Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Drs. Bep Franke en dr. Jan Dirk Banga
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Diabetes mellitus en metabool syndroom

Bij mensen met diabetes mellitus is het glucosegehalte in het bloed (bloedsuikergehalte) te hoog. Diabetes mellitus is de volledige naam voor deze aandoening, maar vaak spreekt men alleen over diabetes. Glucose is de vorm waarin koolhydraten in ons bloed worden vervoerd. Omdat glucose een vorm van suiker is, gebruikt men voor diabetes ook de naam suikerziekte. Men onderscheidt bij diabetes mellitus twee vormen: diabetes mellitus type 1 en diabetes mellitus type 2. Daarnaast zijn er nog enkele zeldzame vormen van diabetes mellitus, maar die worden hier niet besproken.
Patiënten met diabetes mellitus type 2 hebben naast een verhoogd glucosegehalte vaak meerdere risicofactoren zoals overgewicht, hoge bloeddruk en/of een verstoorde vetsamenstelling van het bloed. Ook patiënten met het zogenaamde metabool syndroom hebben een opeenhoping van risicofactoren. Het metabool syndroom staat ook bekend als insulineresistentie-syndroom.

Glucose
Het gehalte aan glucose in het bloed varieert, maar is daarbij wel gebonden aan nauwe grenzen. Met een te hoog of te laag glucosegehalte in het bloed kan iemand niet functioneren. Hij of zij kan zelfs bewusteloos raken.
De glucose in het bloed is afkomstig uit de voeding of uit de lever. De koolhydraten in de voeding bestaan uit zetmeel en suikers. Na een maaltijd worden de koolhydraten in het maagdarmkanaal afgebroken tot glucose en vervolgens opgenomen in het bloed. Daardoor stijgt na een maaltijd het glucosegehalte in het bloed. De lever heeft een beperkte voorraad glucose die aan het bloed kan worden afgegeven als er een tekort aan glucose dreigt te ontstaan.

Het glucosegehalte in het bloed varieert in de loop van de dag. 's Morgens vroeg als iemand nog niet gegeten heeft, is de concentratie het laagst (tussen de 4,0 en 6,4 millimol per liter; millimol per liter - mmol/l - is een scheikundige eenheid die aangeeft hoeveel moleculen er van een stof in een liter zijn opgelost). Ongeveer twee uur na een koolhydraatrijke maaltijd of drank is het glucosegehalte gestegen tot een maximum (ongeveer 6,7 à 7,8 mmol/l). Daarna daalt het weer geleidelijk.
Bij het regelen van het glucosegehalte in het bloed speelt insuline een hoofdrol. Insuline wordt gemaakt door insulineproducerende cellen in de alvleesklier. Als na een maaltijd het glucosegehalte in het bloed stijgt, reageert de alvleesklier met het maken en afgeven van insuline. Een hoog glucosegehalte in het bloed prikkelt de insulineproductie. Insuline bevordert de opname van glucose in de spieren en het vetweefsel, en verhindert de afgifte van glucose in de lever. Daardoor daalt het glucosegehalte in het bloed.

Energie
De glucose in het bloed is een bron voor energie en kan worden omgezet in vet. Spieren en andere organen nemen glucose op uit het bloed als ze energie nodig hebben om hun taak uit te voeren. Het lichaam kan grote hoeveelheden energie opslaan in de vorm van vet. Vetweefsel kan glucose opnemen uit het bloed en vervolgens omzetten in vet.

Twee oorzaken voor te hoog glucosegehalte
Er zijn twee oorzaken aan te wijzen voor een te hoog glucosegehalte in het bloed (hyperglycemie). Het kan zijn dat de alvleesklier helemaal geen of onvoldoende insuline maakt. Door het gebrek aan insuline wordt er niet genoeg glucose vanuit het bloed in de lichaamscellen opgenomen. Het glucosegehalte stijgt naar heel hoge waarden. Mensen bij wie dit gebeurt, hebben diabetes type 1. Zij hebben een te hoog gehalte aan glucose in hun bloed door een gebrek aan insuline. Om te voorkomen dat hun glucosegehalte te sterk stijgt, moeten zij zichzelf dagelijks insuline toedienen. Diabetes type 1 komt vooral voor bij kinderen en jonge volwassenen, maar kan op iedere leeftijd ontstaan.
De tweede oorzaak voor een te hoog glucosegehalte in het bloed is insulineresistentie. De spieren en het vetweefsel reageren dan niet meer of niet voldoende op insuline. De hoeveelheid insuline in het bloed moet hoger zijn dan normaal om de opname van glucose in spieren en vetweefsel mogelijk te maken. Insulineresistentie ontstaat geleidelijk. In het begin lukt het de alvleesklier nog wel om de insulineproductie te verhogen en daardoor te voorkomen dat het glucosegehalte te sterk stijgt. Er is dus nog geen verhoogd glucosegehalte in het bloed, maar wel al insulineresistentie. Als de insulineresistentie toeneemt, kan de aanmaak van insuline tekort gaan schieten en stijgt het glucosegehalte in het bloed te veel. Mensen met deze afwijking hebben diabetes mellitus type 2. Dit is de meest voorkomende vorm van diabetes. Meestal ontstaat de aandoening bij mensen van middelbare leeftijd. Omdat deze aandoening met het klimmen der jaren steeds vaker voorkomt, spreken we soms ook wel van ouderdomsdiabetes. De kans op het krijgen van diabetes type 2 stijgt bij overgewicht. Tachtig tot negentig procent van de mensen met diabetes type 2 heeft overgewicht. Omdat steeds meer kinderen en jonge volwassenen kampen met overgewicht, treedt diabetes mellitus type 2 op steeds jongere leeftijd op.

Metabool syndroom
Bij het metabool syndroom staat de opeenhoping van risicofactoren voor hart- en vaatziekten op de voorgrond. Iemand heeft een metabool syndroom als hij drie of meer van de volgende risicofactoren heeft:
- overgewicht met te veel vet in de buikholte (tailleomvang van 102 cm of meer voor mannen, en van 88 cm of meer voor vrouwen;
- hoge triglyceridenwaarden in het bloed;
- lage hdl-cholesterolwaarden;
- hoge bloeddruk;
- hoog glucosegehalte in het bloed.

Bovengenoemde risicofactoren komen vaak gezamenlijk voor, reden waarom we van een metabool syndroom spreken. Het is echter onduidelijk of het metabool syndroom een aparte ziekte is. Mogelijk is het niet meer dan de combinatie van een aantal risicofactoren. Deze combinatie zorgt in ieder geval voor een hoge kans op schade aan de bloedvaten. In vergelijking met leeftijdsgenoten zonder risicofactoren is de kans op hart- en vaatziekten drie à vier keer hoger.
Het metabool syndroom is niet gelijk aan diabetes type 2, maar de insulineresistentie speelt een belangrijke rol bij beide aandoeningen. Insulineresistentie leidt tot diabetes als de productie van insuline in de alvleesklier niet verder meer verhoogd kan worden om de insulineresistentie op te vangen. Zolang een grotere insulineproductie ervoor kan zorgen dat het glucosegehalte binnen normale grenzen blijft, is er (nog) geen sprake van diabetes. Er kan wel sprake zijn van een metabool syndroom. Voor mensen met het metabool syndroom is de kans op het krijgen van diabetes type 2 sterk verhoogd (tot meer dan drie keer).

Bestrijden van risicofactoren
Een deel van het verhoogde risico voor hart- en vaatziekten bij mensen met diabetes mellitus is het gevolg van de diabetes zelf. Voor zowel de mensen met diabetes mellitus type 1 als 2 is het belangrijk om het glucosegehalte in het bloed goed onder controle te houden. Mensen met diabetes type 1 moeten zich houden aan voedingsvoorschriften en zichzelf insuline toedienen met een injectie. Voor mensen met insulineresistentie of diabetes type 2 geldt dat afvallen en meer lichaamsbeweging de opname van glucose in spieren en vetweefsel bevordert. Zij kunnen zonodig tabletten krijgen die de gevoeligheid voor insuline verhogen (orale glucoseverlagende middelen zoals metformine of acarbose). Wanneer ondanks deze maatregelen het glucosegehalte in het bloed toch te hoog blijft, moeten ook mensen met diabetes mellitus type 2 zichzelf met insuline gaan injecteren. Het goed reguleren van het glucosegehalte kan de schade aan organen zoals de ogen (netvlies), de nieren en de zenuwen voorkomen of vertragen. Bij een continu te hoog glucosegehalte worden de kleine vaten (haarvaten) in deze organen aangetast (microangiopathie).
Daarnaast is het aanpakken van de bijkomende risicofactoren van extra groot belang voor mensen met diabetes mellitus of metabool syndroom. Iedere risicofactor zorgt voor een stijging van de kans op een hart- of vaatziekte. De combinatie van meerdere risicofactoren en de onderlinge samenhang, kan tot een zeer hoog totaal risico leiden, omdat de verschillende risicofactoren elkaars invloed versterken.
Het bestrijden van de risicofactoren is bij mensen met diabetes of een metabool syndroom hetzelfde als voor mensen zonder deze aandoeningen. Het grote belang van het afnemen van het risico kan wel een extra motivatie zijn om de leefstijl te veranderen. Soms is dat ook een reden om te proberen de bloeddruk en het cholesterolgehalte verder te verlagen met medicijnen dan voor mensen zonder deze aandoening gebruikelijk is.




terug verder