Auteur:
Drs. Bep Franke en dr. Jan Dirk Banga
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Nieuwe ontwikkelingen

U heeft in de voorgaande hoofdstukken veel informatie aangetroffen over risicofactoren voor hart- en vaatziekten en het bestrijden daarvan. Door wetenschappelijk onderzoek breidt de kennis hierover zich steeds verder uit.
Over slagaderverkalking is inmiddels al veel bekend. Dit geldt vooral voor de eerder in dit boek beschreven risicofactoren. Maar hoe het proces van slagaderverkalking precies verloopt, is minder duidelijk. Slagaderverkalking is eerder beschreven als een proces dat lijkt op een ontsteking. In het wetenschappelijk onderzoek worden hiervoor ook steeds meer aanwijzingen gevonden. Bij ontstekingen zijn afweercellen en speciale stoffen betrokken en tijdens ontstekingsprocessen veranderen de concentraties van stoffen in het bloed die bij dat proces een rol spelen. Zouden deze stoffen als 'merkers' kunnen dienen voor slagaderverkalking? Met andere woorden, kun je uit de concentratie van deze stoffen afleiden of iemand veel slagaderverkalking heeft? Of dat de atherosclerotische plaque dreigt open te scheuren?

Merkers
Eén voorbeeld van een stof die als merker kan dienen, is het C-reactive protein (CRP). Het is echter nog niet duidelijk in hoeverre iemands risico op een vaatziekte verhoogd is wanneer de concentratie van deze merker in het bloed verhoogd is. Andere stoffen die mogelijk als merker kunnen optreden, spelen een rol bij de bloedstolling. Een voorbeeld hiervan is fibrinogeen.
Er worden steeds meer stoffen ontdekt die betrokken zijn bij slagaderverkalking en die in het bloed kunnen worden aangetoond. Een recent ontdekte merkerstof is LP-PLA2 (lipoproteine-phospholipaseA2). Door deze stof treedt er een verandering op in de LDL-deeltjes: ze raken geoxideerd. Geoxideerde LDL-deeltjes bevorderen de ontstekingsreacties in de atherosclerotische plaques. Het interessante van LP-PLA2 is dat het niet alleen gebruikt kan worden als merkerstof, maar mogelijk ook als een aangrijpingspunt voor behandeling. Door de werking van de stof te remmen, zou je de oxidatie van LDL-deeltjes kunnen tegengaan en daarmee de vaatwand kunnen beschermen tegen voortgaande slagaderverkalking. Uit toekomstig onderzoek zal moeten blijken wat de waarde van dit soort merkerstoffen is voor het bepalen van iemands risico op vaatziekten.

Micro-organismen
Een ontsteking ontstaat meestal als reactie op een infectie met een micro-organisme (een bacterie of een virus). De vergelijking tussen slagaderverkalking en ontsteking werd nog ingewikkelder toen bleek dat in de atherosclerotische plaque micro-organismen aanwezig kunnen zijn. Een micro-organisme dat in het bijzonder genoemd wordt, is Chlamydia pneumoniae, een bacterie die longontsteking kan veroorzaken. Mogelijk zijn micro-organismen dus ook werkelijk betrokken bij het proces van slagaderverkalking. Maar helemaal begrijpen doen we het toch weer niet. Uit onderzoek blijkt dat het behandelen met antibiotica wel helpt om de bacterie te bestrijden, maar geen hart- en vaatziekten kan voorkomen. Iets dergelijks zien we ook bij homocysteïne. Bij iemand met een hoog homocysteïnegehalte in het bloed is de kans op hart- en vaatziekten verhoogd. Onderzoek heeft tot nu toe niet kunnen aantonen dat door het slikken van vitaminetabletten de kans op hart- en vaatziekten ook daalt.

Apolipoproteïnen
Het is te verwachten dat voor het bepalen van het risico van een gestoorde vetstofwisseling de concentraties van apolipoproteïnen in het bloed steeds belangrijker worden. De concentraties van deze eiwitten geven nauwkeuriger aan hoe de verdeling tussen schadelijke en goede vetdeeltjes in het bloed is dan de nu gebruikte HDL- en LDL-cholesterolconcentraties. Voordat overgestapt kan worden op het bepalen van de concentraties van apolipoproteïnen in plaats van cholesterol in vetdeeltjes, moet de bepaling in de laboratoria goed gestandaardiseerd zijn. Dat wil zeggen: de verschillende laboratoria moeten bij een bepaalde concentratie een gelijke waarde opgeven.

Voedingsmiddelen met een gezondheidsvoordeel
Het wetenschappelijk onderzoek richt zich tegenwoordig op alle aspecten van hart- en vaatziekten, dus niet alleen op het ontstaan van slagaderverkalking, het vinden van risicofactoren of de behandeling met medicijnen, maar ook op het zoeken naar de beste methoden voor preventie. Onder preventie vallen ook maatregelen die je kunt nemen en die te maken hebben met de dagelijkse voedselinname. Functionele voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen waaraan door de voedingsmiddelenindustrie stoffen zijn toegevoegd of verwijderd. Dit om ervoor te zorgen dat het betreffende voedingsmiddel bijdraagt aan het voorkomen van ziekte en de gezondheid bevordert.
Je zou kunnen spreken van voedingsmiddelen met een gezondheidsvoordeel. Een voorbeeld van een voedingsmiddel waaraan een stof is toegevoegd, is de cholesterolverlagende margarine. Aan deze margarine zijn plantestanolen of -sterolen toegevoegd om het cholesterolgehalte in het bloed te verlagen. Voorbeelden van voedingsmiddelen waaruit een stof is verwijderd, zijn halfvolle en magere melk. Hieruit is een deel van het vet weggehaald. Dit om de inname van verzadigde vetten te verminderen.
Functionele voedingsmiddelen staan volop in de belangstelling. Ze zijn aantrekkelijk voor de levensmiddelenfabrikant. De meeste mensen eten immers graag lekker én gezond. Door een extra gezondheidsclaim kan een fabrikant zijn product aantrekkelijker maken. De gezondheidsclaims van de industrie moeten wel juist zijn. Voordat de cholesterolverlagende margarines op de markt kwamen, zijn ze uitgebreid onderzocht. Daaruit bleek dat deze margarines inderdaad het cholesterolgehalte omlaag kunnen brengen. Als de gezondheidsclaim door goed onderzoek is onderbouwd, dan heeft de ontwikkeling van functionele voedingsmiddelen goede kanten. Deze voedingmiddelen kunnen een bijdrage gaan leveren aan het bestrijden van hart- en vaatziekten.
Tot nu toe is het aantal functionele voedingsmiddelen in Nederland nog heel beperkt. Het is te verwachten dat dit aantal in de toekomst zal toenemen, bijvoorbeeld met voedingsmiddelen die verrijkt zijn met bioactieve stoffen. Deze stoffen komen in zeer kleine hoeveelheden voor in groenten en fruit. Sommige van deze stoffen kunnen een gunstig effect hebben op de gezondheid.

De rol van erfelijkheid
De kans op ziekte is afhankelijk van iemands erfelijke eigenschappen en van de omgeving (nature and nurture). De erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd in de genen die in de kernen van de lichaamscellen zitten. Iedere cel van ons lichaam heeft dezelfde genen, maar de meeste genen worden niet gebruikt.
Een cel maakt pas gebruik van een gen als het ergens voor nodig is, bijvoorbeeld om een eiwit te maken dat een rol speelt in de bloedstolling. Soms leidt een afwijking in één enkel gen al tot ziekte. Als er bijvoorbeeld een fout zit in een gen dat zorgt voor de samenstelling van een eiwit voor de bloedstolling, dan kan dat leiden tot een verhoogde stollingsneiging van het bloed. Meestal zijn ziekten echter het gevolg van de samenwerking tussen meerdere genen en van invloeden uit de omgeving. Waarom de ene mens almaar dikker wordt en iemand anders kan eten wat hij wil zonder dik te worden, wordt bijvoorbeeld voor een deel bepaald door de genen. Als er echter nauwelijks iets te eten is in de omgeving, dan blijft iemand die anders snel dik wordt, ook slank. Bij overgewicht spelen dus zowel genetische factoren als factoren in de omgeving - een overvloed aan eten en nauwelijks lichaamsbeweging - een rol.

Genetisch onderzoek en gentherapie
Genetisch onderzoek biedt verschillende mogelijkheden. Onderzoek naar genetische afwijkingen kan een voorspelling opleveren voor ziekte. Wanneer iemand een genetische afwijking heeft in de vetstofwisseling, dan kan dat betekenen dat het risico op een vaatziekte is verhoogd. Als iemand weet dat hij een verhoogd risico heeft, dan kan hij extra alert zijn op andere risicofactoren. Bij een gestoorde vetstofwisseling kan het gaan om een ziekte die door één genafwijking wordt veroorzaakt. Ziekten die het gevolg zijn van één enkele genetische fout, probeert men met gentherapie te genezen. Bij gentherapie brengt men een gezond gen in om het foute gen te vervangen. Gentherapie is veelbelovend, maar ook erg ingewikkeld. Voorlopig kan het nog niet toegepast worden bij mensen.
Genetisch onderzoek biedt ook mogelijkheden voor 'medicijnen op maat'. Als we iemands genprofiel kennen - precies weten welke genen hij heeft - en weten hoe een medicijn hierop ingrijpt, dan kunnen we ook voorspellen wie het meeste profiteert van zo'n medicijn. Het zal nog vele jaren duren voor de eerste bruikbare medicijnen op deze manier worden ontworpen en toegepast. Wel bekend is bijvoorbeeld dat mensen van verschillende rassen niet hetzelfde reageren op bepaalde soorten bloeddrukverlagende medicijnen.

Gespecialiseerde poliklinieken
Het behandelen van risicofactoren blijkt vaak niet efficiënt te verlopen. Daarom ontstaan er speciale spreekuren voor het bestrijden van risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Ook zijn er poliklinieken die zich uitsluitend richten op het bestrijden van één risicofactor, bijvoorbeeld het stoppen met roken of het behandelen van een verstoorde vetstofwisseling of overgewicht. Dit soort gespecialiseerde poliklinieken bieden een patiënt gedurende langere tijd begeleiding bij het veranderen van de leefstijl.
Vaak nemen in hart- en vaatziekten gespecialiseerde verpleegkundigen, de vasculair verpleegkundigen, een deel van het werk van medisch specialisten over. Deze verpleegkundigen werken zelfstandig onder verantwoording van een arts. De Nederlandse Hartstichting werkt aan een programma om de oprichting van deze poliklinieken te stimuleren. In het Universitair Medisch Centrum Utrecht loopt een onderzoeksprogramma voor het bestrijden van hart- en vaatziekten, het zogenaamde smart-onderzoek. Het doel van dit soort onderzoek is om de zorg voor patiënten met slagaderverkalking te verbeteren waardoor minder mensen opnieuw een vaatziekte krijgen.





Vooral zelf aan de slag
Voorkomen is beter dan genezen. Toch krijgt binnen de geneeskunde het voorkomen vaak minder aandacht dan het genezen. Dat is ook logisch. Mensen gaan naar een dokter omdat ze ziek zijn en een dokter bemoeit zich doorgaans niet met mensen die niet ziek zijn.
Van risicofactoren zoals hoge bloeddruk, een hoog cholesterolgehalte, roken, inactiviteit en overgewicht zijn mensen niet direct ziek. Ziekte ontstaat pas als na verloop van tijd de slagaderverkalking leidt tot vaatziekten zoals een hartinfarct, een beroerte of etalagebenen. In eerste instantie gaat dan alle aandacht naar het behandelen van de vaatziekte. Die behandeling wordt steeds beter en daardoor overleven tegenwoordig meer mensen hun eerste, tweede of soms zelfs derde vaatziekte, dan vroeger. Maatregelen om een tweede of derde vaatziekte te voorkomen, zijn echter dringend gewenst. Nog beter is het om risicofactoren te bestrijden voordat de slagaderverkalking heeft geleid tot ziekte. Op het moment dat er ziekte is ontstaan, is het eigenlijk al (te) laat. Soms sterft iemand na een eerste hartinfarct of beroerte. Op het moment dat iemand een hart- of vaatziekte krijgt, zijn de vaten vaak al ernstig aangetast door slagaderverkalking.
Wie is verantwoordelijk voor onze gezondheid? De overheid speelt een belangrijke rol in de manier waarop onze omgeving is ingericht. Het aantal mensen dat rookt, daalde onder andere onder invloed van overheidscampagnes, het aan banden leggen van roken in openbare ruimten en het opleggen van beperkingen voor de industrie. Het is te verwachten dat de tolerantie voor roken steeds verder zal afnemen. Maar met roken kun je radicaal stoppen, met eten niet. Dat maakt, zeggen sommigen, het bestrijden van overgewicht nog moeilijker dan het tegengaan van roken. Nederlanders worden echter ieder jaar dikker en ook daarin speelt de omgeving een belangrijke rol. Amerikanen en Engelsen gaan ons hierin voor. Daar heeft de vetzucht onder kinderen en volwassenen de omvang van een epidemie gekregen. De eetgewoonten zijn veranderd en de hoeveelheid lichaamsbeweging is sterk afgenomen. Toch aarzelt de overheid met het nemen van maatregelen, zoals met het opleggen van beperkingen aan de voedingsmiddelenindustrie. Ze vertrouwt op het maken van afspraken of convenanten, waarbij ze rekent op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de industrie. De overheid, en in toenemende mate ook de zorgverzekeraars zijn geneigd om de verantwoordelijkheid voor gezond leven bij de mensen zelf te leggen.
De mogelijkheden van de dokter en andere professionals in de gezondheidszorg zijn beperkt. Zij kunnen adviseren en schrijven zonodig medicijnen voor. Als iemand er echter niet in slaagt om de adviezen op te volgen en gezond te gaan leven, dan zijn medicijnen slechts van beperkte waarde. Primaire preventie valt meestal buiten het blikveld van de dokter. Uiteindelijk moet iemand zelf kiezen voor een gezond leven. We leven gezond met of zonder advies of hulp van anderen, of we doen het niet en dan nemen we het risico op ziekte. Daar staat tegenover dat gezond leven geen garantie biedt op het bereiken van een hoge leeftijd zonder ziekten. Het beschermt ons ook niet volledig tegen hart- en vaatziekten maar verlaagt de kans daarop. We kunnen immers niet alle risicofactoren beïnvloeden. De risicofactoren die we wel kunnen beïnvloeden, kunnen we niet volledig uitbannen. Maar toch: iemand die te veel en ongezond eet, inactief is en rookt, loopt meer gevaar dan iemand die gezond leeft.




terug




Hé Van Puffelen, wat denk je ervan?


e-book

Auteur(s) : Marjan Essing
Prijs : € 14,99
ISBN : 9789491549168