Lp(a) is ook niet of nauwelijks te beïnvloeden door het gebruik van medicijnen. Doorgaans wordt het gehalte niet bepaald.

Apolipoproteïnen (of kortweg Apoproteïnen)
Om de oplosbaarheid in water te verhogen, zijn aan de buitenkant van de lipoproteïnen eiwitten toegevoegd. Deze eiwitten heten apolipoproteïnen (of apoproteïnen). Apolipoproteïnen dienen niet alleen voor het verhogen van de oplosbaarheid, maar bevatten ook een adreslabel voor de bestemming van het vetdeeltje in het lichaam.
Er bestaat een hele reeks van apolipoproteïnen: A1, A2, B48, B100, CI, CII, CIII, enzovoort. De concentraties van apolipoproteïnen worden soms gebruikt om het risico op hart- en vaatziekten nog nauwkeuriger te voorspellen. Vooral belangrijk zijn de apolipoproteïnen B en A. Apolipoproteïne B is een eiwit dat op schadelijke vetdeeltjes zit. Apolipoproteïne A zit op de goede hdl-deeltjes. Een verhoogde concentratie van apolipoproteïne B en/of een verlaagde concentratie van apolipoproteïne A zijn schadelijk voor de vaatwand. Uit sommige bevolkingsonderzoeken komt naar voren dat de verhouding ApoB/ApoA het risico op hart- en vaatziekten beter voorspelt dan het gehalte aan totaal-cholesterol, LDL-cholesterol of HDL-choleterol in het bloed.
De hoogte van het risico op hart- of vaatziekte bij een verstoorde vetsamenstelling in het bloed is niet alleen afhankelijk van de vetsamenstelling, maar ook van het hebben van andere risicofactoren (zie scorekaart in hoofdstuk 'Risico's en risicofactoren').

‘Normaal’ vetspectrum of lipidenprofiel: de 5-4-3-2-1-regel. De hoeveelheid cholesterol wordt aangegeven in een scheikundige eenheid: millimol per liter, afgekort tot mmol/l. Deze eenheid is gebaseerd op het molecuulgewicht van een stof. Het geeft aan hoeveel moleculen er van een stof in een liter zijn opgelost. Om de waarden eenvoudig te kunnen onthouden, wordt wel de 5-4-3-2-1-regel gebruikt. De opgegeven waarden moeten niet worden beschouwd als absolute grenzen voor behandelen (zie tekst in het hoofdstuk).

Oorzaken van een ongunstig vetspectrum
De vetsamenstelling van het bloed wordt voor een belangrijk deel bepaald door de manier waarop we leven. In Nederland heeft één op de acht volwassenen een cholesterolgehalte van 6,5 mmol/l of meer. Het eten van verzadigd vet is de belangrijkste oorzaak van een verhoogd cholesterolgehalte in het bloed. Ook roken en overgewicht kunnen het cholesterolgehalte verhogen. Roken en overgewicht verlagen bovendien het gehalte aan beschermend HDL-cholesterol. Lichamelijke activiteit en matige alcoholconsumptie verhogen daarentegen het gunstige HDL-cholesterolgehalte. Naast leefstijl zijn er ziekten die het vetspectrum beïnvloeden, bijvoorbeeld een traag werkende schildklier, diabetes mellitus of een ziekte aan nieren of lever. Afwijkende cholesterol- en triglyceridenwaarden kunnen ook het gevolg zijn van een erfelijke afwijking, bijvoorbeeld van de familiaire hypercholesterolemie (FH).

Veranderen van ongezonde leefstijl
De behandeling van een ongunstig vetspectrum begint met het veranderen van ongezonde gewoonten in de leefstijl: gezond eten, bestrijden van overgewicht, niet roken, voldoende lichaamsbeweging en een matig gebruik van alcohol. Het belangrijkste doel van de voedingsmaatregelen bij een verstoorde vetsamenstelling is het omlaag brengen van het cholesterolgehalte. De nadruk ligt op het verlagen van de inname van verzadigde vetten.
Voor mensen met een hypertriglyceridemie kunnen soms aanvullende voedingsadviezen wenselijk zijn. Als het moeilijk is om de voedingsadviezen op te volgen, kan men de hulp inroepen van een diëtist. Afhankelijk van de hoogte van het cholesterolgehalte en van het totale risico op hart- en vaatziekten, kan het nodig zijn om naast een gezonde voeding met weinig verzadigde vetten, tevens cholesterolverlagende medicijnen in te nemen. Ook wanneer iemand cholesterolverlagende medicijnen krijgt, blijft het noodzakelijk om gezond te eten.




terug verder