Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Drs. Bep Franke en dr. Jan Dirk Banga
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Absoluut en relatief risico

Als bekend is dat een factor de kans op ziekte verhoogt, en daarmee dus een risicofactor is, dan wordt vervolgens bepaald hoe groot de kans op ziekte is voor iemand met die risicofactor. De gegevens voor het berekenen van risico's komen ook uit het al genoemde epidemiologisch onderzoek. Om bijvoorbeeld het risico van hoge bloeddruk op een hartinfarct te bepalen, vergelijkt men twee groepen mensen met elkaar. De ene groep bestaat uit mensen met hoge bloeddruk en de andere zonder hoge bloeddruk. De groepen moeten heel groot zijn om ervoor te zorgen dat andere risicofactoren dan hoge bloeddruk in beide groepen even vaak voorkomen. Vervolgens onderzoekt men hoeveel mensen in de groep met hoge bloeddruk een hartinfarct krijgen en hoe vaak dat gebeurt bij de mensen in de groep met een niet-verhoogde bloeddruk.

Verwarrend
De manier waarop het risico wordt uitgedrukt in een getal, levert nogal eens verwarring op. Vaak worden absolute en relatieve risico's door elkaar gehaald. Het absolute risico is de kans op de ongewenste gebeurtenis, zoals een hartinfarct. Van de groep mensen met hoge bloeddruk krijgt bijvoorbeeld een tiende deel of tien procent een hartinfarct (0,1 of 10%). Het absolute risico op een hartinfarct voor iemand in de groep met hoge bloeddruk is dan één op de tien mensen. In de groep mensen zonder hoge bloeddruk krijgt vijf procent een hartinfarct (0,05 of 5%). Iemand in de groep met een normale bloeddruk heeft daarmee een absoluut risico op een hartinfarct van één op twintig. Het relatieve risico is het absolute risico van de ene groep (mensen met hoge bloeddruk) gedeeld door het absolute risico in de andere groep (mensen zonder hoge bloeddruk). In ons voorbeeld: van één op de tien mensen in de groep met hoge bloeddruk gedeeld door één op de twintig mensen in de groep zonder hoge bloeddruk. In de groep met een hoge bloeddruk is het risico op een hartinfarct twee keer zo groot als in de groep zonder hoge bloeddruk. Het relatieve risico is 2 (of 200%).

Absolute risico is belangrijk
Het is belangrijk om absoluut risico en relatief risico goed uit elkaar te houden. Het relatieve risico van een risicofactor kan heel hoog zijn, en toch van geen enkel belang zijn om ziekte te voorkomen. Om te beoordelen hoe belangrijk het relatieve risico is, moet het absolute risico bekend zijn. Een voorbeeld om dat te verduidelijken is het gebruik van de anticonceptiepil en de kans op een hartinfarct. Het relatieve risico op een hartinfarct is voor een pilgebruikster vier keer zo groot (4 of 400%) in vergelijking met een niet-pilgebruikster. Hoe alarmerend is dit nu voor een vrouw van 22 jaar die de pil wil gaan gebruiken? Voor jonge vrouwen die geen pil gebruiken en die tussen de 20 en de 24 jaar zijn, is de kans op een hartinfarct (het absolute risico) ongeveer 1 per 1.000.000 vrouwen (is 0,0001%). Wanneer deze vrouwen de pil gaan gebruiken, wordt hun risico vier keer hoger en stijgt dus naar 4 per 1.000.000 vrouwen (of 0,0004%). Het absolute risico voor vrouwen die de pil gebruiken in deze leeftijdscategorie blijft dus heel erg klein. Om te weten hoe hoog het risico is, moet iemand niet alleen weten hoeveel keer hoger of lager het risico is (het relatieve risico), maar ook wat het absolute risico is. In populair-wetenschappelijke artikelen, bijvoorbeeld in de wetenschappelijke bijlage van de kranten, en in advertenties van de farmaceutische industrie wordt vaak het relatieve risico gemeld. Dit is meestal een hoog getal en daardoor lijkt het effect groter. Voor het nemen van een beslissing om wel of niet te behandelen, is het absolute risico belangrijk.



verder