Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Drs. Bep Franke en dr. Jan Dirk Banga
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Risico en Risicofactoren

Onder risico verstaan we de kans dat er iets gebeurt wat we niet willen. In dit boek gaat het om het krijgen van een ziekte van hart- of bloedvaten. Risicofactoren zijn in dit boek de factoren die de kans op het krijgen van een hart- of vaatziekte verhogen.
De gegevens over risicofactoren voor bepaalde ziekten zijn afkomstig uit epidemiologisch onderzoek. Aan de hand van dergelijk onderzoek stelt men vast hoeveel mensen onder de bevolking een bepaalde ziekte krijgen. Tegelijk bekijkt men of en welke verschillen er bestaan tussen mensen die de ziekte krijgen en mensen die de ziekte niet krijgen. Zijn er factoren die vaak voorkomen bij de mensen met de ziekte en nauwelijks bij de mensen die gezond blijven? Op die manier ontdekken wetenschappers dus de risicofactoren voor de betreffende ziekte.
Voor hart- en vaatziekten is een groot aantal risicofactoren ontdekt, zoals hoge concentratie cholesterol in het bloed, hoge bloeddruk, roken, diabetes, overgewicht en gebrek aan lichaamsbeweging. Het is mogelijk dat door nieuw onderzoek het aantal risicofactoren zich in de toekomst verder zal uitbreiden. De laatste risicofactor die aan de rij is toegevoegd, is een hoog gehalte aan homocysteïne in het bloed. De verschillende risicofactoren komen verderop in dit hoofdstuk aan bod.

Absoluut en relatief risico
Als bekend is dat een factor de kans op ziekte verhoogt, en daarmee dus een risicofactor is, dan wordt vervolgens bepaald hoe groot de kans op ziekte is voor iemand met die risicofactor. De gegevens voor het berekenen van risico's komen ook uit het al genoemde epidemiologisch onderzoek. Om bijvoorbeeld het risico van hoge bloeddruk op een hartinfarct te bepalen, vergelijkt men twee groepen mensen met elkaar. De ene groep bestaat uit mensen met hoge bloeddruk en de andere zonder hoge bloeddruk. De groepen moeten heel groot zijn om ervoor te zorgen dat andere risicofactoren dan hoge bloeddruk in beide groepen even vaak voorkomen. Vervolgens onderzoekt men hoeveel mensen in de groep met hoge bloeddruk een hartinfarct krijgen en hoe vaak dat gebeurt bij de mensen in de groep met een niet-verhoogde bloeddruk.

Verwarrend
De manier waarop het risico wordt uitgedrukt in een getal, levert nogal eens verwarring op. Vaak worden absolute en relatieve risico's door elkaar gehaald. Het absolute risico is de kans op de ongewenste gebeurtenis, zoals een hartinfarct. Van de groep mensen met hoge bloeddruk krijgt bijvoorbeeld een tiende deel of tien procent een hartinfarct (0,1 of 10%). Het absolute risico op een hartinfarct voor iemand in de groep met hoge bloeddruk is dan één op de tien mensen. In de groep mensen zonder hoge bloeddruk krijgt vijf procent een hartinfarct (0,05 of 5%). Iemand in de groep met een normale bloeddruk heeft daarmee een absoluut risico op een hartinfarct van één op twintig. Het relatieve risico is het absolute risico van de ene groep (mensen met hoge bloeddruk) gedeeld door het absolute risico in de andere groep (mensen zonder hoge bloeddruk). In ons voorbeeld: van één op de tien mensen in de groep met hoge bloeddruk gedeeld door één op de twintig mensen in de groep zonder hoge bloeddruk. In de groep met een hoge bloeddruk is het risico op een hartinfarct twee keer zo groot als in de groep zonder hoge bloeddruk. Het relatieve risico is 2 (of 200%).

Absolute risico is belangrijk
Het is belangrijk om absoluut risico en relatief risico goed uit elkaar te houden. Het relatieve risico van een risicofactor kan heel hoog zijn, en toch van geen enkel belang zijn om ziekte te voorkomen. Om te beoordelen hoe belangrijk het relatieve risico is, moet het absolute risico bekend zijn. Een voorbeeld om dat te verduidelijken is het gebruik van de anticonceptiepil en de kans op een hartinfarct. Het relatieve risico op een hartinfarct is voor een pilgebruikster vier keer zo groot (4 of 400%) in vergelijking met een niet-pilgebruikster. Hoe alarmerend is dit nu voor een vrouw van 22 jaar die de pil wil gaan gebruiken? Voor jonge vrouwen die geen pil gebruiken en die tussen de 20 en de 24 jaar zijn, is de kans op een hartinfarct (het absolute risico) ongeveer 1 per 1.000.000 vrouwen (is 0,0001%). Wanneer deze vrouwen de pil gaan gebruiken, wordt hun risico vier keer hoger en stijgt dus naar 4 per 1.000.000 vrouwen (of 0,0004%). Het absolute risico voor vrouwen die de pil gebruiken in deze leeftijdscategorie blijft dus heel erg klein. Om te weten hoe hoog het risico is, moet iemand niet alleen weten hoeveel keer hoger of lager het risico is (het relatieve risico), maar ook wat het absolute risico is. In populair-wetenschappelijke artikelen, bijvoorbeeld in de wetenschappelijke bijlage van de kranten, en in advertenties van de farmaceutische industrie wordt vaak het relatieve risico gemeld. Dit is meestal een hoog getal en daardoor lijkt het effect groter. Voor het nemen van een beslissing om wel of niet te behandelen, is het absolute risico belangrijk.

Scorekaart
Mensen die al een hart- of vaatziekte hebben (gehad) als gevolg van slagaderverkalking, hebben een hoog absoluut risico voor nieuwe hart- of vaatziekten. Voor hen is het altijd verstandig om hun risicofactoren zo intensief mogelijk te bestrijden door het veranderen van de leefstijl, aangevuld met medicijnen. Dit geldt ook voor mensen met diabetes mellitus type 2. Het bestrijden van risicofactoren bij mensen die een hart- of vaatziekte hebben, noemen we secundaire preventie. Bij het bestrijden van risicofactoren bij mensen die (nog) geen hart- of vaatziekte hebben, spreken we van primaire preventie. Bij primaire preventie hangt het wel of niet bestrijden van de risicofactoren af van de hoogte van het absolute risico.

Voor het schatten van het absolute risico voor mensen die geen hart- of vaatziekten, of diabetes mellitus hebben (primaire preventie), is de scorekaart ontwikkeld. Met behulp van de scorekaart kan men inschatten hoe groot de kans is dat iemand binnen tien jaar aan een hart- of vaatziekte zal overlijden. In de scorekaart zijn de volgende risicofactoren opgenomen: leeftijd, roken, systolische bloeddruk (of bovendruk) en de verhouding tussen totaal-cholesterol/HDL-cholesterol in het bloed (totaal-cholesterol/ HDL-cholesterolratio). Omdat mannen een hoger risico hebben op hart- en vaatziekten dan vrouwen, zijn er aparte kolommen voor mannen en vrouwen gemaakt. Bij iemand met risicofactoren die niet in de scorekaart zijn opgenomen, zoals veel hart- en vaatziekten in de familie, ongezonde voeding, overgewicht en weinig lichamelijke activiteit, kan het risico hoger zijn dan de scorekaart aangeeft.

Opzoeken
Als iemand zijn kans op overlijden aan een hart- of vaatziekte binnen tien jaar met hulp van de scorekaart wil schatten, moet hij of zij weten hoe hoog zijn systolische bloeddruk, totaal-cholesterolgehalte en HDL-cholesterolgehalte zijn. Het begint met het zoeken van de juiste kolom: vrouwen of mannen en daarna niet-rookster (niet-roker) of rookster (roker). Vervolgens zoekt men het blokje met de juiste leeftijdscategorie en binnen dit blokje de systolische bloeddruk (SBD) en het totaal-cholesterol/HDL-cholesterolratio. Het cijfer waarop men uitkomt, drukt het percentage uit van de mensen met deze risicofactoren, die binnen tien jaar zullen overlijden aan een hart- of vaatziekte.
Een voorbeeld: voor een vrouw die niet rookt, geldt de meest linkse kolom. Als zij zestig jaar is, schuift ze naar het tweede blok van bovenaf. Haar systolische bloeddruk is 120 mmHg en haar totaal-cholesterol/HDL-cholesterolratio 8 mmol/l. Daarmee komt ze binnen dit blok in het meest rechtse blokje onderaan terecht. De kans dat zij binnen tien jaar overlijdt aan een hart- of vaatziekte als haar risicofactoren niet veranderen, is 3%.

Meerdere risicofactoren
De kaart maakt duidelijk dat het niet voldoende is om slechts te kijken naar één risicofactor. Iemands totale risico hangt af van meerdere risicofactoren, hetgeen we ook wel risicoprofiel noemen. Wanneer de zestigjarige vrouw uit het voorbeeld rookt, is de kans op overlijden aan een hart- of vaatziekte binnen tien jaar 5%. Zou ze roken en ook nog een bloeddruk hebben van 180 mmHg, dan stijgt de kans op overlijden hieraan binnen tien jaar naar 14%.
Met de kaart kan men ook een schatting maken van het succes dat behaald kan worden met het bestrijden van risicofactoren. De rokende vrouw van zestig jaar met een hoge systolische bloeddruk van 180 mmHg en een hoog totaal-cholesterol/ HDL-cholestrolratio van 8, kan besluiten om alleen het cholesterolgehalte te verlagen. Als ze erin slaagt om haar totaal-cholesterol/HDL-cholesterolratio te verlagen naar 5, dan daalt haar kans op overlijden binnen tien jaar naar 10%. Besluit ze om alleen te stoppen met roken, dan heeft ze nog een kans van 8%. Stopt ze met roken en daalt haar totaal-cholesterol/HDL-cholesterolratio naar 5, dan daalt haar risico naar 5%. De daling van het risico treedt niet onmiddellijk op, maar na verloop van enige tijd. Hoe meer risicofactoren ze echter aanpakt, hoe groter de daling van het totale risico.

Sterfterisico voor patiënten zonder HVZ en zonder DM2. De cijfers geven een schatting van de hoogte van het 10-jaarsrisico (%) van sterfte door HVZ in Nederland voor nietrokende en rokende vrouwen en mannen van 65, 60, 55, 50 en 40 jaar met behulp van de SCORE risicofunctie.


Leeftijdsgrens
De scorekaart begint bij een leeftijd van veertig jaar. Beneden de veertig is het absolute risico op een ziekte aan hart of bloedvaten heel klein, ook al zijn er risicofactoren aanwezig. Slagaderverkalking is immers een sluipend proces dat pas na jaren tot ziekte leidt. Iemand die nog jong is en risicofactoren heeft, kan met de kaart inschatten hoe groot zijn risico wordt op oudere leeftijd bij gelijkblijvend risico. Het enige dat daarvoor moet gebeuren, is omhoog schuiven naar een hogere leeftijdscategorie. Meestal blijven de risicofactoren echter niet gelijk bij het ouder worden, maar nemen ze juist toe. Bloeddruk en cholesterolgehalte hebben bijvoorbeeld de neiging om tijdens het leven langzamerhand te stijgen.

Het absolute risico op een hart- of vaatziekte kan hoger zijn dan de kaart aangeeft:
- voor iemand die een hogere leeftijdscategorie nadert;
- wanneer uit medisch onderzoek blijkt dat iemand ernstige slagaderverkalking heeft, ook al is hij of zij daardoor (nog) niet ziek geworden;
- bij mensen die familieleden (broer, zus, vader of moeder) hebben met hart- en vaatziekten op jonge leeftijd (mannen jonger dan 55 jaar en vrouwen jonger dan 65 jaar);
- bij mensen met risicofactoren die niet in de kaart zijn opgenomen, bijvoorbeeld mensen met overgewicht of mensen die ongezond eten of onvoldoende lichaamsbeweging hebben.




terug verder